MINISTERIE VAN LANDBOUW, NATUURBEHEER EN VISSERIJ

Toelatingsnummer 10211 N

DE MINISTER VAN LANDBOUW, NATUURBEHEER EN VISSERIJ,
in overeenstemming met
DE STAATSSECRETARIS VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT,
DE MINISTER VAN VOLKSHUISVESTING, RUIMTELIJKE ORDENING EN MILIEUBEHEER en
DE STAATSSECRETARIS VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID,

gelet op artikel 5 van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 (Stb. 228),

RECTIFICATIE:

Artikel I

Dit besluit treedt in de plaats van het besluit tot wijziging van de toelating van het middel SUMICIDIN SUPER onder nr. 10211 N d.d. 18 oktober 1996, onder intrekking van laatstgenoemd besluit.

Artikel II

Het besluit tot toelating van het middel SUMICIDIN SUPER onder nr. 10211 N d.d. 15 februari 1989, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 24 november 1995 wordt op gronden als in bijlage II dezes vermeld, met ingang van 1 januari 1997 gewijzigd als volgt:

In het gestelde onder § IV.2.e. wordt in plaats “W.6.” gelezen: “W.7.”

De bijlage I (laatstelijk gewijzigd d.d. 24 november 1995) van bovengenoemd besluit wordt met ingang van 1 januari 1997 vervangen door bijlage I dezes.

Artikel III
Dit besluit werkt terug tot en met 18 oktober 1996.

Wageningen, 12 mei 1997

DE MINISTER VAN LANDBOUW,
NATUURBEHEER EN VISSERIJ,
voor deze:
HET COLLEGE VOOR DE TOELATING VAN BESTRIJDINGSMIDDELEN,


(voorzitter)

Aan:

SUMITOMO EUROPE B.V.
WEENA-ZUID 108
3012 NC ROTTERDAM

RECTIFICATIE:

MINISTERIE VAN LANDBOUW, NATUURBEHEER EN VISSERIJ

BIJLAGE I bij het toelatingsbesluit van het middel SUMICIDIN SUPER,

toelatingsnummer 10211 N

A.

WETTELIJK GEBRUIKSVOORSCHRIFT

Toegestaan is uitsluitend het gebruik als insectenbestrijdingsmiddel in de teelt van:

a. appels en peren;

b. aardappelen, granen, suiker- en voederbieten, erwten, stamslabonen, veldbonen, spruitkool, sluitkool, bloemkool, chinese kool, boerenkool, broccoli, koolrabi, uien en prei;

c. graszaad en graszoden alsmede in weiland en sportvelden met dien verstande dat:
1. in de grasteelt binnen 2 weken na behandeling geen gras mag worden gemaaid ten behoeve van voederdoeleinden;
2. weiland niet binnen 2 weken na behandeling mag worden beweid;
3. sportvelden niet binnen 5 dagen na behandeling mogen worden betreden;

d. bloembollen;

e. bloemisterijgewassen onder glas.

In de buitenste bomenrij van boomgaarden is toepassing van het middel langs watergangen uitsluitend toegestaan indien voldaan wordt aan tenminste één van de volgende voorwaarden:

- indien tussen de watergang en de boomgaard een aaneengesloten windscherm is geplaatst en het windscherm niet wordt bespoten;

- indien het middel wordt verspoten met een tunnelspuit;

- indien het middel wordt verspoten met een dwarsstroomspuit die van een reflectiescherm is voorzien.

De toepassing door middel van een vliegtuig is verboden.

Veiligheidstermijnen:

De termijn tussen de laatste toepassing en de oogst mag niet korter zijn dan:

2 weken voor appels en peren;

7 dagen voor aardappelen;

7 dagen voor spruitkool, sluitkool, bloemkool, chinese kool, boerenkool, broccoli, koolrabi, uien en prei;

2 weken voor granen;

1 week voor erwten en veldbonen;

10 dagen voor stamslabonen.

B.

GEBRUIKSAANWIJZING

Attentie

Het middel is giftig voor vissen en andere waterorganismen, derhalve het middel zodanig toepassen dat het niet in het oppervlaktewater terecht kan komen.

