Toelatingsnummer 11407 N

     

 

Opus Team  

 

11407 N

 

 

 

 

 

 

 

Het College voor de Toelating

van Bestrijdingsmiddelen,

 

 

 

 

overwegende, dat het besluit tot toelating van het middel

 

Opus Team

 

nr. 11407 N d.d 7 april 1994 dient te worden gewijzigd en het in verband daarmee wenselijk is dit besluit in te trekken en daarom in de plaats, gelet op de artikelen 3, 3a, 4 en 5 van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 (Stb. 288), het volgende besluit vast te stellen,

 

 

§ I        Toelating

  1. Het bestrijdingsmiddel Opus Team wordt toegelaten in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Bestrij­dings­middelen­wet 1962, onder nummer en datum dezes.   
  2. Het middel wordt toegelaten tot het tijdstip waarop de lidstaten maatregelen genomen hebben om de nationale toelating in overeenstemming te brengen met het besluit over de werkzame stof van de Europese Commissie.

 

 

§ II  Samenstelling, vorm en afwerking

Onverminderd hetgeen omtrent de samenstelling, vorm en afwerking bij de Regeling samenstelling bestrij­dingsmiddelen is bepaald, moeten:

  1. de samenstelling, vorm en fysische toestand van het middel alsmede de chemische en fysische eigenschappen daarvan overeenkomen met de bij de aanvraag tot toelating verstrekte gegevens, alsmede met het bij de aanvraag tot toelating verstrekte monster.

 

§ III  Gebruik

Het bestrijdingsmiddel mag slechts worden gebruikt met inachtneming van hetgeen in

bijlage I dezes, onder A. is voorgeschreven.

 

 


 

§ IV Verpakking en etikettering

 

  1. De aanduidingen, welke ingevolge artikel 36 van de Wet milieugevaarlijke stoffen en artikelen 14, 15a, 15b, 15c en 15e van de Nadere regels verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen en preparaten (voor gewasbeschermingsmiddelen, voor biociden 15e is 15d) op de verpakking moeten worden vermeld, worden hierbij vastgesteld als volgt:

 

Overeenkomstig artikel 15c, lid 1, onder b van de Nadere regels verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen en preparaten:

 

-          aard van het preparaat: vloeistof

 

Overeenkomstig artikel 15d, lid 1 (biociden) en artikel 15e, onder b (gewasbeschermingsmiddelen) van de Nadere regels verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen en preparaten:

 

-    Werkzame stof:

-    Gehalte:

 

 

fenpropimorf

250 g/l

 

 

epoxiconazool

84 g/l

 

Overeenkomstig artikel 14, lid 1 tot en met lid 3 van de Nadere regels verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen en preparaten:

 

-          andere zeer giftige, giftige, bijtende of schadelijke stof(fen):  

-

 

 

  1. Behalve de onder 1. bedoelde en de overige bij de Wet Milieugevaarlijke Stoffen en de Nadere regels verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen en preparaten voorge­schreven aanduidingen en vermeldingen moeten op de verpakking voorkomen:

 

a.      hetgeen in bijlage I onder A. is vermeld.

 

b.      de in bijlage I dezes onder B. opgenomen tekst, met dien verstande, dat niet alle daarin aangegeven toepassingen behoeven te worden vermeld en de inhoud dier tekst slechts mag worden aangevuld met technische aanwijzingen voor een goede bestrijding, mits deze niet met die tekst in strijd zijn.

 

c.      overeenkomstig artikel 14, lid 4 tot en met lid 13 van de Nadere regels verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen en preparaten, letterlijk en zonder enige aanvulling, tenzij bij de veiligheidsaanbeveling cursief is aangegeven dat een keuze moet worden gemaakt; dan dient de optie die van toepassing is op het etiket te worden vermeld:

 

-    Gevaarsymbool:

-    Aanduiding:

 

 

Xn

Schadelijk

 

 

N

Milieugevaarlijk

 


 

-          Waarschuwingszinnen:

Irriterend voor de huid.

Carcinogene effecten zijn niet uitgesloten.

Vergiftig voor in het water levende organismen; kan in het aquatisch milieu op lange termijn schadelijke effecten veroorzaken.

Mogelijk gevaar voor verminderde vruchtbaarheid.

Mogelijk gevaar voor beschadiging van het ongeboren kind.

 

-          Veiligheidsaanbevelingen:

Niet roken tijdens gebruik.

Draag geschikte handschoenen en beschermende kleding.

In geval van inslikken onmiddellijk een arts raadplegen en verpakking of etiket tonen.

Voorkom lozing in het milieu. Vraag om speciale instructies / veiligheidsgegevenskaart.

 

d.      overeenkomstig artikel 14, lid 13 en lid 14 van de Nadere regels verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen en preparaten, letterlijk en zonder enige aanvulling:

 

-          Specifieke vermeldingen:

 

Volg de gebruiksaanwijzing om gevaar voor mens en milieu te voorkomen.

 

e.      bij het toelatingsnummer een cirkel met daarin de aanduiding W.2.

 

f.    n.v.t. 

 

g.   n.v.t. 

 

h.   n.v.t. 

 

Degene wiens belang rechtstreeks bij dit besluit is betrokken kan gelet op artikel 8 van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 en artikel 7:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, binnen zes weken na de dag waarop dit besluit bekend is gemaakt een bezwaarschrift indienen bij het bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen. Een dergelijk bezwaarschrift dient te worden geadresseerd aan: Het College voor de Toelating van Bestrijdingsmiddelen, Postbus 217, 6700 AE WAGENINGEN.

 

Wageningen, 29 juli 2005

 

HET COLLEGE VOOR DE TOELATING VAN BESTRIJDINGSMIDDELEN,




(voorzitter)

 

 

Aan:

BASF Nederland B.V.

Groningensingel 1
6835 EA  ARNHEM



HET COLLEGE VOOR DE TOELATING VAN BESTRIJDINGSMIDDELEN

 

BIJLAGE I bij het wijzigingsbesluit van de toelating van het middel Opus Team,

toelatingsnummer  11407 N

 

 

A.

Wettelijk gebruiksvoorschrift

 

Toegestaan is uitsluitend het gebruik als schimmelbestrijdingsmiddel, toegepast door middel van een gewasbehandeling:

a. in de teelt van wintertarwe en zomertarwe;

b. in de teelt van wintergerst en zomergerst;

c. in de teelt van winterrogge;

d. in de teelt van suikerbieten en rode bieten.

 

Veiligheidstermijnen

De termijn tussen de laatste toepassing en de oogst mag niet korter zijn dan:

6 weken voor wintertarwe, zomertarwe, wintergerst, zomergerst, winterrogge, suikerbieten en rode bieten.

 

 

Het loof van suikerbieten en rode bieten mag niet worden vervoederd.

 

 

B.

Gebruiksaanwijzing

 

Toepassingen

 

Winter- en zomertarwe, ter bestrijding van bladziekten (zogenaamde afrijpingsziekten) veroorzaakt door bruine roest (Puccinia recondita f.sp. tritici), meeldauw (Erysiphe graminis f. sp. tritici) en bladvlekkenziekte (Septoria-soorten).

Een éénmalige behandeling uitvoeren in de periode vanaf het verschijnen van het vlagblad tot aan begin bloei.

Een gelijktijdig voorkomende aantasting door gele roest wordt eveneens bestreden.

Dosering: 1,5 liter per hectare.

 

Wintergerst en zomergerst, ter bestrijding van gele roest (Puccinia striiformis f.sp. hordei) en dwergroest (Puccinia hordei).

Wanneer tussen uitstoeling  en het in de aar komen van het gewas gele roest en/of dwergroest wordt waargenomen een behandeling uitvoeren. Indien nodig de behandeling herhalen.

Dosering: 1,5 liter per hectare.

 

Wintergerst en zomergerst, ter bestrijding van bladvlekkenziekte (Rhynchosporium secalis) en netvlekkenziekte (Pyrenophora teres).

Zodra in het voorjaar aantasting door blad- en/of netvlekkenziekte wordt waargenomen een behandeling uitvoeren. Indien nodig de behandeling herhalen.

Dosering: 1,5 liter per hectare.


 

Winterrogge, ter bestrijding van bruine roest (Puccinia recondita f.sp. recondita) en bladvlekkenziekte  (Rhynchosporium secalis).

Zodra in het voorjaar aantasting door bruine roest en/of bladvlekkenziekte wordt waargenomen een behandeling uitvoeren. Indien nodig de behandeling herhalen.

