MINISTERIE VAN LANDBOUW, NATUURBEHEER EN VISSERIJ

Toelatingsnummer 10211 N

DE STAATSSECRETARIS VAN LANDBOUW, NATUURBEHEER EN VISSERIJ,
in overeenstemming met
DE MINISTER VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT,
DE MINISTER VAN VOLKSHUISVESTING, RUIMTELIJKE ORDENING EN MILIEUBEHEER en
DE STAATSSECRETARIS VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID,

gelet op artikel 5 van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 (Stb. 228),

BESLUIT:

Enig artikel

Het besluit tot toelating van het middel SUMICIDIN SUPER onder nr. 10211 N d.d.
15 februari 1989, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 12 mei 1997 wordt op gronden als in bijlage II dezes vermeld, met ingang van 1 augustus 1999 gewijzigd als volgt:

In het gestelde onder § IV.2.e. wordt in plaats van "W.7." gelezen: "W.8."

De bijlage I (laatstelijk gewijzigd d.d. 12 mei 1997) van bovengenoemd besluit wordt met ingang van 1 augustus 1999 vervangen door bijlage I dezes.

Een belanghebbende kan tegen dit besluit een met redenen omkleed bezwaarschrift indienen bij de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij. Als een bezwaarschrift wordt ingediend, moet dit binnen 6 weken na dagtekening van dit besluit worden verzonden naar: Het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, t.a.v. het Bureau bezwaarschriften en geschillen, Postbus 20401, 2500 EK 's-Gravenhage.

Wageningen, 20 november 1998

DE STAATSSECRETARIS VAN LANDBOUW,
NATUURBEHEER EN VISSERIJ,
voor deze:
HET COLLEGE VOOR DE TOELATING VAN BESTRIJDINGSMIDDELEN,


(voorzitter)

Aan:

SUMITOMO CHEMICAL AGRO EUROPE S.A.
2, RUE CLAUDE CHAPPE,
F-69370 SAINT DIDIER AU MONT D'OR
FRANCE

MINISTERIE VAN LANDBOUW, NATUURBEHEER EN VISSERIJ

BIJLAGE I bij het toelatingsbesluit van het middel SUMICIDIN SUPER,

toelatingsnummer 10211 N

A.

WETTELIJK GEBRUIKSVOORSCHRIFT

Toegestaan is uitsluitend het gebruik als insectenbestrijdingsmiddel in de teelt van:

a. appels en peren;

b. aardappelen, granen, suiker- en voederbieten, erwten, stamslabonen, veldbonen, spruitkool, sluitkool, bloemkool, chinese kool, broccoli, koolrabi, uien en prei;

c. graszaad en graszoden alsmede in weiland en sportvelden met dien verstande dat:
1. in de grasteelt binnen 2 weken na behandeling geen gras mag worden gemaaid ten behoeve van voederdoeleinden;
2. weiland niet binnen 2 weken na behandeling mag worden beweid;
3. sportvelden niet binnen 5 dagen na behandeling mogen worden betreden;

d. bloembollen;

e. bloemisterijgewassen onder glas.

In de buitenste bomenrij van boomgaarden is toepassing van het middel langs watergangen uitsluitend toegestaan indien voldaan wordt aan tenminste één van de volgende voorwaarden:

- indien tussen de watergang en de boomgaard een aaneengesloten windscherm is geplaatst en het windscherm niet wordt bespoten;

- indien het middel wordt verspoten met een tunnelspuit;

- indien het middel wordt verspoten met een dwarsstroomspuit die van een reflectiescherm is voorzien.

De toepassing door middel van een vliegtuig is verboden.

Veiligheidstermijnen:

De termijn tussen de laatste toepassing en de oogst mag niet korter zijn dan:

2 weken voor appels en peren;

7 dagen voor aardappelen;

7 dagen voor spruitkool, sluitkool, bloemkool, chinese kool, broccoli, koolrabi, uien en prei;

2 weken voor granen;

1 week voor erwten en veldbonen;

10 dagen voor stamslabonen.

B.

GEBRUIKSAANWIJZING

ATTENTIE

Het middel is giftig voor vissen en andere waterorganismen, derhalve het middel zodanig toepassen dat het niet in het oppervlaktewater terecht kan komen.

TOEPASSINGEN

Appels en peren

Voor de bloei, ter bestrijding van rupsen van de wintervlinder, vruchtbladroller, heggebladroller, voorjaarsuil, spinselmot en wants; nevenwerking tegen bladluis (appelgrasluis en rose appelluis).

Zodra de bladluizen een sterke krulling van het blad veroorzaken is menging met een bladluisbestrijdingsmiddel noodzakelijk.