Toepassingen

Appels en peren

Voor de bloei, ter bestrijding van rupsen van de wintervlinder, vruchtbladroller, heggebladroller, voorjaarsuil, spinselmot en wants; nevenwerking tegen bladluis (appelgrasluis en rose appelluis).

Zodra de bladluizen een sterke krulling van het blad veroorzaken is menging met een bladluisbestrijdingsmiddel noodzakelijk.

Kort na de bloei, ter bestrijding van dan nog voorkomende rupsen, alsmede wants, perebladvlo en bladluis (zie voor luis opmerking bij voor de bloei bespuiting). Met deze bespuiting wordt ook de 1e generatie van de bladmineerder bestreden.

Half juni, ter bestrijding van perebladvlo, rupsen van de 1e generatie vruchtbladroller, fruitmot, bladmineerders, appelglasvlinder en appelvouwmijnmot en bladluis (groene appeltakluis).

In juli en augustus, ter bestrijding van de perebladvlo, rupsen van de 2e generatie van de vruchtbladroller, bladmineerders, appelglasvlinder en appelvouwmijnmot en bladluis (groene appeltakluis).

Omdat het middel niet in het blad doordringt moet het worden toegepast voordat de eerste eieren van de bladmineerder uitkomen.

Dosering: 0,03% (30 ml per 100 liter water).

Aardappelen, ter bestrijding van de larven van de Coloradokever.

Het beste tijdstip voor een bestrijding is wanneer jonge larven op het gewas worden aangetroffen.

Dosering: 0,2 liter per ha.

Aardappelen, ter bestrijding van bladluizen ter voorkoming van zuigschade.

Een behandeling uitvoeren wanneer gemiddeld meer dan 50 bladluizen per samengesteld blad voorkomen.

Dosering: 0,2 liter per ha.

Pootaardappelen, ter voorkoming van overdracht door bladluizen van het bladrolvirus.

Toepassen zodra 90% van de planten is opgekomen.

De behandeling 14 dagen later herhalen.

Dosering: 0,2 liter per ha.

Pootaardappelen, ter voorkoming van overdracht door bladluizen van het Ynvirus.

Wekelijks toepassen vanaf de opkomst van het gewas tot één week voor de rooidatum.

Dosering:

0,2 liter per ha in combinatie met minerale olie.
Voor de dosering van de minerale olie raadplege men publicaties van o.a. de D.L.V.

Het middel dus uitsluitend toepassen in combinatie met minerale olie.

Granen, ter bestrijding van bladluizen.

Een bespuiting uitvoeren als tenminste 70% van de halmen met bladluizen is bezet.

Een gecombineerde bestrijding van bladluizen en afrijpingsziekten is verantwoord wanneer bij begin tenminste 30% van de halmen met bladluizen is bezet.

Dosering: 200 ml per ha.

Suiker- en voederbieten, ter bestrijding van rupsen van de aardappelstengelboorder.

In gebieden waar aantasting is te verwachten vanaf half mei een behandeling uitvoeren en deze maximaal 2x herhalen met een interval van 7 dagen.

Dosering: 0,5 liter per ha.

Suiker en voederbieten, ter bestrijding van trips.

Een behandeling uitvoeren zodra op de jonge plantjes trips wordt waargenomen.

Dosering: 0,2 liter per ha

Erwten en veldbonen, ter bestrijding van de bladrandkever.

Zodra vreterij van de bladrandkever aan de blaadjes van de jonge planten wordt waargenomen een behandeling uitvoeren.

Dosering: 0,2 liter per ha.

Erwten, ter bestrijding van trips.

Een behandeling uitvoeren zodra op de jonge planten aantasting wordt waargenomen.

Dosering: 0,2 liter per ha.

Stamslabonen, ter bestrijding van trips.

Een behandeling uitvoeren zodra op de jonge planten aantasting wordt waargenomen.

Dosering: 0,2 liter per ha.