Dosering: 1,5 liter per hectare.

 

Suikerbieten en rode bieten, ter bestrijding van aantasting door bladvlekkenziekten veroorzaakt door Cercospora beticola en Ramularia beticola, meeldauw (Erysiphe betae) en roest (Uromyces betae).

Een behandeling uitvoeren zodra aantasting wordt waargenomen. Indien nodig de behandeling herhalen.

Dosering: 1 liter per hectare.

 

 

Wageningen, 29 juli 2005

 

 

HET COLLEGE VOOR DE TOELATING VAN BESTRIJDINGSMIDDELEN,





(voorzitter)

 



HET COLLEGE VOOR DE TOELATING VAN BESTRIJDINGSMIDDELEN

 

BIJLAGE II bij het wijzigingsbesluit van de toelating van het middel Opus Team,

toelatingsnummer 11407 N

 

 

Het betreft een aanvraag tot uitbreiding van de toelating van het middel Opus Team, 20000472 UG, een middel op basis van de werkzame stoffen epoxiconazool en fenpropimorf. Het middel wordt aangevraagd als schimmelbestrijdingsmiddel in de teelt van:

a)                  suikerbieten en rode bieten.

 

Het middel is al toegelaten als schimmelbestrijdingsmiddel in de teelt van:

a)                  wintertarwe en zomertarwe

b)                  wintergerst en zomergerst

c)                  winterrogge

 

Epoxiconazool is een oude stof, die voor de Europese beoordeling op lijst 3a staat. Duitsland is RMS. Er is nog geen concept-monografie beschikbaar.

 

Fenpropimorf is een oude stof, die voor de Europese beoordeling op lijst 3a staat. Duitsland is RMS. Er is nog geen concept-monografie beschikbaar.

 

Epoxiconazool en fenpropimorf zijn beide aangewezen stoffen en hebben beide geen vastgestelde einddatum.

 

Voor het aspect milieu is de aanvraag op verzoek van de aanvrager beoordeeld volgens de procedure voor vereenvoudigde uitbreiding.

 

 

Eerdere besluitvorming door het College

 

In C-144.3.11 (april 2004) is de aanvraag voor het laatst behandeld. De volgende aanvullende vragen werden gesteld:

Fysisch chemische eigenschappen:

·                     Een twee jaar houdbaarheidsstudie in de originele verpakking volgens vraag P02.07.3a van het aanvraagformulier

Toxicologie:

·         een semi-chronische orale studie in de rat te leveren met een combinatie van epoxiconazool en fenpropimorf in de verhouding zoals worden gebruikt in het middel Opus Team

Milieu:

·       een adequate risico-evaluatie waarmee aangetoond wordt dat zich geen onaanvaardbare directe of indirecte effecten voordoen van Opus Team voor waterorganismen en organismen die afhankelijk zijn van waterecosystemen na toepassing van het middel volgens de voorgestelde gebruiksaanwijzing.

·       Een adequate risico-evaluatie met betrekking tot de chronische toxiciteit van Opus Team voor zoogdieren.

·       Een adequate risico-evaluatie met betrekking tot de chronische toxiciteit van Opus Team voor regenwormen.

 

Op 28 mei 2004 en op 2 en 10 december 2004 zijn aanvullende gegevens geleverd. Hiermee zijn deze vragen beantwoord.


 

Stand van zaken met betrekking tot de aanvraag

 

De aanvraag is op 13 juli 2000 ontvangen; op 6 maart 2000 zijn de verschuldigde aanvraagkosten ontvangen. De aanvraag is op 10 april 2002 en 21 november 2002 niet in behandeling genomen vanwege het ontbreken van gegevens voor de aspecten werkzaamheid, toxicologie, residuen en fysische en chemische eigenschappen.
Op 31 juli 2002, 15 augustus 2002, 3 februari 2003, 10 maart 2003, 16 juni 2003 en
23 februari 2004 zijn ontbrekende gegevens ontvangen. De aanvraag is op
20 augustus 2003 in behandeling genomen.
Op 29 augustus 2003 werden de verschuldigde beoordelingskosten ontvangen.

Op 14 oktober 2003 is door de firma aangegeven dat voor de huidige aanvraag geen gebruik gemaakt zal worden van de mogelijkheid van de vereenvoudigde uitbreidingstoelating.

Op 25 mei 2004 is aan de aanvrager meegedeeld dat er aanvullende vragen voor de aspecten fysische en chemische eigenschappen, humane toxicologie en milieu worden gesteld. Op 28 mei 2004 zijn aanvullende gegevens ontvangen en verzoekt de aanvrager de aanvraag uit te breiden met voederbiet en rode biet. Op 29 november 2004 zijn de aanvullende vragen niet in behandeling genomen vanwege het ontbreken van gegevens voor de aspecten fysische en chemische eigenschappen en milieu.
Op 2 en 10 december zijn ontbrekende aanvullende gegevens ontvangen.
Op 3 maart 2005 zijn de aanvullende gegevens in behandeling genomen. De 48-weken termijn eindigt op 19 april 2006.

Op 14 juni 2005 trekt de aanvrager de claim voor voederbieten in.

 

In de onderstaande beoordelingen voor de aspecten fysische en chemische eigenschappen, werkzaamheid, humane toxicologie, residuen en milieutoxicologie is de toepassing in voerderbieten wel meegenomen.

 

Toepassingsoverzicht

 

In Tabel 1 is een overzicht gegeven van de aangevraagde toepassingen voor het middel Opus Team.

 

Tabel 1 Toepassingsoverzicht

Toepassing

Stof

Dosering w.s. [kg/ha]

Freq.

Interval [dag]

Tijdstip toepassing

Suikerbieten en rode bieten

epoxiconazool

fenpropimorf

0,084

0,25

2

21

voorjaar

 

 

 

Profiel fysische en chemische eigenschappen

 

Werkzame stof epoxiconazool

 

Voor de fysisch-chemische eigenschappen wordt gebruik gemaakt van gegevens geleverd door de aanvrager. Er is nog geen concept-monografie beschikbaar.


 

Identity (Annex IIA, point 1)

Chemical name (IUPAC)

(2RS,3SR)-1-[3-(2-chlorophenyl)-2,3-epoxy-2-(4-fluorophenyl)propyl]-1H-1,2,4-triazole

Chemical name (CA)

rel-1-[[(2R,3S)-3-(2-chlorophenyl)-2-(4-fluorophenyl)oxiranyl]methyl]-1H-1,2,4-triazole

CIPAC No

609

CAS No

135319-73-2 (formerly 106325-08-0)

EEC No (EINECS or ELINCS)

406-850-2

FAO Specification (including year of                                publication)

none

Minimum purity of the active substance as manufactured (g/kg)

900

Molecular formula

C17H13ClFN3O

Molecular mass

329.8 g/mol

Structural formula

 

 

 

 

 

Physical-chemical properties (Annex IIA, point 2)

Melting point (state purity)

136.2 – 137.0 °C (99.9%)

Boiling point (state purity)

Decomposition at 310°C

Appearance (state purity)

Colourless odourless solid (99.9% and 97.1%)

Relative density (state purity)

1.384 g/cm3 (99.1%)

Surface tension

0.5% 68.7 mN/m

2.0% 68.2 mN/m

Vapour pressure (in Pa, state temperature)

<1 x 10-5 Pa (61.3°C)

Henry’s law constant (in Pa·m3·mol -1)

< 5 x 10-4

Solubility in water (in g/l or mg/l, state temperature)

Distilled water  (no buffer) : 7.05 mg/l  (20°C)

pH 3 : 8.42 mg/l  (20°C)

Solubility in organic solvents (in g/l or mg/l, state temperature)

All in g/L solvent at 20°C

Acetone                      144

Methanol                     28

2-propanol                  12

ethyl acetate               98

acetonitrile                  70

dichloromethane        291

toluene                        44

n-heptane                   0.46

1-octanol                    11

Partition co-efficient (log Pow) (state pH and temperature)

3.58 (25°C, pH 6.1)

Hydrolytic stability (DT50) (state pH and temperature)

Stable at pH 5 – 9 for at least 30 days

Dissociation constant

No dissociation at 20°C

UV/VIS absorption (max.) (if absorption >290 nm state wavelength)

204 nm : ε = 3.2 x 104 (l.mol-1.cm-1)

263 nm : ε = 3.9 x 102 (l.mol-1.cm-1)

No absorption > 290 nm

Photostability (DT50) (aqueous, sunlight,  state pH)

Not required

Quantum yield of direct photo-

transformation in water at λ > 290 nm

Not required

Photochemical oxidative degradation in air

DT50 = < 96 hours (calculation)

DT50 = 14.6 hours (CTB calculation)

Flammability

Not highly flammable

Oxidative properties

Not oxidising

Explosive properties

Not explosive

5-batch analysis

Analytical closure ł98.6%

 

Werkzame stof fenpropimorf

 

Voor de fysisch-chemische eigenschappen wordt gebruik gemaakt van gegevens geleverd door de aanvrager. Er is nog geen concept-monografie beschikbaar.

