Toelatingsnummer 10211 N

Het College voor de Toelating
van Bestrijdingsmiddelen,


gelet op artikel 5 van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 (Stb. 228),

BESLUIT:

Enig artikel

Het besluit tot toelating van het middel SUMICIDIN SUPER onder nr. 10211 N d.d.

15 februari 1989, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 20 november 1998 wordt op gronden als in bijlage II dezes vermeld, met ingang van 1 januari 2001 gewijzigd als volgt:

In het gestelde onder § IV.2.e. wordt in plaats van "W.8." gelezen: "W.9."

De bijlage I (laatstelijk gewijzigd d.d. 20 november 1998) van bovengenoemd besluit wordt met ingang van 1 januari 2001 vervangen door bijlage I dezes.

Degene wiens belang rechtstreeks bij dit besluit is betrokken kan daartegen op grond van artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht binnen zes weken na de dag waarop dit besluit bekend is gemaakt een bezwaarschrift indienen bij het bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen. Een dergelijk bezwaarschrift dient te worden geadresseerd aan: Het College voor de Toelating van Bestrijdingsmiddelen, Postbus 217, 6700 AE WAGENINGEN.

Wageningen, 23 juni 2000

HET COLLEGE VOOR DE TOELATING VAN BESTRIJDINGSMIDDELEN,




(voorzitter)

Aan:

SUMITOMO CHEMICAL AGRO EUROPE S.A.
2, RUE CLAUDE CHAPPE
F-69370 SAINT DIDIER AU MONT D'OR
FRANKRIJK

HET COLLEGE VOOR DE TOELATING VAN BESTRIJDINGSMIDDELEN

BIJLAGE I bij het wijzigingsbesluit van het middel SUMICIDIN SUPER,

toelatingsnummer 10211 N

A.

WETTELIJK GEBRUIKSVOORSCHRIFT

Toegestaan is uitsluitend het gebruik als insectenbestrijdingsmiddel in de teelt van:

a. aardappelen, granen, suiker- en voederbieten, erwten, stamslabonen, veldbonen, spruitkool, sluitkool, bloemkool, chinese kool, broccoli en koolrabi;

b. graszaad en graszoden alsmede in weiland en sportvelden met dien verstande dat:
1. in de grasteelt binnen 2 weken na behandeling geen gras mag worden gemaaid ten behoeve van voederdoeleinden;
2. weiland niet binnen 2 weken na behandeling mag worden beweid;
3. sportvelden niet binnen 5 dagen na behandeling mogen worden betreden.

c. bloembollen;

d. bloemisterijgewassen onder glas.

In de buitenste bomenrij van boomgaarden is toepassing van het middel langs watergangen uitsluitend toegestaan indien voldaan wordt aan tenminste één van de volgende voorwaarden:

- indien tussen de watergang en de boomgaard een aaneengesloten windscherm is geplaatst en het windscherm niet wordt bespoten;

- indien het middel wordt verspoten met een tunnelspuit;

- indien het middel wordt verspoten met een dwarsstroomspuit die van een reflectiescherm is voorzien.

De toepassing door middel van een vliegtuig is verboden.

Veiligheidstermijnen:

De termijn tussen de laatste toepassing en de oogst mag niet korter zijn dan:

7 dagen voor aardappelen;

7 dagen voor spruitkool, sluitkool, bloemkool, chinese kool, broccoli en koolrabi;

2 weken voor granen;

1 week voor erwten en veldbonen;

10 dagen voor stamslabonen.

B.

GEBRUIKSAANWIJZING

ATTENTIE

Het middel is giftig voor vissen en andere waterorganismen, derhalve het middel zodanig toepassen dat het niet in het oppervlaktewater terecht kan komen.

TOEPASSINGEN

Aardappelen, ter bestrijding van de larven van de Coloradokever.

Het beste tijdstip voor een bestrijding is wanneer jonge larven op het gewas worden aangetroffen.

Dosering: 0,2 liter per ha.

Aardappelen, ter bestrijding van bladluizen ter voorkoming van zuigschade.

Een behandeling uitvoeren wanneer gemiddeld meer dan 50 bladluizen per samengesteld blad voorkomen.

Dosering: 0,2 liter per ha.

Pootaardappelen, ter voorkoming van overdracht door bladluizen van het bladrolvirus.

Toepassen zodra 90% van de planten is opgekomen.

De behandeling 14 dagen later herhalen.

Dosering: 0,2 liter per ha.

Granen, ter bestrijding van bladluizen.

Een bespuiting uitvoeren als tenminste 70% van de halmen met bladluizen is bezet.

Een gecombineerde bestrijding van bladluizen en afrijpingsziekten is verantwoord wanneer bij begin tenminste 30% van de halmen met bladluizen is bezet.

Dosering: 200 ml per ha.

Suiker- en voederbieten, ter bestrijding van rupsen van de aardappelstengelboorder.

In gebieden waar aantasting is te verwachten vanaf half mei een behandeling uitvoeren en deze maximaal 2x herhalen met een interval van 7 dagen.

Dosering: 0,5 liter per ha.

Suiker en voederbieten, ter bestrijding van trips.

Een behandeling uitvoeren zodra op de jonge plantjes trips wordt waargenomen.

Dosering: 0,2 liter per ha

Erwten en veldbonen, ter bestrijding van de bladrandkever.

Zodra vreterij van de bladrandkever aan de blaadjes van de jonge planten wordt waargenomen een behandeling uitvoeren.

Dosering: 0,2 liter per ha.

Erwten, ter bestrijding van trips.

Een behandeling uitvoeren zodra op de jonge planten aantasting wordt waargenomen.

Dosering: 0,2 liter per ha.

Stamslabonen, ter bestrijding van trips.

Een behandeling uitvoeren zodra op de jonge planten aantasting wordt waargenomen.

Dosering: 0,2 liter per ha.

Spruit-, sluit-, bloem-, chinese kool, broccoli en koolrabi, ter bestrijding van koolrupsen, koolmot en bladrollers; nevenwerking tegen bladluis en bij spruitkool ook tegen late koolvlieg.

Ter bestrijding van de koolgalmug het middel toepassen zodra de eerste eitjes zijn afgezet. De bespuiting zonodig herhalen.

Dosering: 0,2 liter per ha.

Graszaadteelt, graszodenteelt, weiland en sportvelden, ter bestrijding van de larven van de rouwvlieg.

Bij voorkeur spuiten met veel water; regen kort na de toepassing heeft een gunstige effect op de bestrijding. De bestrijding dient in de herfst te worden uitgevoerd. Om de kans op contact van het middel met de larven te vergroten verdient het aanbeveling weiland eerst te slepen en geen drijfmest kort voor de bespuiting toe te dienen.

Dosering: 0,3 liter per ha.

Tulp, hyacint, iris en gladiool, ter beperking van verspreiding van nonpersistente virussen.

Het middel vanaf de eerste week van mei wekelijks toepassen.

Bij tulpen de bespuitingen voortzetten tot de tweede/derde week van juni, bij hyacinten en irissen tot tien dagen voor het rooien en bij gladiolen tot een week voor de bloei. Bij gladiolen uitsluitend toepassen op virusvrije partijen.

Dosering: 0,4 liter per ha.

Lelies, ter beperking van verspreiding van non-persistente virussen.

Het middel vanaf de eerste week van mei toepassen; in mei, juni en juli wekelijks toepassen; in augustus/september om de 10 dagen.

Dosering: 0,4 liter per ha.

Gecombineerd toepassen met minerale olie kan het effect verbeteren.

Voor de dosering van minerale olie raadplege men de voorlichting.

Bloemisterijgewassen onder glas, ter bestrijding van rupsen, bladrollers, witte vlieg, mineervlieg, trips en bladluizen.

Een behandeling uitvoeren zodra aantasting optreedt. De behandeling zonodig enige malen herhalen met een interval van 7 dagen.

Volwassen mineervliegen en Floridamotten bestrijden d.m.v. een ruimtebehandeling.

Dosering:

0,05 % (50 ml per 100 liter water).

Bij gebruik van straalmotorspuit 100 ml per 1000 m².