Kort na de bloei, ter bestrijding van dan nog voorkomende rupsen, alsmede wants, perebladvlo en bladluis (zie voor luis opmerking bij voor de bloei bespuiting). Met deze bespuiting wordt ook de 1e generatie van de bladmineerder bestreden.

Half juni, ter bestrijding van perebladvlo, rupsen van de 1e generatie vruchtbladroller, fruitmot, bladmineerders, appelglasvlinder en appelvouwmijnmot en bladluis (groene appeltakluis).

In juli en augustus, ter bestrijding van de perebladvlo, rupsen van de 2e generatie van de vruchtbladroller, bladmineerders, appelglasvlinder en appelvouwmijnmot en bladluis (groene appeltakluis).

Omdat het middel niet in het blad doordringt moet het worden toegepast voordat de eerste eieren van de bladmineerder uitkomen.

Dosering: 0,03% (30 ml per 100 liter water).

Aardappelen, ter bestrijding van de larven van de Coloradokever.

Het beste tijdstip voor een bestrijding is wanneer jonge larven op het gewas worden aangetroffen.

Dosering: 0,2 liter per ha.

Aardappelen, ter bestrijding van bladluizen ter voorkoming van zuigschade.

Een behandeling uitvoeren wanneer gemiddeld meer dan 50 bladluizen per samengesteld blad voorkomen.

Dosering: 0,2 liter per ha.

Pootaardappelen, ter voorkoming van overdracht door bladluizen van het bladrolvirus.

Toepassen zodra 90% van de planten is opgekomen.

De behandeling 14 dagen later herhalen.

Dosering: 0,2 liter per ha.

Pootaardappelen, ter voorkoming van overdracht door bladluizen van het Ynvirus.

Wekelijks toepassen vanaf de opkomst van het gewas tot één week voor de rooidatum.

Dosering:

0,2 liter per ha in combinatie met minerale olie.
Voor de dosering van de minerale olie raadplege men publicaties van o.a. de D.L.V.

Het middel dus uitsluitend toepassen in combinatie met minerale olie.

Granen, ter bestrijding van bladluizen.

Een bespuiting uitvoeren als tenminste 70% van de halmen met bladluizen is bezet.

Een gecombineerde bestrijding van bladluizen en afrijpingsziekten is verantwoord wanneer bij begin tenminste 30% van de halmen met bladluizen is bezet.

Dosering: 200 ml per ha.

Suiker- en voederbieten, ter bestrijding van rupsen van de aardappelstengelboorder.

In gebieden waar aantasting is te verwachten vanaf half mei een behandeling uitvoeren en deze maximaal 2x herhalen met een interval van 7 dagen.

Dosering: 0,5 liter per ha.

Suiker en voederbieten, ter bestrijding van trips.

Een behandeling uitvoeren zodra op de jonge plantjes trips wordt waargenomen.

Dosering: 0,2 liter per ha

Erwten en veldbonen, ter bestrijding van de bladrandkever.

Zodra vreterij van de bladrandkever aan de blaadjes van de jonge planten wordt waargenomen een behandeling uitvoeren.

Dosering: 0,2 liter per ha.

Erwten, ter bestrijding van trips.

Een behandeling uitvoeren zodra op de jonge planten aantasting wordt waargenomen.

Dosering: 0,2 liter per ha.

Stamslabonen, ter bestrijding van trips.

Een behandeling uitvoeren zodra op de jonge planten aantasting wordt waargenomen.

Dosering: 0,2 liter per ha.

Spruit-, sluit-, bloem-, chinese kool, broccoli en koolrabi, ter bestrijding van koolrupsen, koolmot en bladrollers; nevenwerking tegen bladluis en bij spruitkool ook tegen late koolvlieg.

Ter bestrijding van de koolgalmug het middel toepassen zodra de eerste eitjes zijn afgezet. De bespuiting zonodig herhalen.

Dosering: 0,2 liter per ha.

Uien en prei, ter bestrijding van trips.

Zodra een aantasting wordt waargenomen een behandeling uitvoeren; de behandeling met een interval van plm. 5 dagen enkele malen herhalen.

Dosering: 0,2 liter per ha.

Graszaadteelt, graszodenteelt, weiland en sportvelden, ter bestrijding van de larven van de rouwvlieg.

Bij voorkeur spuiten met veel water; regen kort na de toepassing heeft een gunstige effect op de bestrijding. De bestrijding dient in de herfst te worden uitgevoerd. Om de kans op contact van het middel met de larven te vergroten verdient het aanbeveling weiland eerst te slepen en geen drijfmest kort voor de bespuiting toe te dienen.

Dosering: 0,3 liter per ha.