 

Identity (Annex IIA, point 1)

Chemical name (IUPAC)

(RS)-cis-4-[3-(4-tert-butylphenyl)-2-methylpropyl]-2,6-dimethylmorpholine

Chemical name (CA)

cis-4-[3-[4-(1,1-dimethylethyl)phenyl]-2-methylpropyl]-2,6-dimethylmorpholine

CIPAC No

427

CAS No

67564-91-4

EEC No (EINECS or ELINCS)

266-719-9

FAO Specification (including year of publication)

none

Minimum purity of the active substance as manufactured (g/kg)

Approx 960

Molecular formula

C20H33NO

Molecular mass

303.5 g/mol

Structural formula

 

 

 

 

 

Physical-chemical properties (Annex IIA, point 2)

Melting point (state purity)

-47 to -41°C (99.6%)

Boiling point (state purity)

> 300°C (decomposition at 310°C)

Appearance (state purity)

Colourless liquid (99.6%)

Relative density (state purity)

0.933 g/ml (99.6%)

Surface tension

0.5%solution: 49.0 mN/m (20°C)

2.0% solution: 48.9 mN/m

Vapour pressure (in Pa, state temperature)

6.5 x 10-3 Pa (25°C)

3.5 x 10-3 Pa (20°C)

Henry’s law constant (in Pa·m3·mol -1)

0.25 (20°C, pH 7)

Solubility in water (in g/l or mg/l, state                                   temperature)

4.3 mg/l (20 °C, pH 7)

7.3 mg/l (20 °C, pH 4.4)

3.5 mg/l (20° C, pH 10)

Solubility in organic solvents (in g/l or mg/l, state temperature)

All in g/L and at 22°C

Acetone                      > 7600

Ethyl acetate              > 7780

Toluene                      > 7650

Dichloromethane        > 7740

n-heptane                   > 7250

acetonitril                    > 7730

methanol                    > 7890

i-propanol                   > 8170

octanol                        > 7700

olivoil                           > 7790

Partition co-efficient (log Pow) (state pH and temperature)

3.6 (distilled water, 22°C)

2.6 (pH 5, 22 °C)

4.1 (pH 7, 22 °C)

4.4 (pH 9, 22°C)

Hydrolytic stability (DT50) (state pH and temperature

Hydrolytically stable at pH 3-9

Dissociation constant

pKa = 6.98 (25 °C)

UV/VIS absorption (max.) (if absorption >290 nm state wavelength)

203 nm : ε = 1.1 x 104 (l.mol-1.cm-1)

219 nm : ε = 1.1 x 104 (l.mol-1.cm-1)

242 nm : ε = 2.1 x 102 (l.mol-1.cm-1)

264 nm : ε = 4.2 x 102 (l.mol-1.cm-1)

270 nm : ε = 3.2 x 102 (l.mol-1.cm-1)

290 nm : ε = 0.0  (l.mol-1.cm-1)

no absorption between 300-400 nm

Photostability (DT50) (aqueous, sunlight,  state pH)

Photolytically stable (no photolysis within 30 days at pH 5)

Quantum yield of direct photo-

transformation in water at λ > 290 nm

Not applicable

Photochemical oxidative degradation in air

DT50 = 2.9 hour (calculation)

Flammability

Not flammable

Flash point

157°C

Explosive properties

Not explosive

Oxidative properties

Not oxidising

5-batch analysis

Analytical closure 100%

 

Middel Opus team

 

Formulation type (GIFAP code)

SE (suspo-emulsion)

Appearance

White viscous liquid

Explosive properties

Not explosive (statement)

Oxidative properties

Not oxidising (statement)

Autoflammability

410 °C

Flashpoint

> 59°C

pH 1% solution

8.2 (Undiluted)

7.2 (0.37% solution)

7.5 (1% solution)


 

Particle size distribution

After suspension in water :

Less then 10% : ≤ 0.9 µm

Less then 10% : ≥ 4.1 µm

medium particles size: 2.3 µm

Surface tension

0.37% solution: 34.3 mN/m

0.5% solution:   34.1 mN/m

Viscosity

56.2 mPa.s (20°, at 100 s-1)

Relative density

1.022

Storage stability/Shelf life

Stable for 14 days at 54 °C

Stable for 2 years at 20 °C and 30 °C in polyamide lined polyethylene (coex) bottle.

Content active substance (g/l or g/kg)

84 g/L epoxiconazool

250 g/L fenpropimorf

 

Het middel is ook naar tevredenheid getest op schuimvorming, gietbaarheid en de dispersie-eigenschappen.

 

Conclusie fysisch-chemische eigenschappen

 

De geleverde gegevens geven in voldoende mate de mogelijkheid weer, op basis waarvan de identiteit van de stof en het middel kan worden vastgesteld, gespecificeerd en gekarakteriseerd. Er is vastgesteld dat de standaardgegevens voor milieu, toxicologische aspecten en risico’s met betrekking tot de fysisch-chemische eigenschappen beschikbaar zijn.

 

 

Etikettering fysische en chemische eigenschappen

 

Voorstel voor classificatie van epoxiconazool met betrekking tot fysisch-chemische eigenschappen

 

2c)

Gevaarsymbool:

-

aanduiding:

-

 

R-zinnen

-

-

 

 

 

 

 

S-zinnen

21

Niet roken tijdens gebruik

 

 

 

 

 

Voorstel voor classificatie van fenpropimorf met betrekking tot fysisch-chemische eigenschappen

 

2c)

Gevaarsymbool:

-

aanduiding:

-

 

R-zinnen

-

-

 

 

 

 

 

S-zinnen

-

-

 

 

 

 

 

 

Voorstel voor classificatie en etikettering formulering met betrekking tot fysisch-chemische eigenschappen

 

Op basis van bovenstaand profiel van de stof, de eigenschappen van de hulpcomponenten en de wijze van toepassen wordt voorgesteld het middel als volgt te etiketteren:

 

1

Stoffen die met chemische benaming op het etiket moeten worden vermeld (andere zeer giftige, giftige, bijtende of schadelijke stoffen):-

 

 

2c)

Gevaarsymbool:

-

aanduiding:

-

 

R-zinnen

-

-

 

 

 

 

 

S-zinnen

21

Niet roken tijdens gebruik

 

 

 

 

2d)

Specifieke vermeldingen:

DPD-zinne

-

-

 

 

 

 

2f)

Gewasbeschermings-middelenzin:

DPD-zin

DPD01

-

2h)

Kinderveilige sluiting verplicht?

-

 

Voelbare gevaarsaanduiding verplicht?

-

 

Eventuele toelichting op verschil met voorstel aanvrager/huidige etikettering:

Gevaarsaanduiding:

-

R-zinnen:

-

S-zinnen

S21: Het middel bevat een gehalogeneerde werkzame stof

Overige:

-

 

Analysemethoden in technisch materiaal en product

 

Technical as (principle of method)

Epoxiconazool:

PTV-GC-FID internal standard (CF-113)

Fenpropimorf:

GC-FID (CP 149/1)

A CIPAC method for fenpropimorf also exist

Impurities in technical as (principle of  method)

Epoxiconazool:

unknown

Fenpropimorf:

1e (CP 366): Reversed phase -HPLC with UV detection

2e (CP 179): GC-FID internal standard

Preparation (principle of method)

Epoxiconazool and Fenpropimorf: SE formulating

Analysed together with GC-FID

A CIPAC method for fenpropimorf also exist

 

Residuanalysemethoden: epoxiconazool

 

Food/feed of plant origin (principle of method and LOQ for methods for monitoring purposes)

Extraction with methanol/water. After a calcium hydroxide precipitation a part of the extract I back-extracted into hexane, and cleaned-up over silica gel. Determination with GC-ECD. Confirmation with GC-MS, only without internal standard. Confirmation with GC-MS. LOQ = 0.05 mg/kg for wheat, barley and rye.