Wageningen, 23 juni 2000

HET COLLEGE VOOR DE TOELATING VAN BESTRIJDINGSMIDDELEN,




(voorzitter)

HET COLLEGE VOOR DE TOELATING VAN BESTRIJDINGSMIDDELEN

BIJLAGE II
behorende bij het wijzigingsbesluit van datum dezes van de toelating van het middel SUMICIDIN SUPER, toelatingsnummer 10211N.

Op grond van artikel 5, vijfde lid, van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962, kan een toelating worden gewijzigd als bij de beoordeling omtrent de verdere toelaatbaarheid blijkt, dat de in het Besluit wijziging toelatingsvoorschriften bestrijdingsmiddelen genoemde omstandigheden zich voordoen.

De stof esfenvaleraat is reeds diverse malen door het College beoordeeld. Met name de besluitvorming rond de toxiciteit voor vissen is complex. Hiervolgend is de besluitvorming weergegeven van het College in de vergaderingen van C-76.3.3 (augustus 1998), C-87.3.20 (juli 1999) en C-97.3.9 (mei 2000).

Besluitvorming C-76.3.3 (augustus 1998)

Beoordeling

In C-29.3.7 d.d. 23 november 1994 heeft het College het voornemen geuit de toepassingen in de teelt van appels en peren, alsmede de toepassing door middel van vliegtuigen, die een berekende overschrijding > 100 x de norm voor waterorganismen geven, op zo kort mogelijke termijn te beëindigen. Voor de overige toepassingen werd het leveren van (semi)-veldonderzoek als voorwaarde gesteld voor verlenging na 1 juli 2000.

De toelatinghouder heeft het College vervolgens verzocht -onder verwijzing naar het verzoek ex art. 8, tweede en derde lid, van het Besluit milieutoelatingseisen bestrijdingsmiddelen (‘kanalisatievoorstel’) voor esfenvaleraat- de voorgenomen beëindiging op te schorten.

In C-38.3.19 d.d. 30 augustus 1995 heeft het College besloten de toepassing in de teelt van appels en peren, alsmede de vliegtuigtoepassing in de teelt van granen en aardappelen te beëindigen met ingang van 1 januari 1997. Na honorering van het ‘kanalisatievoorstel’ was de genoemde beëindiging niet meer van toepassing daar in het verzoek voor de toepassing in de teelt van appels en peren een restrictie werd voorgesteld en de vliegtuigtoepassingen werden ingetrokken ( C-51.3.26 d.d. 28 augustus 1996 ).

Tijdens de beoordeling van de verzoeken op basis van art. 8, tweede en derde lid, Bmb zijn de werkzame stoffen getoetst aan de voorlopige criteria voor persistentie in de bodem, uitspoeling naar het grondwater en toxiciteit waterorganismen, zoals vermeld in de Bestuursovereenkomst Meerjarenplan Gewasbescherming.

De werkzame stoffen waarvan het ‘kanalisatievoorstel’ is gehonoreerd en waarvan de toelating na 1 januari 2000 expireert dienen uiterlijk 1 januari 2000 in overeenstemming te zijn gebracht met art. 5 t/m 7 van het Bmb.

In C-65.3.1b d.d. 1 oktober 1997 heeft het College het "Plan van aanpak toetsing ‘kanalisatie-stoffen’ aan het Besluit milieutoelatingseisen bestrijdingsmiddelen" geaccordeerd. Conform dit plan wordt in onderstaande de werkzame stof esfenvaleraat aan de normen zoals vermeld in art. 5 t/m 7 van het Bmb getoetst.

Toetsing aan het Besluit milieutoelatingseisen bestrijdingsmiddelen

Voor de risicobeoordeling van de milieu-aspecten is gebruik gemaakt van de versnelde herbeoordeling milieu-kritische stoffen van 1 november 1996 uitgevoerd door de PD, van de concept EU Monograph van 17 juli 1997 en van het advies van 4 maart 1998 van het Staring Centrum met betrekking tot de door toelatinghouder verstrekte gegevens.

Persistentie en uitspoeling

Omzettingssnelheid en omzettingsroute in grond

Omzettingssnelheid

Voor de omzetting van esfenvaleraat in de bodem werden in verschillende laboratorium experimenten DT50-waarden (20 °C) gevonden van 28 –50 dagen. Er werd geen gemiddelde opgegeven.

In een veldstudie in Groot-Brittannië werden geschatte DT50-waarden bepaald van

39–123 dagen.

Metabolieten

Er werd 1 metaboliet in relevante hoeveelheden (32% na 12 maanden, USA laboratorium-studie) aangetroffen in omzettingsstudies in grond:

mI: CONH2-esfenvaleraat ((S)-a-carbamoyl-3-fenoxybenzyl-(S)-2-(4-chloorfenyl)-3-methylbutyraat).

mI werd niet aangetroffen in een veldstudie met esfenvaleraat. Deze metaboliet wordt niet van belang geacht bij de beoordeling van de accumulatie en uitspoeling.

CO2 en gebonden residu.

In laboratoriumstudies met esfenvaleraat 14C-gelabelled op diverse plaatsen in het molecuul werd onder aërobe omstandigheden 5,3 tot 28% gebonden residu na 90–100 dagen gevonden.

De hoeveelheid CO2 bedroeg na 90-100 dagen: 22 tot 82%, vermoedelijk afhankelijk van de plaats van het label.

Voor de beoordeling van de accumulatie en uitspoeling van esfenvaleraat zijn de volgende DT50-waarden gebruikt: 28 –50 dagen.

Mobiliteit in grond

Esfenvaleraat is immobiel in de bodem. Er zijn geen betrouwbare gegevens over de Kom-waarden in grond. De in de EU Monograph gegeven log Koc-waarde, bepaald d.m.v. HPLC, wordt minder betrouwbaar geacht. Voor fenvaleraat (mengsel van 4 isomeren, waaronder esfenvaleraat) worden voor 4 gronden Kd-waarden van 4,4 tot 105 L/kg opgegeven. Omgerekend met behulp van het vermoedelijke org. koolstofgehalte van deze gronden (0,035 – 2%) bedraagt de gemiddelde Kom-waarde vermoedelijk ongeveer 1800 L/kg. In de versnelde herbeoordeling is de Kom-waarde 870 L/kg gebruikt.

In kolomstudies met 14C-esfenvaleraat werd minder dan 2% van de opgebrachte 14C in het percolaat teruggevonden. In een studie met 30 dagen verouderd residu (sandy loam) werd ongeveer 1% van de opgebrachte 14C in het percolaat aangetroffen.

Bij de evaluatie van de uitspoeling van esfenvaleraat is uitgegaan van een Kom-waarde van 870 L/kg.

Persistentie in de bodem

Uit bovenstaande gegevens blijkt dat de laboratorium DT50-waarde van esfenvaleraat < 90 dagen bedraagt (28 – 50 dagen, gemiddelde niet bekend). Tevens kan met voldoende zekerheid worden uitgesloten dat na 100 dagen er meer dan 70% grondgebonden residu in combinatie met minder dan 5% CO2 zal zijn gevormd. Derhalve wordt voldaan aan de norm voor persistentie zoals opgenomen in het Besluit milieutoelatingseisen bestrijdingsmiddelen.

Risico voor uitspoeling naar het ondiepe grondwater

Op basis van de standaardberekening met het PESTLA-model gelden voor esfenvaleraat de volgende voorlopige verwachtingen voor voorjaarstoepassing (gebaseerd op een

DT50-waarde van 28–50 dagen en een Kom-waarde van 870 L/kg):

• een concentratie in het ondiepe grondwater van < 0,001 µg/L (minimum < 0,001 µg/L en maximum < 0,001 µg/L);

• een uitspoeling uit de bovenste meter van de bodem van < 0,001% van de dosering (minimum < 0,001% en maximum < 0,001%).

Op basis van de standaardberekening met het PESTLA-model gelden voor esfenvaleraat de volgende voorlopige verwachtingen voor najaarstoepassing:

• een concentratie in het ondiepe grondwater van < 0,001 µg/L (minimum < 0,001 µg/L en maximum < 0,001 µg/L);

• een uitspoeling uit de bovenste meter van de bodem van < 0,001% van de dosering (minimum <0,001% en maximum < 0,001%).