Spruit-, sluit-, bloem-, chinese- en boerenkool, broccoli en koolrabi, ter bestrijding van koolrupsen, koolmot en bladrollers; nevenwerking tegen bladluis en bij spruitkool ook tegen late koolvlieg.

Ter bestrijding van de koolgalmug het middel toepassen zodra de eerste eitjes zijn afgezet. De bespuiting zonodig herhalen.

Dosering: 0,2 liter per ha.

Uien en prei, ter bestrijding van trips.

Zodra een aantasting wordt waargenomen een behandeling uitvoeren; de behandeling met een interval van plm. 5 dagen enkele malen herhalen.

Dosering: 0,2 liter per ha.

Graszaadteelt, graszodenteelt, weiland en sportvelden, ter bestrijding van de larven van de rouwvlieg.

Bij voorkeur spuiten met veel water; regen kort na de toepassing heeft een gunstige effect op de bestrijding. De bestrijding dient in de herfst te worden uitgevoerd. Om de kans op contact van het middel met de larven te vergroten verdient het aanbeveling weiland eerst te slepen en geen drijfmest kort voor de bespuiting toe te dienen.

Dosering: 0,3 liter per ha.

Tulp, hyacint, iris en gladiool, ter beperking van verspreiding van nonpersistente virussen.

Het middel vanaf de eerste week van mei wekelijks toepassen.

Bij tulpen de bespuitingen voortzetten tot de tweede/derde week van juni, bij hyacinten en irissen tot tien dagen voor het rooien en bij gladiolen tot een week voor de bloei. Bij gladiolen uitsluitend toepassen op virusvrije partijen.

Dosering: 0,4 liter per ha.

Lelies, ter beperking van verspreiding van non-persistente virussen.

Het middel vanaf de eerste week van mei toepassen; in mei, juni en juli wekelijks toepassen; in augustus/september om de 10 dagen.

Dosering: 0,4 liter per ha.

Gecombineerd toepassen met minerale olie kan het effect verbeteren.

Voor de dosering van minerale olie raadplege men de voorlichting.

Bloemisterijgewassen onder glas, ter bestrijding van rupsen, bladrollers, witte vlieg, mineervlieg, trips en bladluizen.

Een behandeling uitvoeren zodra aantasting optreedt. De behandeling zonodig enige malen herhalen met een interval van 7 dagen.

Volwassen mineervliegen en Floridamotten bestrijden d.m.v. een ruimtebehandeling.

Dosering:

0,05 % (50 ml per 100 liter water).

Bij gebruik van straalmotorspuit 100 ml per 1000 m².

Wageningen, 12 mei 1997

DE MINISTER VAN LANDBOUW,
NATUURBEHEER EN VISSERIJ,
voor deze:
HET COLLEGE VOOR DE TOELATING VAN BESTRIJDINGSMIDDELEN,


(voorzitter)

RECTIFICATIE:

MINISTERIE VAN LANDBOUW, NATUURBEHEER EN VISSERIJ

BIJLAGE II

behorende bij het wijzigingsbesluit van datum dezes van de toelating van het SUMICIDIN SUPER, toelatingsnummer 10211 N.

SUMICIDIN SUPER is een insektenbestrijdingsmiddel in de teelt van land- en tuinbouwgewassen.

Op grond van artikel 8, tweede en derde lid, van het Besluit milieutoelatingseisen bestrijdingsmiddelen (verder: het Besluit) kan een toelating, die niet voldoet aan de bij of krachtens de artikelen 5 tot en met 7 gestelde regels, op verzoek van de toelatinghouder en voor de doeleinden waarvoor het middel mag worden gebruikt, tot uiterlijk 1 januari 2000 worden verlengd. Wel zal de werkzame stof in het betreffende middel dienen voor te komen op de lijst, opgenomen in de bijlage behorende bij dit besluit en zal de toelating voor het betrokken doeleinde moeten voldoen aan de voorlopige normen en criteria die zijn overeengekomen op grond van de Bestuursovereenkomst MJP-G (Kamerstukken II 1992-93, 21677 nr. 17) en zal het verzoek daartoe uiterlijk 31 december 1995 moeten zijn ingediend.