Method also validated in beet, banana, beans and coffee berries, LOQ= 0.05 mg/kg.

Soil (principle of method and LOQ)

see food section. LOQ = 0.01 mg/kg.

Water (principle of method and LOQ)

          

 

Surface water: extraction with hexane, clean-up with silica SPE and determination with GC/ECD or GCMS (LOQ = 0.05 µg/l) using a internal standard

2e (method 461): SPE extraction (C18) elution with ethyl acetate/methanol. Determination with GCMS. LOQ = 0.05 µg/l for tap and surface water (epoxiconazole)

Air (principle of method and LOQ)

 

Body fluids and tissues (principle of method and LOQ)

Not required, non toxic compound

 

Planten

De methode (nr 309) is gevalideerd voor tarwe, rogge en gerst (zowel in het graan als het stro) en in een ander rapport in suikerbieten, banaan, bonen en koffiebonen. Voor de bevestigingsmethode wordt weinig informatie gegeven.

 

Grond

De methode (nr 309) is gevalideerd voor tarwe, rogge en gerst (zowel in het graan als het stro). Voor de bevestigingsmethode wordt weinig informatie gegeven.

 

Water

De methode 454 (doc. 1999/11100) is voldoende gevalideerd en voldoet. De 2e methode is eveneens voldoende gevalideerd om te kunnen gebruiken voor monitoring.

 

Lucht

In het aanvraagformulier werd geen analysemethode voor lucht gevraagd. Voor een toekomstige beoordeling dient deze alsnog te worden geleverd.

 

Residuanalysemethoden: fenpropimorf

 

Food/feed of plant origin (principle of method and LOQ for methods for monitoring purposes)

1e (840-MD-01): extraction with methanol. After evaporation of the methanol the remaining water is extracted with chloroform. This extract is cleaned-up by cation exchange and alumina columns. Determination with packed-GC-NPD. For Grain and straw.

2e (method 137): extraction with acetone. After evaporation of the acetone the remaining water is extracted with chloroform. This extract is cleaned-up by cation exchange and alumina columns. Determination with packed-GC-NPD.  For green plants, Grain and straw.

3e (309/1): method for bananas, sugar beets and coffee, and cereals and straw. Extraction with methanol/water. After a calcium hydroxide precipitation a part of the extract I back-extracted into hexane, and cleaned-up over silica gel. Determination with GC-ECD using internal standard calibration. Confirmation with GC-MS. LOQ = 0.05 mg/kg for grain and straw.

4e (241/3): maceration with methanol. After filtration and evaporation the water extract is extracted with hexane (discarded) and dichloromethane. After clean-up (silica gel and ion exchange) again extraction with dichloromethane. Determination with GCMS. LOQ = 0.05 mg/kg (bran (from grain), flour, beer, brewing malt, wheat) for fenpropimorf.

5e (456/0): extraction with water/methanol, back extraction into cyclohexane. Determination with HPLC-MS/MS. LOQ = 0.05 mg/kg (wheat, grain, straw, oranges, sunflower seed) for fenpropimorf

Soil (principle of method and LOQ)

1e (840-MD-01): extraction with methanol. After evaporation of the methanol the remaining water is extracted with chloroform. This extract is cleaned-up by cation exchange and alumina columns. Determination with packed-GC-NPD.

2e (method 137): extraction with acetone. After evaporation of the acetone the remaining water is extracted with chloroform. This extract is cleaned-up by cation exchange and alumina columns. Determination with packed-GC-NPD.

3e (method 468): extraction with methanol/water. After evaporation of the methanol and acidification the water is extracted with SPE (C18). Elution with dichloromethane/methanol. For fenpropimorf-acid the sample is derivitized using diazomethane. Determination with GCMS. LOQ = 0.01 mg/kg (fenpropimorf)

Water (principle of method and LOQ)

            

Surface water: extraction with dichloromethane, clean-up with silica SPE and determination with GC/NPD or GCMS (LOQ = 0.05 µg/l) using a internal standard

2e (method 465): SPE extraction (C18) elution with dichloromethane/methanol. For fenpropimorf-acid the sample is derivitized using diazomethane. Determination with GCMS. LOQ = 0.05 µg/l in tap and surface water (fenpropimorf)

Air (principle of method and LOQ)

 

Body fluids and tissues (principle of method and LOQ)

Not required, non toxic compound

 

Planten

1e methode: niet gevalideerd, dus niet acceptabel. Het gebruik van chloroform is niet langer toegestaan. Gepakte kolommen in GC zijn niet langer ‘state of the art’.

2e methode: deels gevalideerd. Het gebruik van chloroform is niet langer toegestaan. Gepakte kolommen in GC zijn niet langer ‘state of the art’. De grond gebruikt voor de validatie is niet gespecificeerd. De methode is daarom niet acceptabel.

3e methode: voor granen en stro is gevalideerd. Voor de bevestigingsmethode wordt geen reden voor het gebruikte fragment gegeven. Bovendien wordt slechts een fragment gebruikt wat erg weinig is.

4e methode: gevalideerd in bier en granen. De methode is als zodanig niet voldoende selectief (slechts een fragment voor detectie). De methode is door een onafhankelijk laboratorium gevalideerd.

5e methode: gevalideerd in granen. De methode is voldoende selectief maar heeft geen ILV ondergaan.

Methoden 4 en 5 kunnen worden gebruikt voor monitoring en controle op de MRL in droge en natte matrices.

 

Grond

1e methode: niet gevalideerd, dus niet acceptabel. Het gebruik van chloroform is niet langer toegestaan. Gepakte kolommen in GC zijn niet langer ‘state of the art’.

2e methode: deels gevalideerd. Het gebruik van chloroform is niet langer toegestaan. Gepakte kolommen in GC zijn niet langer ‘state of the art’. De grond gebruikt voor de validatie is niet gespecificeerd. De methode is daarom niet acceptabel.

3e methode: Deze methode is acceptabel voor fenpropimorf maar niet voor de metaboliet fenpropimorfzuur omdat er gebruik gemaakt wordt van diazomethaan voor de derivatisering. Diazomethaan is giftig en gevaarlijk en als zodanig niet geschikt voor monitoringmethoden.

 

Water

De methode 454 (doc. 1999/11100) is voldoende gevalideerd en voldoet, net als de
2e methode.

 

Lucht

In het aanvraagformulier werd geen analyse methode voor lucht gevraagd. Voor een toekomstige beoordeling dient deze alsnog te worden geleverd.

 

Vanuit de huidige toepassing (Wettelijk Gebruiksvoorschrift en Gebruiksaanwijzing) dient voor de volgende typen gewassen een residumethode te worden geleverd: droge matrices (tarwe, gerst, rogge). Voor de uitbreiding is ook een methode voor natte matrices nodig (suikerbieten, voederbieten en rode bieten).

De gebruikte residudefinitie voor epoxiconazool en fenpropimorf is alleen de moederstof. De MRL voor epoxiconazool in overige gewassen is 0,05 mg/kg. Voor fenpropimorf is de MRL voor granen op 0,5 mg/kg gezet en voor bieten op 0,05 mg/kg.

 

Conclusie analysemethoden

 

De geleverde analysemethoden voldoen aan de vereisten. De residu-analysemethoden zijn specifiek en gevoelig genoeg om te kunnen worden gebruikt voor het controleren van de betreffende plantaardige en dierlijke producten op het maximaal toegestane gehalte, en het monitoren van de verspreiding van de residuen in het milieu.

 

Ontbrekende gegevens fysisch chemische eigenschappen

 

Voor een toekomstige beoordeling dient voor zowel fenpropimorf als epoxiconazool een gevalideerde analysemethode voor lucht geleverd te worden.

 

 

Profiel werkzaamheid

 

De samenvatting en evaluatie is opgesteld door Linge Agro Consultancy. Daar waar relevant zijn delen uit deze samenvatting en evaluatie opgenomen in de beoordeling.

Claim

 

Opus Team wordt geclaimd ter bestrijding van bladvlekkenziekten (Cercospora beticola en Ramularia beticola), meeldauw (Erysiphe betae) en roest (Uromyces betae) in de teelt in de volle grond van suikerbieten, voederbieten en rode bieten.

De geclaimde dosering is 1 liter per ha.

Er dient een behandeling te worden uitgevoerd zodra aantasting wordt waargenomen; indien nodig dient de behandeling te worden herhaald.