De verwachte uitspoeling op grond van PESTLA-modelberekeningen is voor esfenvaleraat kleiner dan 0,001 µg/L. Derhalve wordt voldaan aan de norm voor uitspoeling zoals opgenomen in het Besluit milieutoelatingseisen bestrijdingsmiddelen.

Meetgegevens

Er zijn geen gegevens beschikbaar omtrent het voorkomen in grondwater van esfenvaleraat.

Waterorganismen

Gedrag in water

De DT50-waarde (bij 25°C) voor hydrolyse bedraagt bij pH 4 en 5: 192 dagen en bij pH 9: 65 dagen. De DT50-waarde bij pH 7 kon niet worden berekend vanwege de variabele resultaten.

De DT50-waarde voor fotolyse in gedestilleerd water met natuurlijk zonlicht bij 25°C bedraagt 10 dagen, en in gesteriliseerd water met kunstmatig zonlicht 6 dagen.

In een water/sediment systeem (25°C) en in een systeem met natuurlijk water (10°C) werden DT50-waarden (systeem) van 54-80 dagen gevonden.

De volgende metabolieten werden aangetroffen:

mII (2-(4-chloorfenyl)-3-methylboterzuur): 44 – 48% in de waterfase en 2-12% in het sediment na 100 dagen;

mIII (3-fenoxybenzoëzuur): maximaal 13% in de waterfase na 30 dagen en maximaal 9% in het sediment na 30 dagen.

Toxiciteit voor waterorganismen

• algen: esfenvaleraat is zeer giftig voor algen: 96-uurs EbC50-waarde = 6,5 µg/L; 96-uurs NOEC = 1 µg/L.

• kreeftachtigen: esfenvaleraat is acuut zeer giftig voor kreeftachtigen: EC50-waarde =
0,9 µg/L (Daphnia, EU Monograph).

vissen: esfenvaleraat is acuut zeer giftig voor vissen: LC50-waarde = 0,1 µg/l.

Risicoschatting voor waterorganismen

Het risico voor waterorganismen van de verschillende toepassingen van esfenvaleraat wordt ingeschat met behulp van berekeningen van de concentraties in het oppervlaktewater (sloot van 25 cm diepte) die ontstaan door overwaaien van esfenvaleraat. Het overwaaipercentage is afhankelijk van de toepassing. In onderstaande tabel is voor esfenvaleraat per toepassingsgebied het overwaaipercentage en de berekende concentratie in het oppervlaktewater aangegeven. Voor de berekening van de belasting van het oppervlaktewater wordt vooralsnog uitgegaan van 90% emissiereductie, conform het Besluit milieutoelatingseisen bestrijdingsmiddelen. Tevens is in de tabel aangegeven of er en zo ja, in welke mate overschrijding plaatsvindt van de norm voor waterorganismen. Deze norm is 0,01 maal de laagste L(E)C50-waarde (kreeftachtigen en vissen) of 0,1 maal de laagste NOEC-waarde (algen, kreeftachtigen en vissen). De laagste waarde wordt als norm genomen. Omdat nog geen goed model beschikbaar is om de chronische concentratie in het water te kunnen inschatten wordt vooralsnog uitgegaan van de kortdurende toxiciteitsgegevens. Uit bovenstaande toxiciteitsgegevens blijkt dat de norm dient te worden gebaseerd op de LC50 voor vissen van 0,0001 mg/L. De norm voor esfenvaleraat is derhalve 0,001 µg/L.

Toepassing

Maximale dosering

(kg a.s./ha)

Frequen-tie

Emissie (%)*

Conc. opp. water (µg/L)**

Overschrijding norm

koolsoorten, prei, onder glas

0,005

5-10

0,01

0,0005

0,5

bloemisterijgewas-sen, o.g.

0,025

3

0,01

0,0018

1,8

sportvelden

0,0075

1

0,1

0,003

3

aardappelen, granen

0,005

7

0,2

0,0086

8,6

suikerbieten, voederbieten

0,0125

7

0,2

0,0183

18,3

koolsoorten,erwten, veldbonen, v.g.

0,005

5

0,2

0,0083

8,3

graszaad, gras-zoden, weiland

0,0075

5

0,2

0,012

12

prei, uien, v.g.

0,005

10

0,2

0,0111

11,1

bloembollen

0,01

10

0,2

0,0174

17,4

appels, peren

0,0113

3

1

0,0717

71,7

* Inclusief 90% emissiereductie

** Berekend met SLOOT.BOX.

Wanneer de concentraties in het oppervlaktewater vermeld in bovenstaande tabel in ogenschouw worden genomen blijkt dat alle toepassingen, met uitzondering van de toepassing op koolsoorten en prei onder glas, de norm van 0,001 µg/L overschrijden.

In het kader van de kanalisatie zijn restrictiezinnen opgesteld. Aangezien in de risicobeoordeling reeds wordt uitgegaan van 90% emissiereductie dienen deze restrictiezinnen slechts als opvulling van dit percentage. Met de opname van de restrictiezinnen veranderen de overschrijdingsfactoren zoals genoemd in de tabel dan ook niet.

Voor de normoverschrijdende toepassingen geldt dat als vereiste wordt gesteld:

• de uitvoering van (semi)-veldonderzoek m.b.t. de effecten van esfenvaleraat op aquatische ecosystemen voor de meest kritische toepassingen (hoogste dosering; maximale toepassingsfrequentie), met speciale aandacht voor de effecten op algen, kreeftachtigen en vissen.

Uit een beschikbare mesoscosm-studie is gebleken dat bij concentraties van esfenvaleraat £ 0,01 µg/L geen onaanvaardbare directe of indirecte effecten optreden op waterorganismen en organismen die afhankelijk zijn van waterecosystemen.

Wanneer de concentraties in het oppervlaktewater vermeld in genoemde tabel in ogenschouw worden genomen blijkt dat de toepassingen in de teelt van suikerbieten, voederbieten, graszaad, graszoden, weiland, prei en uien in de vollegrond, bloembollen, appels en peren, de norm van 0,01 µg/L (op grond van de mesosocosm-studie) overschrijden, en derhalve niet voldoen aan de norm voor waterorganismen, zoals opgenomen in het Bmb. De overige toepassingen voldoen wel aan deze norm.

Meetgegevens

Er zijn meetgegevens beschikbaar van esfenvaleraat. De stof is echter niet aangetoond. Opgemerkt dient te worden dat metingen in het waarschijnlijk belangrijke toepassingsgebied Gelderland (fruitteelt) ontbreken.

Bioaccumulatie

Esfenvaleraat is sterk accumulerend. De bioaccumulatiefactor voor vis is 2850 – 3650 (EU Monograph). Esfenvaleraat voldoet derhalve niet aan de eisen van het Bmb t.a.v. bioaccumulatie.

Conclusie m.b.t. milieu

Concluderend kan worden gesteld dat:

1. de werkzame stof esfenvaleraat voldoet aan de normen voor persistentie zoals opgenomen in het Besluit milieutoelatingseisen bestrijdingsmiddelen (Bmb).

2. de werkzame stof esfenvaleraat voldoet aan de normen voor uitspoeling naar het ondiepe grondwater zoals opgenomen in het Bmb voor alle onderhavige toepassingen.

3. van de toepassingen in de teelt van suikerbieten, voederbieten, graszaad, graszoden, weiland, prei en uien in de vollegrond, bloembollen, appels en peren op basis van de werkzame stof esfenvaleraat niet is aangetoond dat er geen onaanvaardbare directe of indirecte effecten zijn voor waterorganismen en organismen die afhankelijk zijn van waterecosystemen. Deze toepassingen voldoen derhalve niet aan de norm voor waterorganismen zoals opgenomen in het Bmb.

4. de werkzame stof esfenvaleraat niet voldoet aan de norm voor bioaccumulatie zoals opgenomen in het Bmb.