Door de toelatinghouder is, d.d. 27 december 1995, een verzoek als voornoemd bij het College voor de Toelating van Bestrijdingsmiddelen (CTB) ingediend.

Het verzoek betreft de opname van de volgende restricties in het wettelijk gebruiksvoorschrift:

- de toepassing door middel van een vliegtuig is verboden.

- in de buitenste bomenrij van boomgaarden is toepassing van het middel langs watergangen uitsluitend toegestaan indien voldaan wordt aan tenminste één van de volgende voorwaarden:

1) indien tussen de watergang en de boomgaard een aaneengesloten windscherm is geplaatst en het windscherm niet wordt bespoten;

2) indien het middel wordt verspoten met een tunnelspuit of met een dwarsstroomspuit die van een reflectiescherm is voorzien.

Beoordeling van het verzoek door het College

Het onderhavige verzoek is mede gebaseerd op de aanname dat bij gebruik van het bestrijdingsmiddel de emissie naar het oppervlaktewater door drift met 90% verminderd is ten opzichte van de percentages zoals deze in het kader van de besluitvorming inzake de toelating van bestrijdingsmiddelen worden gehanteerd en zijn vastgelegd in het zogenoemde Uniform Beoordelingsysteem Stoffen (UBS, Ministerie van VROM, no. 11144/150). De reductiepercentages bewerkstelligd door in de verzoeken voorgestelde restricties worden berekend bovenop de 90% reductie.

Het College stelt vast dat bij hantering van deze aanname de toelating van het onderhavige bestrijdingsmiddel zoals deze in het verzoek wordt voorgesteld voldoet aan de voorlopige normen en criteria zoals overeengekomen op grond van de Bestuursovereenkomst Uitvoering Meerjarenplan Gewasbescherming (verder: Bestuursovereenkomst).

Het gebruik van het bestrijdingsmiddel overeenkomstig het ingediende verzoek leidt ten op zichte van het huidige toegelaten gebruik niet tot andere risico’s voor de volksgezondheid respectievelijk voor de toepasser. Door beperking van het gebruik overeenkomstig de in het verzoek voorgestelde restricties wordt, indien voornoemde aanname wordt gehanteerd, voldaan aan de voorlopige normen en criteria zoals overeengekomen in het kader van de Bestuursovereenkomst, betreffende toxiciteit waterorganismen, persistentie in de bodem en uitspoeling naar het grondwater.

Besluit

Gelet op het door de toelatinghouder ingediende verzoek besluit het College voor het onderhavige middel, op grond van het vorenstaande de volgende restricties in het wettelijk gebruiksvoorschrift op te nemen:

1) de toepassing door middel van een vliegtuig is verboden.

2) in de buitenste bomenrij van boomgaarden is toepassing van het middel langs watergangen uitsluitend toegestaan indien voldaan wordt aan tenminste één van de volgende voorwaarden:

- indien tussen de watergang en de boomgaard een aaneengesloten windscherm is geplaatst en het windscherm niet wordt bespoten;

- indien het middel wordt verspoten met een tunnelspuit;

- indien het middel wordt verspoten met een dwarsstroomspuit die van een reflectiescherm is voorzien.

Daar de overgangsregeling ex art. 8, tweede lid, van het Besluit tot uiterlijk 1 januari 2000 van kracht is en gezien het doel van het Besluit en de daarin opgenomen regeling, namelijk verscherping van de milieutoelatingseisen voor bestrijdingsmiddelen door de aangescherpte normen in het Besluit en vooruitlopend hierop de voorlopige, t.o.v. de normen van het Besluit minder stringente normen van de Bestuursovereenkomst, wordt als ingangsdatum van de wijziging 1 januari 1997 vastgesteld.

Wageningen, 12 mei 1997

DE MINISTER VAN LANDBOUW,
NATUURBEHEER EN VISSERIJ,
voor deze:
HET COLLEGE VOOR DE TOELATING VAN BESTRIJDINGSMIDDELEN,


(voorzitter)