 

Karakterisering van het middel

 

Opus Team is een middel op basis van de werkzame stoffen epoxiconazool en fenpropimorf. Epoxiconazool behoort tot de DMI-fungiciden (DMI’s). DMI’s remmen de de-methylase in de sterol biosynthese van schimmels. Epoxiconazool werkt systemisch. Uit praktijkervaringen en laboratoriumproeven is gebleken dat DMI’s matig resistentiegevoelig zijn.

Fenpropimorf behoort tot de morfolines en werkt systemisch. Fenpropimorf remt de werking van de ergosterol biosynthese. Morfolines zijn laag tot matig resistentiegevoelig. Er is voor fenpropimorf een verminderde gevoeligheid van meeldauw in granen gerapporteerd.


Aantaster/teelt

 

Cercospora beticola veroorzaakt kleine, vrijwel ronde vlekjes op het blad die in het midden lichtgrijs zijn en aan de buitenkant roodbruin. Bij een sterke aantasting lopen de vlekjes in elkaar over waardoor uiteindelijk talrijke bladeren afsterven. Verspreiding van de ziekte vindt plaats door opspattend regenwater en wind. De kans op besmetting is het grootst bij vochtige, warme weersomstandigheden. Het infectieverloop is voor een groot deel afhankelijk van de weersomstandigheden.

De schimmel overwintert door middel van sporen op de bladeren.

Cercospora beticola is een van de belangrijkste bladziekten in bieten en heeft zich in de afgelopen jaren vanuit Limburg over het gehele land verspreid.

Een vroege aantasting kan leiden tot wortelopbrengstverliezen van 30 tot 40 % en tot suikergehalteverliezen van 25 %.

 

Ramularia beticola veroorzaakt grote, onregelmatige vlekken op de bladeren die in het midden grijsbruin tot witgrijs zijn. Het weefsel midden in de vlek droogt in en vertoont barsten. Bij een vroege aantasting kan het bladapparaat verloren gaan waarna nieuwe bladeren worden gevormd hetgeen tot vermindering van de suikeropbrengst leidt.

De schimmel overwintert op afgestorven bladeren en in de grond. Opspattend regenwater en wind verspreiden de schimmelsporen. Besmetting vindt plaats bij koel en vochtig weer.

 

Erysiphe betae veroorzaakt in het begin een stervormig grijs schimmelmycelium op de bladeren, voornamelijk op de bovenkant. Bij een sterke aantasting worden de bladeren lichtgroen, vergelen en sterven af.

De schimmel gedijt goed onder vochtige, warme weersomstandigheden met een geringe relatieve luchtvochtigheid en regelmatig dauw. De schade is afhankelijk van het tijdstip waarop de ziekte voor het eerst optreedt en van de weersomstandigheden en kan oplopen tot 10 % derving van de wortelopbrengst; het suikergehalte wordt nauwelijks beďnvloed.

 

Uromyces betae veroorzaakt goudgele tot roestbruine, kleine vlekjes (1 mm doorsnede) op de boven- en onderkant van de bladeren. Bij een sterke aantasting verwelken en verdrogen de bladeren en sterven af. De schimmel gedijt goed onder relatieve koele weersomstandigheden bij voldoende vocht. De schade blijft meestal beperkt.

 

Het areaal suikerbieten, voederbieten en kroten in Nederland bedroeg in 2001 respectievelijk ongeveer 105.000 ha, 600 ha en 330 ha (bron CBS, 2004). De teelt van suiker- en voederbieten vindt zowel plaats op klei-, löss en zavelgrond als op zand- en dalgrond. Kroten worden zowel volvelds als onder glas geteeld.


Wijze van bestrijding

 

In Nederland zijn voor de bestrijding van Cercospora beticola middelen toegelaten op basis van carbendazim en difenoconazool; difenoconazool is tevens toegelaten voor de bestrijding van Ramularia beticola, Erysiphe betae en Uromyces betae.

 

 

Beoordeling werkzaamheid

 

Benodigd onderzoek

 

Opus Team is toegelaten voor de bestrijding van diverse schimmels in granen, onder andere bruine roest en meeldauw in tarwe en gele roest en dwergroest in gerst. Van hieruit bestaan geen extrapolatiemogelijkheden naar de toepassing in suikerbieten ter bestrijding van Cercospora beticola en Ramularia beticola; er zijn wel (beperkte) extrapolatiemogelijkheden naar Erysiphe betae en Uromyces betae.

Dit betekent dat voor een uitbreiding van de toelating naar suikerbieten voor Cercospora beticola en Ramularia beticola minimaal gedurende 2 jaar onderzoek dient te worden uitgevoerd met per jaar 3 tot 4 proeven.

Voor Erysiphe betae en Uromyces betae kan met minder onderzoek worden volstaan mits in de proeven voldoende aantasting is opgetreden en de resultaten goed en consistent zijn en in lijn liggen met de werking zoals die van Opus Team mag worden verwacht bij toepassing in granen.

Verder dienen er opbrengstbepalingen uitgevoerd te worden. De fytotoxiciteit kan in de werkingsproeven worden bepaald. Ook het nut van het combinatieproduct dient te worden aangetoond.

 

Geleverde gegevens

 

Richtlijnen en proefopzet

 

De proeven werden uitgevoerd volgens geldende EPPO-richtlijnen. Afhankelijk van de proef en het land zijn er 1 of 2 behandelingen uitgevoerd.

De werking van het middel Opus Team is in de proeven vergeleken met standaard- en referentiemiddelen op basis van epoxiconazool, fenpropimorf, carbendazim/flutriafol, difenoconazool/fenpropidin, carbendazim/flusilazol, cyproconazool/fentinacetaat en carbendazim.

 

Effectiviteit

 

Vaststellen dosering

 

In diverse proeven is de werking van het middel tegen Cercospora beticola, Ramularia beticola, Uromyces betae en Erisyphe betae getoetst in doseringen variërend van 0,7 tot

1,5 l/ha, al dan niet een of twee keer toegepast, bij wisselende aantasting (licht tot zwaar). Uit deze proeven bleek dat de aangevraagde dosering de optimale dosering is. Die gevallen waar het middel minder goed bleek te werken, worden toegeschreven aan het achterwege blijven van een tweede behandeling bij zware aantastingen.

 

Werking

 

Bladvlekkenziekte (Cercospora beticola)

De werking van Opus Team tegen Cercospora-bladvlekkenziekte is getoetst in een groot aantal proeven, die uitgevoerd zijn in België, Duitsland, Frankrijk en Nederland over een periode van een aantal jaar. De werking van het middel is getoetst ten opzicht van middelen op basis van difenoconazool/fenpropidin, epoxiconazool, carbendazim, flutriafol, carbendazim, flusilazol en cyproconazool/fentinactetaat. De bestrijding van de aantaster door Opus Team was vergelijkbaar of beter dan in geval van de referentiemiddelen. Ook bij een zware aantasting was de bestrijding voldoende en vergelijkbaar of beter.

 

Bladvlekkenziekte (Ramularia beticola)

De werking van Opus Team tegen Ramularia-bladvlekkenziekte is getoetst in een groot aantal proeven, die uitgevoerd zijn in België, Duitsland, Frankrijk en Nederland over een periode van een aantal jaar. De werking van het middel is getoetst ten opzicht van middelen op basis van difenoconazool/fenpropidin, epoxiconazool, flutriafol/carbendazim, carbendazim, flusilazol en cyproconazool/fentinactetaat in een enkele of meervoudige (2x) toepassingen. De bestrijding van de aantaster door Opus Team was vergelijkbaar of beter dan in geval van de referentiemiddelen. Ook bij een zware aantasting was de bestrijding voldoende en vergelijkbaar of beter. Hierbij gaf een tweede behandeling een betere bestrijding dan de enkelvoudige behandeling.

 

Meeldauw (Erysiphe betae)

In een groot aantal proeven, uitgevoerd over een periode van een aantal jaren in België, Nederland, Duitsland en Frankrijk, is de werking tegen meeldauw getoetst. De aantasting varieerde van licht tot zwaar. De werking is getoetst in vergelijking met referentiemiddelen op basis van epoxiconazool, flutriafol/carbendazim, carbendazim, flusilazol en cyproconazool/fentinactetaat. De werking van Opus Team in een dosering van 1 kg/ha was over het algemeen goed en de schimmel werd afdoende bestreden. Slechts in een paar proeven was de werking minder als gevolg van een zeer zware aantasting of een late ontwikkeling van de aantasting.

 

Roest (Uromyces betae)

In proeven uitgevoerd in België, Duitsland, Frankrijk en Nederland, over een periode van meerdere jaren is de werking tegen roest getoetst.