Besluitvorming C-87.3.20 (juli 1999)

Hoorprocedure

Op basis van de vorenstaande beoordeling had het College naar aanleiding van bespreking in C-76.3.3 (augustus 1998) het voornemen alle toepassingen van het onderhavige middel op basis van esfenvaleraat te beëindigen per 1 januari 2000 gelet op het feit dat:

• de toepassingen in de teelt van suikerbieten, voederbieten, graszaad, graszoden, weiland, prei en uien in de vollegrond, bloembollen, appels en peren op basis van de werkzame stof esfenvaleraat niet voldoen aan de norm voor waterorganismen zoals opgenomen in het Besluit milieutoelatingseisen bestrijdingsmiddelen (Bmb). In de overgelegde mesocosmstudie is niet aangetoond dat er voor de genoemde toepassingen geen onaanvaardbare directe of indirecte effecten zijn voor waterorganismen en organismen die afhankelijk zijn van waterecosytemen;

• de werkzame stof esfenvaleraat niet voldoet aan de norm voor bioaccumulatie zoals opgenomen in het Bmb.

Bij brief d.d. 3 september 1998 (98/3495) werd de toelatinghouder het voornemen kenbaar gemaakt om het onderhavige middel te beëindigen ondermeer gelet op een overschrijding van de norm voor waterorganismen. Hierbij was in het kader van de kanalisatie gebruikt gemaakt van de zgn "oude driftpercentages". Op basis van de toelatinghouder ontvangen reactie heeft het College uitgaande van de "oude driftpercentages" geconstateerd dat alle toepassingen van middelen op basis van esfenvaleraat nu voldoen aan de normen voor persistentie, uitspoeling, toxiciteit waterorganismen en bioaccumulatie zoals opgenomen in het Bmb.

Echter met ingang van 16 augustus 1998 zijn gewijzigde driftpercentages vastgesteld. De onderhavige beoordeling betreft toetsing aan deze "nieuwe driftpercentages".

In zijn vergadering van 7 juli 1999 heeft het College voor de Toelating van Bestrijdingsmiddelen de toelating van het middel op basis van esfenvaleraat opnieuw getoetst aan het Besluit milieutoelatingseisen bestrijdingsmiddelen in het kader van de reguliere planning.

De toelatinghouder heeft in reactie hierop een ‘scientific position paper’ en een onderbouwde brief verschaft.

Milieuhygiëne

Bioaccumulatie

Argumenten toelatinghouder: De bioconcentratiefactor (BCF) voor esfenvaleraat in vis, vastgesteld in laboratoriumstudies, is groter dan de "trigger" zoals opgenomen in de Uniforme beginselen (UB). Echter, er wordt geen risico verwacht vanwege de gelimiteerde persistentie van esfenvaleraat in oppervlaktewater als gevolg van adsorptie aan het sediment (DT50 < 24 uur) en vanwege het feit dat esfenvaleraat in vis snel gemetaboliseerd en vervolgens uitgescheiden wordt (DT50 ca. 1 week). De verwachting is derhalve dat de bioconcentratie van esfenvaleraat onder veldcondities niet significant is. Dit wordt onderbouwd met resultaten van een bioaccumulatiestudie die is uitgevoerd onder meer realistische blootstellingscondities in een semi-veld proefopzet in aanwezigheid van sediment.

De toelatinghouder geeft aan dat esfenvaleraat in 1997 door het EU ECCO expert team voor ecotoxicologie geëvalueerd is, waarbij is vastgesteld dat het risico voor bioaccumulatie acceptabel is.

Reactie CTB: Er zijn twee laboratoriumstudies beschikbaar waarin de BCF voor esfenvaleraat (Oshima and Mikami, 1991) en fenvaleraat (Ohkawa et al., 1980) is vastgesteld. Fenvaleraat bevat gelijke hoeveelheden aan esfenvaleraat en zijn diastereoisomeer. Er wordt aangenomen dat fenvaleraat dezelfde bioaccumulatie eigenschappen bezit als esfenvaleraat. In beide studies is de concentratie in het water gehandhaafd (flow-through of semi-statisch). Bij beide studies vond een snelle opname van de stof door de vis plaats.

De opname van esfenvaleraat bereikt een plateauwaarde na 7 dagen en bleef constant tot

28 dagen. De BCF gebaseerd op de werkzame stof esfenvaleraat bedroeg 3110-3650 L/kg. Esfenvaleraat bedroeg 40-75% van de totale radioactiviteit in de gehele vis. De afgeleide halfwaarde tijd voor depuratie bedraagt ongeveer 8 dagen.

Voor S-fenvaleraat werd tijdens de studie geen plateauwaarde bereikt. De BCF gebaseerd op de werkzame stof S-fenvaleraat bedroeg 1245-1494 L/kg. S-fenvaleraat bedroeg 80-89% van de radioactiviteit in de vis. De afgeleide halfwaarde tijd voor depuratie bedraagt ongeveer

5 dagen.

Daarnaast zijn er ecosysteemstudies (Ohkawa et al., 1980) beschikbaar, waarin de BCF van fenvaleraat voor vissen, slakken, kreeftachtigen en algen is bepaald. Bij deze studie is een gedroogde sandy loam bodem gedoseerd met fenvaleraat. Na een incubatieperiode van

7 dagen zijn vissen, Daphnia en slakken aan de systemen toegevoegd. S-fenvaleraat en metabolieten werden gedeeltelijk gedesorbeerd vanuit het sediment naar de waterfase en opgenomen door de organismen, zowel direct als via de voedselketen. De BCF’s voor vissen, slakken, Daphnia en algen bepaald op basis van de gemiddelde concentratie S-fenvaleraat in het water gedurende 30 dagen, bedragen respectievelijk 69-117, 386-491, 269-322 en

278 - 506 L/kg.

Uit de BCF waarden afgeleid onder laboratoriumomstandigheden kan geconcludeerd worden dat esfenvaleraat de norm voor bioaccumulatie zoals opgenomen in het Bmb overschrijdt. Er kan beargumenteerd worden dat deze BCF waarden overschattingen zijn, gezien het feit dat in de water/sediment studies esfenvaleraat snel verdwijnt uit de waterfase via binding aan sediment (DT50 dissipatie < 1 dag), en bij de laboratoriumstudies de concentratie in het water gelijk is gehouden. Uitgaande van de snelle dissipatie van esfenvaleraat uit de waterfase en de lage halfwaardetijd voor depuratie uit vis kan aangenomen worden dat de BCF waarden verkregen in de ecosysteemstudies van Ohkawa et al. (1980) de accumulatie in de praktijksituatie beter benaderen. Opgemerkt dient te worden dat bij deze ecosysteemstudies het sediment is gedoseerd in plaats van de waterfase, wat afwijkt van de praktijksituatie waarbij blootstelling van oppervlaktewater plaatsvindt via drift. Daarnaast dient opgemerkt te worden dat er een complex geheel aan adsorptie-, desorptie- en omzettingsprocessen plaatsvindt. Ook vindt mogelijk nalevering uit het sediment over een langere termijn plaats, het is niet duidelijk of in de studies een evenwichtsinstelling is bereikt.

Er zijn geen gegevens beschikbaar betreffende de ready biodegradability van esfenvaleraat. Fenvaleraat is niet readily biodegradable. Gezien de overeenkomstige molecuulstructuur van fenvaleraat en de DT50systeem 54-80 dagen voor esfenvaleraat afgeleid uit de water/sedimentstudie kan aangenomen worden dat esfenvaleraat niet readily biodegradable is. Met een BCF voor vis van 69-117 wordt hiermee niet voldaan aan de norm voor bioaccumulatie zoals opgenomen in het Bmb. Bovendien liggen de BCF-waarden voor andere organismen nog hoger.

Derhalve dient een adequate risico-evaluatie uitgevoerd te worden. Hiervoor wordt een schatting gemaakt van het risico voor vogels via het eten van vis. Met een tijdgewogen gemiddelde concentratie over 28 dagen (PEC28d) van 1,6 µg/L, een BCF van 117 L/kg en een NOEC voor vogels van 25 mg/kg voedsel, geldt dat de verhouding PEC28dxBCF/NOEC < 0,2. Derhalve wordt het risico voor vogels via doorvergiftiging gering geacht.

Omdat het blootstellingsscenario in de ecosysteemstudies niet de praktijksituatie nabootst wordt het risico voor vogels via doorvergiftiging tevens berekend met de maximale BCF bepaald onder laboratoriumcondities. Hieruit blijkt dat de verhouding PEC28dxBCF/NOEC = 0,23, de norm voor doorvergiftiging maar net overschrijdt. Gezien de geringe overschrijding berekend op basis van deze worst-case situatie wordt het risico voor bioaccumulatie en doorvergiftiging onder relevante praktijkomstandigheden acceptabel geacht. Hiermee wordt voldaan aan de norm voor bioaccumulatie zoals opgenomen in het Bmb.