Tulp, hyacint, iris en gladiool, ter beperking van verspreiding van nonpersistente virussen.

Het middel vanaf de eerste week van mei wekelijks toepassen.

Bij tulpen de bespuitingen voortzetten tot de tweede/derde week van juni, bij hyacinten en irissen tot tien dagen voor het rooien en bij gladiolen tot een week voor de bloei. Bij gladiolen uitsluitend toepassen op virusvrije partijen.

Dosering: 0,4 liter per ha.

Lelies, ter beperking van verspreiding van non-persistente virussen.

Het middel vanaf de eerste week van mei toepassen; in mei, juni en juli wekelijks toepassen; in augustus/september om de 10 dagen.

Dosering: 0,4 liter per ha.

Gecombineerd toepassen met minerale olie kan het effect verbeteren.

Voor de dosering van minerale olie raadplege men de voorlichting.

Bloemisterijgewassen onder glas, ter bestrijding van rupsen, bladrollers, witte vlieg, mineervlieg, trips en bladluizen.

Een behandeling uitvoeren zodra aantasting optreedt. De behandeling zonodig enige malen herhalen met een interval van 7 dagen.

Volwassen mineervliegen en Floridamotten bestrijden d.m.v. een ruimtebehandeling.

Dosering:

0,05 % (50 ml per 100 liter water).

Bij gebruik van straalmotorspuit 100 ml per 1000 m².

Wageningen, 20 november 1998

DE STAATSSECRETARIS VAN LANDBOUW,
NATUURBEHEER EN VISSERIJ,
voor deze:
HET COLLEGE VOOR DE TOELATING VAN BESTRIJDINGSMIDDELEN,


(voorzitter)

MINISTERIE VAN LANDBOUW, NATUURBEHEER EN VISSERIJ

BIJLAGE II

behorende bij het wijzigingsbesluit van datum dezes van de toelating van het middel SUMICIDIN SUPER, toelatingsnummer 10211N.

Op grond van artikel 5, vijfde lid, van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962, kan een toelating worden gewijzigd als bij de beoordeling omtrent de verdere toelaatbaarheid blijkt, dat de in het Besluit wijziging toelatingsvoorschriften bestrijdingsmiddelen genoemde omstandigheden zich voordoen.

Bij schrijven 98/4659 van 22 oktober 1998 werd de toelatinghouder medegedeeld, dat het College voor de Toelating van Bestrijdingsmiddelen de toepassing als gewasbehandeling in de teelt van boerenkool met ingang van 1 augustus 1999 in de onderhavige toelating zal beëindigen.

De reden is dat onlangs de EG-richtlijn 98/82/EG is vastgesteld, houdende wijziging van de bijlagen van de richtlijnen 86/362/EEG, 86/363/EEG en 90/642/EEG van de Raad, tot vaststelling van maximumgehalten aan residuen van bestrijdingsmiddelen in en op respectievelijk granen, levensmiddelen van dierlijke oorsprong en bepaalde producten van plantaardige oorsprong, met inbegrip van groenten en fruit.

In genoemde richtlijn is onder meer vastgelegd dat met ingang van 31 oktober 1998 voor esfenvaleraat op boerenkool een maximumgehalte geldt van 0,05* mg/kg (= ondergrens), aangezien voor de betreffende toepassing geen of onvoldoende residugegevens voorhanden zijn. Met ingang van 31 oktober 1998 zal de Regeling residuen van bestrijdingsmiddelen zijn aangepast conform de in EU-verband vastgestelde tolerantie met een implementatie termijn tot 1 augustus 1999. Dit betekent dat er na 1 augustus 1999 geen producten in omloop mogen zijn die hogere residuen bevatten dan de maximale residu limieten, zoals in de EG-richtlijn 98/82/EG opgenomen.

Dit heeft tot gevolg dat de in Nederland toegelaten toepassing van het onderhavige middel op bovengenoemde gewas zal moeten eindigen met ingang van 1 augustus 1999.

Het College zal dientengevolge het toelatingsbesluit aanpassen met ingangsdatum
1 augustus 1999. Als ingangsdatum voor de aanpassing van de etiketten geldt eveneens
1 augustus 1999.

Besluit:

In het wettelijk gebruiksvoorschrift en in de gebruiksaanwijzing wordt de toepassing als gewasbehandeling in de teelt van boerenkool in het onderhavige bestrijdingsmiddel met ingang van 1 augustus 1999 beëindigd.

Wageningen, 20 november 1998

DE STAATSSECRETARIS VAN LANDBOUW,
NATUURBEHEER EN VISSERIJ,
voor deze:
HET COLLEGE VOOR DE TOELATING VAN BESTRIJDINGSMIDDELEN,


(voorzitter)