Ook bij de bestrijding van roest was de werking van Opus Team vergelijkbaar of beter dan die van de referentiemiddelen op basis van flutriafol/carbendazim, carbendazim en cyproconazool/fentinacteaat. Met name bij een lichte tot matige aantasting was de werking van het middel beter dan de referentiemiddelen. In geval van een zware aantasting was de werking vergelijkbaar met die van de referentiemiddelen.

 

Opbrengst

 

In 45 proeven, uitgevoerd in diverse jaren en in verschillende landen (België, Frankrijk, Duitsland en Nederland), werden de opbrengsten in de suikerbietproeven bepaald.

In een aantal gevallen was er sprake van een betrouwbaar verschil tussen de behandelde en de onbehandelde objecten of de referentieproducten, zowel qua wortelopbrengst als qua suikergehalte. Daar waar er geen betrouwbare verschillen waargenomen werden, was wel in de meeste gevallen een trend waarneembaar van verhoging van de resultaten van een van de parameters.

Geconcludeerd wordt dat Opus Team geen nadelig gevolgen heeft gehad op de opbrengst, maar in de regel een verbetering van de opbrengst gaf ten opzicht van onbehandeld of zelfs ten opzichte van het referentiemiddel.


Combinatieproducten

 

Ter onderbouwing van het nut van het combinatieproduct is een motivatie geleverd. Het nut van het combinatieproduct is met name gelegen in de beheersing van het resistentierisico. Het middel heeft geen meerwaarde voor wat betreft verbreding of versterking van de werking. Dit is niet aangetoond.


 

Schadelijke effecten

 

Fytotoxiciteit

 

Bij geen van de uitgevoerde proeven heeft Opus Team schade aan de gewassen veroorzaakt.

 

Opbrengst

 

Bij geen van de uitgevoerde proeven en waarbij opbrengstbepalingen zijn uitgevoerd heeft Opus Team de kwalitatieve en kwantitatieve opbrengst in negatieve zin beďnvloed.

De winbaarheid van de suiker werd niet negatief beďnvloed. Zoals eerder vermeld resulteerde het gebruik in een aantal gevallen tot een meeropbrengst.

 

Schadelijke effecten

 

Effecten op volggewassen/vervanggewassen

 

Hierover zijn geen gegevens overlegd. Opus Team is echter reeds vanaf 1994 in granen toegelaten en vanuit de praktijk zijn geen negatieve effecten bekend.

 

Effecten op nateelt

 

Voor toepassing in suikerbieten, voederbieten of kroten is dit aspect niet relevant omdat deze gewassen niet voor vermeerderingsdoeleinden worden geteeld.

 

Effecten op naburige gewassen

 

Hierover zijn geen gegevens overlegd. Opus Team is echter reeds vanaf 1994 in granen toegelaten en vanuit de praktijk zijn geen negatieve effecten bekend.

 

Samenvatting schadelijke effecten

 

Opus Team heeft in de proeven geen schade aan het gewas veroorzaakt en de opbrengsten noch in kwalitatieve noch in kwantitatieve zin negatief beďnvloed.

Over de effecten op volggewassen, vervanggewassen en naburige gewassen zijn geen gegevens overlegd. Vanuit de jarenlange toelating in granen zijn geen negatieve effecten bekend. Omdat het risicoprofiel bij toepassing op suikerbieten niet wezenlijk verschilt van die van de toepassing in granen zijn bij suikerbieten ook geen negatieve effecten te verwachten.

Het aspect nateelt is voor suikerbieten niet relevant. Vanuit de bevindingen in suikerbieten kan er geëxtrapoleerd worden naar voederbieten en kroten en is het aannemelijk dat ook in deze teelten het gebruik van Opus Team geen ongewenste nevenwerkingen zal hebben.

 

Resistentie-ontwikkeling

 

Epoxiconazool behoort tot de DMI-fungiciden (DMI’s). DMI’s remmen de de-methylase in de sterol biosynthese van schimmels. Epoxiconazool werkt systemisch. Uit praktijkervaringen en labproeven is gebleken dat DMI’s matig resistentiegevoelig zijn.

Fenpropimorf behoort tot de morfolines en werkt systemisch. Fenpropimorf remt de werking van de ergosterol biosynthese. Morfolines zijn laag tot matig resistentiegevoelig. Er is voor fenpropimorf een verminderde gevoeligheid van meeldauw in granen gerapporteerd.

In een vrij groot aantal proeven is epoxiconazool sec naast Opus Team beproefd. Behoudens een enkele uitzondering was er vrijwel geen verschil in werking tussen epoxiconazool sec en Opus Team.

Van fenpropimorf sec is het aantal gegevens zeer marginaal. De gegevens die er zijn indiceren dat fenpropimorf sec een zeer matige werking heeft tegen Ramularia beticola en geen werking heeft tegen Cercospora beticola. Tegen Uromyces betae zijn de resultaten wisselend terwijl van de werking tegen Erysiphe betae in eerste instantie geen gegevens verkregen waren.

De aanvrager heeft echter een aanvullende wetenschappelijke argumentatie geleverd waarin de meerwaarde van het combinatieproduct zowel voor wat betreft de versterking van de werking als voor wat betreft het resistentiemanagement wordt aangetoond. Hierbij zijn meer gegevens geleverd aangaande de bestrijding van Uromyces en Erysiphe betae.

Het nut van het combinatieproduct Opus Team uit oogpunt van resistentieontwikkeling is aanwezig, met name voor meeldauw en roest.

Extrapolatiemogelijkheden

 

Conform het extrapolatiedocument “Mogelijkheden voor extrapolatie van werkzaamheid en gewasveiligheid van gewasbeschermingsmiddelen” (College voor de Toelating van Bestrijdingsmiddelen, mei 2004) kan van suikerbieten naar voederbieten worden geëxtrapoleerd, voor zowel de werking als de selectiviteit. Hoewel er in het extrapolatiedocument geen mogelijkheid wordt genoemd voor extrapolatie van suikerbiet naar rode biet, mede op grond van het zich op een ander moment manifesteren van de aantasting, wordt op grond van de goede en consistente werking een extrapolatie naar rode biet verantwoord geacht.

 

Conclusie werkzaamheid

 

Op basis van de geleverde gegevens en extrapolatiemogelijkheden kan geconcludeerd worden dat Opus Team  werkzaam is ter bestrijding van bladvlekkenziekten (Cercospora beticola, Ramularia beticola), meeldauw (Erysiphe betae) en roest (Uromyces betae) in de teelt van suikerbieten, voederbieten en rode bieten en dat de toepassing geen neveneffecten veroorzaakt op planten en plantaardige producten in een mate die niet aanvaardbaar is.

 

 

Profiel humane toxicologie

 

Epoxiconazool

 

Epoxiconazool is een oude stof en wordt behandeld in de EU. Het EU-dossier is volledig verklaard en de Rapporteur Member State Duitsland is bezig met het opstellen van de concept-monografie.

Het hieronder weergegeven toxiciteitsprofiel is mede gebaseerd op RIVM adviesrapportnummer 93/613340/015 (21-12-1993), op C-144.3.11 (april 2004) en op nieuw geleverde gegevens (in 2004) samengevat door TNO (rapportnummer CTB-2004-013-A, datum dagtekening 6-12-2004).


 

Toxicokinetiek

 

Orale opname

 

Epoxiconazool werd na eenmalige toediening aan de rat voornamelijk teruggevonden in de faeces (76-79%) en de urine (12-21%). Deze percentages werden niet beďnvloed door dosis en sekse. Galgang-cannulatie toonde aan dat het in de faeces teruggevonden epoxiconazool vrijwel volledig afkomstig was van de gal. De totale absorptie vanuit het maagdarmkanaal bedroeg 90-99%. Epoxiconazool hoopt zich niet op in de weefsels. De stof wordt na orale opname vrijwel volledig gemetaboliseerd.

De laagst gevonden orale opname bedraagt 90% (te gebruiken als worst case aanname bij risicoschattingen).

 

Dermale opname

 

In een dermale studie werden mannelijke ratten behandeld met 50 en 500 mg gelabeld epoxiconazool/cm2 huid, gedurende 0,5, 1, 2, 4 en 10 uur. De dermale absorptie werd berekend uit de hoeveelheid teruggevonden gelabeld epoxiconazool in: urine, faeces, bloed, weefsels en huid, inclusief de huid waarop de teststof werd aangebracht.