Norm voor waterorganismen

Argumenten toelatinghouder:

Het CTB baseerde de risicobeoordeling op een NOEC waarde uit 3 mesocosmstudies en concludeerde dat voor sommige toepassingen geldt dat de initiële PEC groter is dan deze norm (de NOEC waarde). Volgens de toelatinghouder is het gebruik van NOEC waarden uit mesocosmstudies als norm niet conform de Uniforme Beginselen (UB). In de UB staat dat alle geregistreerde toepassingen geen onacceptabel risico op het milieu met zich mee mogen brengen. De NOEC waarde is een waarde waarbij geen effecten optreden. De toelatinghouder stelt voor een NOEAC van 0,2 µg/L te gebruiken, de concentratie uit de mesocosmstudies waarbij geen significante ecologische effecten op het aquatisch milieu optreden.

Reactie CTB:

Deze reactie is gebaseerd op een adviesrapport (opdrachtnr. 99/1210) van SC-DLO.

De door de toelatinghouder behandelde mesocosmstudies van Fairchild et al. (1992), Lozano et al. (1992) en Webber et al. (1992) zijn in een eerder stadium geëvalueerd en adequaat bevonden om de ecologische risico’s van esfenvaleraat in oppervlaktewater in te schatten. Op basis van deze studies is een norm vastgesteld voor de ecologisch acceptabele concentratie van esfenvaleraat van 0,01 µg/L in geval van herhaalde toepassingen.

Het verschil in de interpretatie van de mesocosmstudies door de toelatinghouder en SC-DLO is voornamelijk gebaseerd op de criteria waarmee een duidelijk effect wordt omschreven. Het SC-DLO hanteert criteria teneinde effecten in 5 klassen in te delen. De snelheid waarmee herstel van een populatie optreedt is daarbij een belangrijk criterium. Om pragmatische redenen wordt herstel binnen 8 weken na de laatste applicatie beschouwd als kortdurende effecten. Effecten die langer dan 8 weken duren worden beschouwd als chronische effecten.

In de position-paper van de toelatinghouder wordt herstel van populaties ook als een belangrijke factor gezien. Duidelijke criteria op basis waarvan een NOAEC vastgesteld zou moeten worden zijn in de position-paper niet gegeven. In het bijzonder ontbreekt een argumentatie over de tijdspanne waarbij effecten op populaties van crustaceae en insecten acceptabel worden bevonden. In alle geleverde mesocosmstudies waren niet alle populaties volledig hersteld aan het eind van de studie bij blootstellingsconcentraties > 0,25 µg/L. De studie van Webber et al. (1992) werd 20 weken na de laatste toepassing beëindigd, de studies van Fairchild et al. (1992) en Lozano et al. (1992) na respectievelijk 5 en 3,5 weken.

Uit de studies van Webber et al. (1992) en Lozano et al. (1992) blijkt dat bij blootstelling aan concentraties van esfenvaleraat van 0,01 µg/L er nauwelijks ecologische effecten te verwachten zijn. Voor de evaluatie van ecologische risico’s bij blootstellingsconcentraties hoger dan 0,01 µg/L is de studie van Lozano et al. (1992) cruciaal (blootstellingsconcentraties van 0,08 en 0,2 µg/L). In deze studie is esfenvaleraat 2 maal toegepast (interval 3,5 weken) door simulatie van drift. Gezien de toepassingen van het onderhavige middel betreft dit blootstellingsscenario geen extreme worst-case situatie, zeker niet wanneer de toepassingen in de teelt van appels/peren, bloembollen en suiker- en voederbieten in ogenschouw worden genomen. Aan het einde van de test waren niet alle populaties volledig hersteld, al kan beargumenteerd worden dat de bij de blootstellingsconcentraties van 0,08 en 0,20 µg/L tekenen van herstel optreden.

Gezien bovenstaande zou een volledig beschermende NOAEC gesteld moeten worden op 0,01 µg/L. Bij deze concentratie zullen, ook wanneer het middel meerdere malen wordt toegepast, zeer waarschijnlijk geen negatieve ecologische effecten optreden.

Op basis van de argumenten die de toelatinghouder levert in de position-paper zou een wat ruimere benadering leiden tot het accepteren van een piekconcentratie van 0,08 µg/L in het oppervlaktewater. Het is aangetoond dat esfenvaleraat snel verdwijnt in natuurlijk oppervlaktewater zodat het risico voor verspreiding via watertransport gering is. Daarnaast suggereert de studie van Lozano et al., dat populaties van gevoelige invertebraten alleen gedeeltelijk in dichtheid gereduceerd zijn bij een blootstelling van 0,08 µg/L, terwijl er tekenen van herstel optreden na 3,5 week na de laatste toepassing. Bij dit blootstellingsniveau traden geen effecten bij vissen op. Echter in de studie van Lozano et al. (1992) wordt esfenvaleraat maar 2 maal toegepast met een interval van 3,5 weken, terwijl volgens het meest recente GAP-overzicht van de PD (d.d. 1996), voor een aantal toepassingen de frequentie > 2 bedraagt. Derhalve wordt voor die toepassingen met een maximale frequentie van 2 de norm op 0,08 µg/L gesteld, en voor toepassingen met een maximale frequentie > 2 wordt de norm op 0,01 µg/L gesteld.

Risicoschatting voor waterorganismen

In C-76.3.3 is de risicobeoordeling per abuis gebaseerd op een verouderde GAP. Bij de onderstaande beoordeling van het risico is uitgegaan van het meest recente GAP-overzicht opgesteld door de PD d.d. 1996.

Oude driftpercentages

Het risico voor waterorganismen van de verschillende toepassingen van esfenvaleraat wordt ingeschat met behulp van berekeningen van de concentraties in het oppervlaktewater (sloot van 25 cm diepte) die ontstaan door overwaaien van esfenvaleraat. Het overwaaipercentage is afhankelijk van de toepassing. In onderstaande tabel is voor esfenvaleraat per toepassingsgebied het overwaaipercentage en de berekende concentratie in het oppervlaktewater aangegeven. Voor de berekening van de belasting van het oppervlaktewater wordt vooralsnog uitgegaan van 90% emissiereductie, conform het Bmb. Tevens is in de tabel aangegeven of er en zo ja, in welke mate overschrijding plaatsvindt van de norm voor waterorganismen. Zoals hierboven beargumenteerd wordt de norm voor esfenvaleraat gesteld op 0,01 µg/L voor toepassingen met een frequentie > 2. Voor toepassingen met een maximale frequentie van 2 geldt een norm van 0,08 µg/L.

Toepassing

Maximale dosering

(kg a.s./ha)

Max.

Freq.

Emissie

(%)*

Conc. opp. water

(µg/L)**

Overschrijding norm

Consumptieaardappelen/pootaardappelen/aardappelen

0,005

2

0,2

0,00399

0,05

Pootaardappelen (Yn-virus)

0,005

10

0,2

0,00399

0,4

Erwten/veldbonen

0,005

1

0,2

0,00399

0,05

Erwten/veldbonen (trips)

0,005

5

0,2

0,00399

0,4

Suikerbieten/voederbieten

0,0125

2

0,2

0,00998

0,12

Graszaadteelt/cultuugrasland/graszodenteelt/sportvelden

0,0075

1

0,2

0,00599

0,07

Granen

0,005

2

0,2

0,00399

0,05

Appels/peren

0,0113

2

1

0,0451

0,56

Prei/uien

0,005

5

0,2

0,00399

0,4

Diverse koolsoorten

0,005

3

0,2

0,00399

0,4

Bloembollen

0,01

3

0,2

0,00796

0,8

Bloemisterijgewassen/snijbloemen, perk- en potplanten o.g.

0,025

5

0,01

0,0001

0,01

* Inclusief 90% emissiereductie

** Berekend met SLOOT.BOX.

Wanneer de concentraties in het oppervlaktewater vermeld in bovenstaande tabel in ogenschouw worden genomen blijkt dat alle toepassingen voldoen aan de norm voor waterorganismen zoals opgenomen in het Bmb.

Nieuwe driftpercentages

In de bovenstaande risicobeoordeling is getoetst aan de oude driftpercentages met inachtneming van 90% emissiereductie, daar de oorspronkelijke risicobeoordeling waarop de toelatinghouder/toelatinghouder reactie op heeft geleverd ook gebaseerd was op deze driftpercentages. Officieel dienen de kanalisatiestoffen per 1 januari 2000 te voldoen het Bmb. Per 16 augustus zijn nieuwe driftpercentages, zoals opgenomen in bijlage VII van de Regeling uitvoering milieutoelatingseisen bestrijdingsmiddelen (Rumb), behorende bij het Bmb van kracht. Wettelijk gezien dienen voor de berekening van de belasting van het oppervlaktewater dienen de nieuwe driftpercentages gehanteerd te worden. In onderstaande tabel is voor esfenvaleraat per toepassingsgebied het overwaaipercentage en de berekende concentratie in het oppervlaktewater aangegeven. Tevens is in de tabel aangegeven of er en zo ja, in welke mate overschrijding plaatsvindt van de norm voor waterorganismen. Zoals hierboven beargumenteerd wordt de norm voor esfenvaleraat gesteld op 0,01 µg/L voor toepassingen met een frequentie > 2. Voor toepassingen met een maximale frequentie van 2 geldt een norm van 0,08 µg/L.

Toepassing

Maximale dosering

(kg a.s./ha)

Max.

Freq.

Emissie

(%)*

Conc. opp. water

(µg/L)**

Overschrijding norm

Consumptieaardappelen/pootaardappelen/aardappelen

0,005

2

1,0

0,0199

0,25

Pootaardappelen (Yn-virus)

0,005

10

1,0

0,0199

1,99

Erwten/veldbonen

0,005

1

1,0

0,0199

0,25

Erwten/veldbonen (trips)

0,005

5

1,0

0,0199

1,99

Suikerbieten/voederbieten

0,0125

2

1,0

0,0499

0,62

Graszaadteelt/cultuugrasland/graszodenteelt/sportvelden

0,0075

1

1,0

0,0299

0,37

Granen

0,005

2

1,0

0,0199

0,25

Appels/peren (voor 1 mei)

0,0113

2

17

0,767

9,59

Appels/peren (na 1 mei)

0,0113

2

7

0,316

3,95

Prei/uien

0,005

5

1,0

0,0199

1,99

Diverse koolsoorten

0,005

3

1,0

0,0199

1,99

Bloembollen

0,01

3

0,2

0,00796

0,79

Bloemisterijgewassen/snijbloemen perk- en potplanten o.g.

0,025

5

0,1

0,00996

0,99

* Berekend met SLOOT.BOX.

Wanneer de concentraties in het oppervlaktewater vermeld in bovenstaande tabel in ogenschouw worden genomen blijkt dat de toepassing in de teelt van pootaardappelen (tegen Yn-virus), erwten/veldbonen (tegen trips), appels en peren (zowel voor als na 1 mei), prei/uien en diverse koolsoorten, niet voldoen aan de norm voor waterorganismen zoals opgenomen in het Bmb. De overige toepassingen voldoen wel aan deze norm. Wanneer het met het oog op werkzaamheid, mogelijk is om de frequenties bij de toepassingen in pootaardappelen, erwten/veldbonen, prei/uien en diverse koolsoorten te verlagen naar een maximum van 2 voldoen deze toepassingen wel aan de norm (0,08 µg/L). Daarnaast kunnen driftreducerende maatregelen zoals opgenomen in de tabel van bijlage VII van de Rumb, betrokken worden in de beoordeling.

Referenties

Fairchild et al. (1992). Population, Community- and Ecosystem-Level Responses of Aquatic Mesocosms to Pulsed Doses of a Pyrethroid Insecticide. Environmental Toxicology and Chemistry., vol.11, Number 1, pp 115-130.

Lozano et al. (1992). Effects of Esfenvalerate on Aquatic Organisms in Littoral Enclosures. Environmental Toxicology and Chemistry, vol.11 number 1, pp 35-48.

Oshima and Mikami (1991). Accumulation and metabolism of C-esfenvalerate in Carp (Cyprinus carpio). Sumitomo Report Reference LLM-10-0031.

Ohkawa et al. (1980). Bioaccumulation and biodegradation of the (S)-acid isomer of fenvalerate (Sumicidin) in an Aquatic Ecosystem. Sumitomo Report Reference AM-00-0108.

Webber et al. (1992). Ecosystem-Level testing of a synthetic pyrethroid Insecticide in Aquatic Mesocosms, Environmental Toxicology and Chemistry, vol 11, number 1, pp 87-106.

Conclusie m.b.t. milieu:

Concluderend kan gesteld worden dat:

1. van alle onderhavige toepassingen is aangetoond dat er op basis van de oude driftpercentages geen onaanvaardbare directe of indirecte effecten zijn voor waterorganismen en organismen die afhankelijk zijn van waterecosystemen. Deze toepassingen voldoen derhalve aan de norm voor waterorganismen zoals opgenomen in het Bmb.

2. door middel van een adequate risicobeoordeling is aangetoond dat er in geval van bioaccumulatie geen onaanvaardbare directe of indirecte effecten zijn voor waterorganismen en organismen die afhankelijk zijn van waterecosystemen. Hiermee wordt voldaan aan de norm voor bioaccumulatie zoals opgenomen in het Bmb.

Daarnaast kan gesteld worden dat:

3. op grond van de nieuwe driftpercentages de toepassing in de teelt van pootaardappelen (tegen Yn-virus), erwten/veldbonen (tegen trips), appels en peren (zowel voor als na 1 mei), prei/uien en diverse koolsoorten, niet voldoen aan de norm voor waterorganismen zoals opgenomen in het Bmb. De overige toepassingen voldoen wel aan deze norm. Wanneer het met het oog op werkzaamheid, mogelijk is om de frequenties bij de toepassingen in pootaardappelen, erwten/veldbonen, prei/uien en diverse koolsoorten te verlagen naar een maximum van 2 voldoen deze toepassingen wel aan de norm (0,08 µg/L). Daarnaast kunnen driftreducerende maatregelen zoals opgenomen in de tabel van bijlage VII van de Rumb, betrokken worden in de beoordeling.

Besluitvorming C-97.3.9 (mei 2000)

Beoordeling van de reactie op het voornemen

Naar aanleiding van C-87.3.20 (juli 1999) besloot het College:
In het kader van de kanalisatie op basis van de oude driftpercentages

Uitgaande van de ‘oude driftpercentages’ besluit het College dat alle toepassingen van middelen op basis van esfenvaleraat voldoen aan de normen voor persistentie, uitspoeling, toxiciteit voor waterorganismen en bioaccumulatie zoals opgenomen in het Bmb.

In het kader van de reguliere planning op basis van de nieuwe driftpercentages

Uitgaande van de ‘nieuwe driftpercentages’ heeft het College het voornemen de toepassing in de teelt van pootaardappelen (tegen Yn-virus), erwten/veldbonen (tegen trips), appels en peren (zowel voor als na 1 mei), prei/uien en diverse koolsoorten te beëindigen met ingang van 1 juli 2000 gelet op het feit dat niet voldaan wordt aan de norm voor waterorganismen zoals opgenomen in het Bmb.

Dit voornemen is de toelatinghouder in een brief d.d. 15 juli 1999 bekend gemaakt.

In een reactie op het voornemen tot beëindiging heeft toelatinghouder Sumito Chemical Agro bij brief d.d. 2 november 1999 een reactie gestuurd. De reactie betreft:

een nieuw statement m.b.t. de NOEC waarde en commentaar op de beoordeling van het College;

beschouwing van de risicobeoordeling voor aquatische organismen in EU-kader, welke gebaseerd is op dezelfde gegevens als geleverd voor de Nederlandse beoordeling.

Hiernavolgend wordt de reactie van de toelatinghouder beoordeeld.

Milieutoxicologie

Nederlande risico-evaluatie voor aquatische organismen: normering

De toelatinghouder heeft een document geleverd waarin beargumenteerd wordt dat een No obeserved Adverse Effect Concentration (NOAEC) 0,2 µg/L bedraagt. Deze NOAEC betreft de concentratie, afgeleid uit mesocosmstudies (Webber, 1992; Lozano et al. 1992; Fairchild et al. 1992), waarbij geen significante ecologische effecten op het aquatische milieu optreden.