Aangezien de concentratie van 50 mg/cm2 het meest overeenkomt met de blootstelling in de praktijk (10 mg/cm2 (uitgaande van een homogene blootstelling) bij een geschatte blootstelling van ongeveer 20 mg op een geschat blootgesteld oppervlak van 2000 cm2), worden de absorptiegegevens van deze concentratie gebruikt voor de risicoschatting.
Dit resulteert in een dermale absorptie van 9,4%.

In 2004 is door de aanvrager een in vitro dermale absorptie studie met humane en rattenhuid geleverd. De studie heeft een aantal beperkingen: het geteste materiaal is verdund met ethanol (dit kan de doorlaatbaarheid van de huid verhogen), er is gedurende 72 uur blootgesteld, de receptor vloeistof was ethanol/water. De resultaten kunnen echter worden beschouwd als worst-case en bruikbaar voor het afleiden van een ratio voor dermale absorptie door rattenhuid en humane huid. De geteste dosis van 100 mg/cm2 komt het meest overeen met de blootstelling in de in vivo studie. In het studie rapport wordt de flux gebruikt om de ratio af te leiden. Echter, de ratio gebaseerd op het percentage potentieel geabsorbeerde dosis is vergelijkbaar. De ratio rattenhuid : humane huid voor dermale absorptie bij een dosering van 100 mg/cm2 is 3,6:1. De dermale absorptie voor de mens die wordt gebruikt voor de risicobeoordeling wordt dan 9,4% / 3,6 = 2,6% voor zowel het concentraat als de spuitverdunning.

 

Toxicodynamiek

 

Acute toxiciteit

 

Bij acute expositie is epoxiconazool weinig giftig via de orale en dermale route; er zijn geen gegevens bekend met betrekking tot de inhalatoire toxiciteit.

Epoxiconazool is niet irriterend voor huid en ogen en veroorzaakt geen overgevoeligheidsreacties bij contact met de huid.

Kortdurende en chronische toxiciteit/Carcinogeniteit

 

In een subacute dermale toxiciteitstudie bij ratten werden effecten waargenomen op de lever bij doseringen vanaf 400 mg /kg lg/d. De NOAEL bedroeg 100 mg/kg lg/d.

Uit subacute en (semi)chronische orale toxiciteitstudies bij diverse diersoorten bleek dat epoxiconazool met name effecten veroorzaakte op de lever. Bij ratten traden tevens hormonale effecten op.

De laagste NOAEL (1,1 mg/kg lg/d) werd waargenomen in een 52-weken studie bij de hond.

In een 13-weken studie met de hond bedroeg de NOAEL 1,9 mg/kg lg/d. Op basis van deze gegevens kan worden geconcludeerd dat bij de hond verlenging van de blootstellingsduur niet resulteert in een verlaging van de NOAEL. Bij de rat trad echter wel een tijdsduurafhankelijke verlaging op van de NOAEL (NOAEL 13-w: 7 mg/kg lg/d; NOAEL chronisch: 1,4 mg/kg lg/d).

De muis lijkt, afgaande op semichronische toxiciteitstudies, wat gevoeliger dan de rat (NOAEL 13-w muis: 2 mg/kg lg/d en NOAEL 13-w rat: 7 mg/kg lg/d). Er zijn geen gegevens beschikbaar met betrekking tot de chronische toxiciteit bij de muis. In een carcinogeniteitstudie werden bij 0,8 mg/kg lg/d geen effecten gevonden.

 

Epoxiconazool heeft carcinogene eigenschappen. De stof induceerde levertumoren bij de muis (vanaf 72 mg/kg lg/d) en bijnierschorsadenomen en theca-granulosaceltumoren in het ovarium bij de rat (vanaf respectievelijk 69 en 34 mg/kg lg/d). De tumoren bij de rat zijn waarschijnlijk het gevolg van de verstoring van de hormoonhuishouding. Voor deze effecten is een drempelwaarde vast te stellen. Epoxiconozool dient wel geëtiketteerd te worden met ‘R40’ (carcinogene effecten zijn niet uitgesloten).

 

Genotoxiciteit

Op basis van het uitgevoerde mutageniteitsonderzoek kan geconclu­deerd worden dat epoxiconazool niet genotoxisch is. Epoxiconazool induceert levertumoren in de muis en ovarium- en bijniertumoren in de rat. Op grond van afwezigheid van genotoxiciteit, waargenomen levertoxiciteit en de resultaten van speciale studies met betrek­king tot de verstoring van hormonale mechanismen wordt aangenomen dat de geďnduceerde tumoren ontstaan via een indirect (niet-geno­toxisch) mechanisme. Derhalve kan bij de risico-schatting worden uitgegaan van een drempelwaardebenadering.

Reproductie- en ontwikkelingstoxiciteit

 

In een reproductieproef met de rat werden bij 250 mg/kg voer ernstige effecten waargenomen op reproductie; de NOAEL in deze proef was 25 mg/kg voer (2,4 mg/kg lg).

In een teratogeniteitstudie met de rat veroorzaakte epoxiconazool irreversibele structurele afwijkingen (gespleten gehemelte) bij een dosis van 180 mg/kg lichaamsgewicht; bij lagere doses was er, waarschijnlijk als gevolg van hormonale verstoring, maternale en foetotoxiciteit
(NOAEL 5 mg/kg lg).

In een studie met het konijn werden geen irreversibele structurele afwijkingen gevonden.

Op basis van deze effecten dient epoxiconazool geëtiketteerd te worden met ‘R62’ (mogelijk gevaar voor verminderde vruchtbaarheid) en ‘R63’ (mogelijk gevaar voor beschadiging van het ongeboren kind).

 

Relevante metabolieten in consumptiegewassen

 

In vervolgstudies met tarwe worden de triazool-metabolieten triazolylalanine, triazolylazijnzuur en triazolylpropionzuur in hoeveelheden aangetroffen in het graan in concentraties > 0,05 mg/kg (samen tot 0,45 mg/kg) zodat een nadere beoordeling noodzakelijk is. Triazoolmetabolieten ontstaan als afbraakproduct van de hele groep van triazoolfungiciden in planten. Door de JMPR (1989) is triazolyl alanine als toxicologisch niet relevant voor de mens bestempeld, omdat het een lage orale toxiciteit heeft en snel wordt uitgescheiden. Voor triazolylazijnzuur en triazolylpropionzuur, die meer polair en oplosbaar zijn dan triazolylalanine wordt verondersteld dat deze nog sneller worden uitgescheiden. Daarom zijn geen verdere toxicologische gegevens over deze metabolieten benodigd.

 

Ontbrekende gegevens epoxiconazool

 

Er ontbreken geen gegevens. Vragen die voortkomen uit de EU-beoordeling zullen onverkort gelden voor de Nederlandse beoordeling.

 

Fenpropimorf

 

Fenpropimorf is een oude stof en wordt behandeld in de EU. Het EU-dossier is volledig verklaard en de Rapporteur Member State Duitsland is bezig met het opstellen van de concept-monografie.

De hieronder volgende samenvatting is mede gebaseerd op een TNO rapport

(nr. 256741-205 datum dagtekening 12-11-96), op de samenvatting van fenpropimorf in de JMPR uit 1994, op C-144.3.11 (april 2004) en op nieuw geleverde gegevens (in 2004) samengevat door TNO (rapportnumer CTB-2004-013-A, d.d. 6-12-2004).

 

Toxicokinetiek

 

Orale opname

 

Fenpropimorf wordt na orale toediening bij de rat snel geab­sorbeerd en vrijwel volledig uitgescheiden (± 96% in 48 uur). Bij mannelijke dieren werd circa 69% uitgescheiden via de gal, 23% via de urine en 7% via de faeces. Bij vrouwelijke dieren waren deze percenta­ges respectievelijk: circa 79%, 16% en 1%. De excretie werd niet beďnvloed door de hoogte van de dose­ring of door herhaalde toedie­ning. De hoeveelheid radioactivi­teit die na 96 uur werd terug­ge­vonden in het karkas, de weefsels en het maagdarmkanaal bedroeg circa 4,5%. De hoog­ste per­centages werden gevonden in lever, vetweefsel en maagdarmka­naal.
Fenpropimorf wordt sterk gemetaboliseerd, in urine en faeces werd geen moederstof aangetroffen.

Orale absorptie is minimaal 97% (dat wil zeggen 69% gal, 23% urine en 4,5% weefsels en karkas voor mannelijke dieren). Voor de risicoschatting wordt uitgegaan van 100% orale absorptie.