De bovenbeschreven mesocosmstudies zijn reeds eerder beoordeeld door ALTERRA en behandeld in C-87.3.20 (juli 1999). In C-87.3.20 is het volgende gesteld:

Een volledig beschermende NOAEC moet op 0,01 µg/L worden vastgesteld. Bij deze concentratie zullen, ook wanneer het middel meerdere malen wordt toegepast, zeer waarschijnlijk geen negatieve ecologische effecten optreden.

Op basis van de argumenten die de toelatinghouder levert in het position-paper zou een wat ruimere benadering leiden tot het accepteren van een piekconcentratie van 0,08 µg/L in het oppervlaktewater. Het is aangetoond dat esfenvaleraat snel verdwijnt in natuurlijk oppervlaktewater zodat het risico voor verspreiding via watertransport gering is. Daarnaast suggereert de studie van Lozano et al. (1992), dat populaties van gevoelige invertebraten alleen gedeeltelijk in dichtheid gereduceerd zijn bij een blootstelling van 0,08 µg/L, terwijl er tekenen van herstel optreden na 3,5 week na de laatste toepassing. Bij dit blootstellingsniveau traden geen effecten bij vissen op. Echter in de studie van Lozano et al. (1992) wordt esfenvaleraat maar 2 maal toegepast met een interval van 3,5 weken, terwijl volgens GAP-overzicht van de PD (d.d. 1996), voor een aantal toepassingen de frequentie > 2 bedraagt. Derhalve is in C-87.3.20 voor die toepassingen met een maximale frequentie van 2 de norm op 0,08 µg/L gesteld, en voor toepassingen met een maximale frequentie > 2 is de norm op

0,01 µg/L gesteld.

Het nieuw geleverde statement van de aanvrager is beoordeeld door ALTERRA (voorheen

SC-DLO; opdracht 99/4751). Hieruit kan het volgende worden geconcludeerd. Op basis van de door de toelatinghouder geleverde informatie en data van een literatuurreview m.b.t. de effecten van synthetische pyrethroïden in micro/mesosoms kan een conservatieve NOECecosysteem (geen of lichte effecten) gesteld worden op 0,01 µg/L. Een concentratie van

0,08 µg/L lijkt een redelijke EAC (Ecological Acceptable Concentration) voor niet-geïsoleerde oppervlaktewatersystemen zoals de Nederlandse sloten. Op basis hiervan wordt de normering zoals gesteld in C-87.3.20 gehandhaafd.

EU risico-evaluatie voor aquatische organismen: normering, advies SCP

Esfenvaleraat is één van de werkzame stoffen die behandeld wordt in de eerste fase van het in artikel 8, lid 2, van Richtlijn 91/414/EEG bedoelde werkprogramma (opgenomen in bijlage 1 van verordening 3600/92).

Door de lidstaten worden van deze stoffen evaluaties en beoordelingen ("monographs") opgesteld. Vervolgens vindt over deze stoffen "Europese" besluitvorming plaats: ECCO-meetings, Working Group Evaluation, Working Group Legislation en SCPH.

Voor esfenvaleraat is de monograph opgesteld door Portugal. Dezelfde gegevens die gehanteerd zijn voor de Nederlandse beoordeling m.b.t. aquatische organismen zijn in EU-kader gehanteerd. De monograph is reeds besproken in ECCO-meetings en Working Group Evaluation. De problemen die hierbij geïdentificeerd zijn betroffen voor milieu het risico voor aquatische organismen, het risico voor bijen en overige niet-doelwit arthropoden. Tijdens de laatste bespreking in de Working Group Evaluation is geen consensus bereikt m.b.t. de NOEC voor waterorganismen. Daarnaast is gesteld dat drift reducerende maatregelen vastgesteld dienen te worden op Member State Level. Vragen m.b.t. de gesignaleerde problemen zijn voorgelegd aan het Scientific Committee on Plants (SCP). Afhankelijk van het advies van het SCP zal een concept-besluit en review rapport opgesteld worden voor de Working Group Legislation.

Het advies van het SCP is inmiddels beschikbaar (SCP/ESFEN/002-FINAL, d.d.

6 april 2000). De opinie van het SCP m.b.t. de mesocosmstudies is dat de aanvrager de resultaten van de mesocosmstudies inadequaat interpreteert en niet alle relevante effecten in beschouwing neemt. Samenvattend wordt gesteld dat uit de mesocosmstudies geconcludeerd kan worden dat de toepassing van NOEC-waarden in de range van

0,2-0,25 µg/L zeer waarschijnlijk de effecten op aquatische species onderschat. Het SCP is het oneens met de interpretatie van de aanvrager van de mesocosmstudie op twee punten:

1) de aanvrager concludeert dat de effecten op aquatische organismen veroorzaakt door erg hoge, herhaalde input van esfenvaleraat over het algemeen minimaal is, en

2) de aanvrager concludeert dat de aquatische ecosystemen bewijzen opmerkelijk veerkrachtig te zijn met het oog op herhaalde hoge belasting met esfenvaleraat.

Echter in feite zijn in de mesocosmstudies effecten gerapporteerd op verschillende groepen invertebraten en alleen een aantal taxa toonde duidelijke tekenen van herstel.

Nederlandse risico-evaluatie voor aquatische organismen: toetsing

Bij de onderstaande beoordeling van het risico is uitgegaan van het meest recente GAP-overzicht opgesteld door de PD (geleverd augustus 1999).

Voor de berekening van de belasting van het oppervlaktewater wordt uitgegaan van de laatste driftpercentage cijfers, die zijn gebaseerd op het Lozingenbesluit Open teelt en Veehouderij en de bijbehorende maatregelpakketten. Wettelijk gezien dienen voor de berekening van de belasting van het oppervlaktewater de nieuwe driftpercentages gehanteerd te worden die van kracht zijn gegaan per 1 maart 2000.

In tabel M.1 is voor esfenvaleraat per toepassingsgebied het overwaaipercentage en de berekende concentraties in het oppervlaktewater aangegeven. De concentraties in oppervlaktewater zijn berekend m.b.v. het model TOXSWA. Aangezien er nog geen standaardmethode is om de afzonderlijke afbraaksnelheden in water en sediment uit de water/sediment studie te bepalen, wordt voorlopig de DT50 systeem in de waterfase ingevuld. Deze methode komt overeen met de methode zoals gebruikt in SLOOT.BOX, er is als zodanig geen aanpassing van het toetsingskader.

Tabel M.1: Overzicht concentraties esfenvaleraat in oppervlaktewater (voorjaars scenario)*

Toepassing

max. dosering a.s. [kg/ha]

max. freq.

Emissie

[%]

PIEC [µg/L]

PEC 21 d [µg/L]

PEC 28 d [µg/L]

1) appels/peren (april) (v.g.)

0,01

1

17

0,79

0,23

0,18

2) appels (mei-aug) (v.g.)

0,0113

2

7

0,49

0,21

0,17

3) peren (mei-aug) (v.g.)

0,009

2

7

0,33

0,16

0,13

4) uien (v.g.)

0,005

4

1

0,041

0,023

0,02

5a) koolsoorten (v.g.)

0,005

2

1

0,031

0,013

0,011

5b) koolsoorten (o.g.)

0,005

2

0,1

0,003

0,001

0,001

6) erwten/veldbonen/stamslabonen (v.g.)

0,005

2

1

0,031

0,013

0,011

7) prei (v.g.)

0,005

3

1

0,034

0,017

0,014

8) aardappel/pootaardappel (v.g.)

0,005

2

1

0,031

0,013

0,011

9) pootaardappel (Yn-virus) (v.g.)

0,005

12

1

0,037

0,036

0,036

10) granen (v.g.)

0,005

1

1

0,023

0,006

0,005

11) suikerbieten/voederbieten (v.g.)

0,0125

3

1

0,085

0,043

0,035

12) graszaad-, graszoden-, weiland, sportvelden (v.g.)

0,0075

1

1

0,034

0,01

0,008

13a) bloembollen: gladiool (v.g.)

0,01

10

1

0,073

0,045

0,045

13b) bloembollen: gladiool (o.g.)

0,01

10

0,1

0,0073

0,0045

0,0045

14a) bloembollen: hyacint, iris, tulp (v.g.)

0,01

7

1

0,073

0,044

0,044

14b) bloembollen: hyacint, iris, tulp (o.g.)

0,01

7

0,1

0,0073

0,004

0,004

15a) bloembollen: lelie (v.g.)

0,01

20

1

0,074

0,046

0,046

15b) bloembollen: lelie (o.g.)

0,01

20

0,1

0,0074

0,005

0,005

16) bloemisterijgewassen o.g.

0,025

3

0,1

0,017

0,009

0,007

*Berekend volgens TOXSWA op basis van maximale dosering en maximale frequentie.

De norm is vastgesteld op basis van bovenbeschreven mesocosmstudies. Voor de toepassingen met een maximale frequentie van 2 bedraagt de norm 0,08 µg/L. Voor de toepassingen met een maximale frequentie > 2, bedraagt de norm 0,01 µg/L. Deze waarden zijn afgeleid op basis van de nominale initiële concentraties van de mesocosmstudies. Derhalve dient te worden getoetst aan de Predicted Initial Environmental Concentration (PIEC).

In tabel M.2 is aangegeven of er en zo ja, in welke mate overschrijding plaatsvindt van de normen voor waterorganismen.

Tabel M.2: Normoverschrijdingsfactoren

Toepassing

freq.

Norm

(µg/L)

PIEC (µg/L)

norm

overschrijding

1) appels/peren (april) (v.g.)

1

0,08

0,79

9,9

2) appels (mei-aug) (v.g.)

2

0,08

0,49

6,2

3) peren (mei-aug) (v.g.)

2

0,08

0,33

4,1

4) uien (v.g.)

4

0,01

0,041

4,1

5a) koolsoorten (v.g.)

2

0,08

0,031

0,39

5b) koolsoorten (o.g.)

2

0,08

0,003

0,04

6) erwten/veldbonen/stamslabonen (v.g.)

2

0,08

0,031

0,39

7) prei (v.g.)

3

0,01

0,034

3,4

8) aardappel/pootaardappel (v.g.)

2

0,08

0,031

0,039

9) pootaardappel (Yn-virus) (v.g.)

12

0,01

0,037

3,7

10) granen (v.g.)

1

0,08

0,023

0,029

11) suikerbieten/voederbieten (v.g.)

3

0,01

0,085

8,5

12) graszaad-, graszoden-, weiland, sportvelden (v.g.)

1

0,08

0,034

0,43

13a) bloembollen: gladiool (v.g.)

10

0,01

0,073

7,3

13b) bloembollen: gladiool (o.g.)

10

0,01

0,0073

0,73

14a) bloembollen: hyacint, iris, tulp (v.g.)

7

0,01

0,073

7,3

14b) bloembollen: hyacint, iris, tulp (o.g.)

7

0,01

0,0073

0,73

15a) bloembollen: lelie (v.g.)

20

0,01

0,074

7,4

15b) bloembollen: lelie (o.g.)

20

0,01

0,0074

0,74

16) bloemisterijgewassen (o.g.)

3

0,01

0,017

1,7

Wanneer de concentraties in het oppervlaktewater vermeld in bovenstaande tabel in ogenschouw worden genomen blijkt dat de toepassing in de teelt van appels en peren, uien, prei, pootaardappelen (tegen Yn-virus), suiker- en voederbieten, bloembollen (v.g.) en bloemisterijgewassen (o.g.) niet voldoen aan de norm voor waterorganismen zoals opgenomen in het Bmb. Voor deze toepassingen is op basis van semi-veldonderzoek niet aangetoond dat onder praktijkomstandigheden geen onaanvaardbare effecten optreden.

De overige toepassingen voldoen wel aan de norm.

In C-87.3.20 is vastgesteld dat de toepassing in de teelt van pootaardappelen (tegen Yn-virus), erwten/veldbonen (tegen trips), appels en peren (zowel voor als na 1 mei), prei/uien en diverse koolsoorten de norm voor waterorganismen overschrijden. De verschillen tussen de toetsing in
C-87.3.20 en de huidige toetsing worden veroorzaakt door het gebruik van TOXWA i.p.v. SLOOTBOX, het gebruik van de meest recent GAP en het hanteren van de driftpercentages zoals vermeld in het Lozingenbesluit. Hieronder wordt voor de overschrijdende toepassingen een overzicht weergegeven.

Tabel M.3 verschillen in toetsing

toepassing

overschrijding C-87.3.20

overschrijding bij huidige toetsing

verschil veroorzaakt door

erwten/veldbonen (trips)

ja

nee

GAP

suikerbieten/voederbieten

nee

ja

GAP + TOXSWA

koolsoorten

ja

nee

GAP (norm 0,01->0,08)

bloembollen (v.g)

nee

ja

drift% 0,2 -> 1.0

bloemisterijgewassen

nee

ja

TOXSWA

pootaardappelen (Yn -virus)

ja

ja

--

appels en peren

ja

ja

--

prei en uien

ja

ja

--

Referenties

Alterra. Advies esfenvaleraat (opdrachtnr. 99/4751).

Fairchild et al. (1992). Population, Community- and Ecosystem-Level Responses of Aquatic Mesocosms to Pulsed Doses of a Pyrethroid Insecticide. Environmental Toxicology and Chemistry., vol.11, Number 1, pp 115-130.

Lozano et al. (1992). Effects of Esfenvalerate on Aquatic Organisms in Littoral Enclosures. Environmental Toxicology and Chemistry, vol.11 number 1, pp 35-48.

Scientific Committee on Plants (2000). Opninion of the Scientific Committee on Plants regarding the inclusion of esfenvalerate in Annex I of Council Directive 91/414/EEC concerning the placing of plant protection products on the market. SCP/ESFEN/002-FINAL, d.d. 6 april 2000.

Webber et al. (1992). Ecosystem-Level testing of a synthetic pyrethroid Insecticide in Aquatic Mesocosms, Environmental Toxicology and Chemistry, vol 11, number 1, pp 87-106.

Conclusie

Concluderend kan gesteld worden dat:

• op grond van de nieuwe driftpercentages de toepassing in de teelt van appels en peren, uien, prei, pootaardappelen (Yn-virus), suiker- en voederbieten, bloembollen (v.g.) en bloemisterijgewassen (o.g.) niet voldoen aan de norm voor waterorganismen zoals opgenomen in het Bmb. De overige toepassingen voldoen wel aan de norm.

Onderbouwing reactie op de te houden hoor- en wederhoorprocedure

a. voor de toepassing in de teelt van suikerbieten/voederbieten, bloembollen (v.g) en bloemisterijgewassen (o.g.) is een brief met het voornemen tot beëindiging van de onderhavige toepassingen gezonden aan de toelatinghouder. Tevens besloot het College om de toelatinghouder in de gelegenheid te stellen om haar zienswijze omtrent dit voornemen aan het Collge bekend te maken, (zogenaamde hoorprocedure).

afwerken C-besluiten:

2 maanden

reactietermijn toelatinghouders

2 maanden

beoordeling reactie in kader van hoorprocedure

5 maanden

definitieve besluitvorming

3 maanden



totaal

12 maanden

Beëindiging toepassingen

b. de toepassingen in de teelt van pootaardappelen (tegen Yn-virus), appels en peren (zowel voor als na 1 mei), prei en uien worden met ingang van 1 januari 2001 beëindigd. Dit gelet op het feit dat de toelatinghouder de reactie op de voorgenomen beëindiging reeds
2 november 1999 heeft overgelegd. Het College heeft de beoordeling hiervan pas in mei 2000 afgerond.

Besluit:

In het wettelijk gebruiksvoorschrift en in de gebruiksaanwijzing van het onderhavige middel wordt de toepassingen in de teelt van appels, peren, pootaardappelen (Yn-virus), uien en prei in het onderhavige bestrijdingsmiddel met ingang van 1 januari 2001 beëindigd.

Wageningen, 23 juni 2000

HET COLLEGE VOOR DE TOELATING VAN BESTRIJDINGSMIDDELEN,



(voorzitter)