 

Dermale opname

 

Op basis van in vivo en in vitro dermale absorptie gegevens is in het verleden geconcludeerd dat 30% dermale absorptie als “worst case percentage” kan worden aangehouden. Deze studies zijn in het verleden niet geëvalueerd. Aangezien deze studies een groot belang hebben voor de risicobeoordeling zijn deze studies voor de beoordeling in C-144.3.11 opnieuw bekeken, echter een uitgebreide evaluatie heeft niet plaatsgevonden.

Na 8 uur dermale blootstelling aan radioactief gelabeld fenpropimorf (representatieve doseringen) bij de rat in vivo, wordt ongeveer 10-30% van de toegediende dosering geabsorbeerd. Uit de resultaten van de in vitro dermale absorptie studie blijkt dat de dermale absorptie door rattenhuid een factor 3-10 hoger is dan de dermale absorptie door menselijke huid. Op basis van deze resultaten werd aangenomen dat voor het berekenen van de interne blootstelling de dermale absorptie maximaal 10% bedraagt (“worst-case”).

Echter, in bovenstaande studies is de dermale absorptie van fenpropimorf op basis van cyclohexanone bepaald. In 2004 zijn er dermale absorptiestudies geleverd uitgevoerd met formuleringen op waterbasis en deze zijn meer representatief voor de formulering Opus Team, omdat dit ook een formulering op waterbasis is. Het betreft een in vivo dermale absorptiestudie in de rat, een in vitro absorptiestudie met rattenhuid en een in vitro studie met humane huid, uitgevoerd met een SE formulering op basis van 300 g/l fenpropimorf en 150 g/l kresoxim-methyl. Opus Team is ook een SE formulering.

In de in vivo studie is gedurende 8 uur blootgesteld aan 3,0 mg/cm2 en aan 0,0075 mg/cm2. Dermale absorptie van fenpropimorf bij een area dose van 3,0 mg/cm2 is ongeveer 6% en bij een area dose van 0,0075 mg/cm2 ongeveer 32%. De te verwachten area dose tijdens mengen en laden is ongeveer 0,025 mg/cm2 (uitgaande van een geschatte blootstelling van ongeveer 50 mg op een geschat blootgesteld oppervlak van 2000 cm2 en uitgaande van een homogene blootstelling). De te verwachten area dose tijdens toepassen is aanzienlijk lager. De dermale absorptie waarde bij een area dose van 0,0075 mg/cm2 is het meest relevant voor de huidige risicobeoordeling.

In de in vitro studies met rattenhuid en humane huid is de dermale absorptie bepaald van fenpropimorf bij een area dose van 1,6 mg/cm2 en 0,0037 mg/cm2. Uit de resultaten blijkt dat dermale absorptie door humane huid ongeveer een factor 23 lager is dan door rattenhuid bij een area dose van 0,0037 mg/cm2.

Voor de risicobeoordeling wordt uitgegaan van een dermale absorptie van fenpropimorf voor de mens van 1,4% (32% / 23) voor zowel het concentraat als de spuitverdunning.

 

Inhalatoire opname

 

Er zijn geen gegevens verstrekt over de inha­latoire opname van fenpropimorf. In een
4-weken inha­latiestu­die bij de rat bedroeg de NOAEL voor zowel systemi­sche als lokale effecten 10 mg/m3 (onge­veer gelijk aan 2,8 mg/kg lg/dag). In een 4-weken orale studie bij deze species werden bij de laagste dosering, 5 mg/kg lg/dag, overeenkomstige systemi­sche ef­fecten waar­genomen. Op grond van de bovenstaande bevin­dingen kan enkel worden geconclu­deerd dat inhalatoire absorp­tie plaatsvindt, zij verschaffen echter geen informatie over de mate waarin.

Voor de risicoschatting wordt uitgegaan van een inhala­toire absorptie van 100%.


Toxicodynamiek

 

Acute toxiciteit

 

Volgens EG-richtlijnen dient fenpropimorf te worden geëtiketteerd voor acute orale blootstelling als schadelijk bij opname door de mond (R22) en als irriterend voor de huid (R38). De stof ver­oorzaakt geen sensibilisatie van de huid in een maximisatie-­test.

 

Kortdurende en chronische toxiciteit/Carcinogeniteit

 

Uit subacute dermale en inhalatoire studies blijkt dat fenpro­pimorf ernstige lokale effecten veroorzaakt. In een 3-weken dermale studie bij het konijn werden bij de laagste dosering nog huideffec­ten waargenomen bij mannelijke dieren.  Bij hogere doseringen werden onder meer hyperkeratose en ernstige ontste­kingen van de huid waargeno­men. In deze studie werden geen systemi­sche effecten waargenomen.

 

In een 4-weken inhalatiestudie bij de rat bedroeg de NOAEL voor zowel systemische als lokale effecten 0,01 mg/L. In de opvolgende dosisgroep, 0,04 mg/L, was het levergewicht verhoogd en traden ontste­kingen en hyperkeratose op in de neus en werd een toename geconstateerd van basaalcelhyperplasie in de trachea en bronchiën.

 

Uit subacute en (semi)chronische orale studies bleek dat, evenals in de inhalatiestudie, fenpropimorf met name levereffecten veroorzaakt. Daarnaast werden veranderingen gezien in de gewichten van de schildklier, de nieren en de bijnieren en werden bij hoge doseringen aanwijzingen gevonden voor remming van de cholines­terase-activiteit in de hersenen en erytrocyten. De rat blijkt de meest gevoeli­ge diersoort te zijn. De laagste NOAEL (0,3 mg/kg lg/dag) werd waar­geno­men in een chronische studie bij de rat. Deze NOAEL is geba­seerd op een toename van het levergewicht in de opvolgende dosisgroep
(1,7 mg/kg lg/dag). In een semi-chronische studie bij deze diersoort waarin overeenkomstige effecten werden waarge­nomen, werd een NOAEL van 0,38 mg/kg lg/dag en een LOAEL van 0,77 mg/kg lg/dag vastgesteld.

Gecombineerde chronische toxiciteit en carcinogeniteitstudies in muis en rat laat zien dat fenpropimorf geen invloed heeft op de tumorincidentie bij de rat en de muis.


 

Genotoxiciteit

 

De mutageniteitstudies in bacteriën, de chromosoom aberratietest in humane lymfocyten, de UDS test in rat hepatocyten in vitro, en de micronucleus test en de dominant-letaal mutatie test in vivo, geven aan dat fenpropimorf geen genotoxische eigenschappen heeft.

 

Reproductie- en ontwikkelingstoxiciteit

 

Fenpropimorf heeft geen invloed op de fertiliteit. In een 2-generatie reproductiestudie bij de rat bedroeg de NOAEL voor zowel parenta­le toxiciteit als ontwikkelingseffecten
0,68 mg/kg lg/dag. Bij de opvolgende dosisgroep (1,25 mg/kg lg/dag) was bij de ouderdieren het levergewicht verhoogd. Bij deze dose­ring was het aantal doodge­boren pups verhoogd, het pupgewicht ver­laagd en de beharing van huid en de opening van de ogen vertraagd ten opzichte van de controle groep.

Fenpropimorf is teratogeen bij maternaal toxische doseringen. Bij de rat bedroeg de NOAEL voor materna­le toxiciteit 10 mg/kg lg (LOAEL: 40 mg/kg lg). Teratogene effecten, waaronder een gespleten verhemelte, traden op bij een dosering van 160 mg/kg lg. Bij het konijn bedroeg de NOAEL voor maternale toxiciteit, ontwikkelingseffecten en teratogeniteit 15 mg/kg lg (LOAEL: 30 mg/kg lg). Teratogene effecten waaron­der een gesple­ten verhemelte en afwijkingen aan voor- en ach­terpo­ten werden voornamelijk gezien bij nesten waarvan de moe­derdie­ren ernstige toxiciteitsverschijnselen vertoon­den.

Op basis van deze effecten dient fenpropimorf geëtiketteerd te worden met ‘R63’ (mogelijk gevaar voor beschadiging van het ongeboren kind).

 

Ontbrekende gegevens fenpropimorf

 

Er ontbreken geen gegevens. Vragen die voortkomen uit de EU-beoordeling zullen onverkort gelden voor de Nederlandse beoordeling.

 

Formulering

 

De formulering Opus Team bevat als werkzame stoffen epoxiconazool (84 g/L) en fenpropimorf (250 g/L).

 

Formuleringstoxicologie

 

Op grond van de geleverde formuleringstoxicologie behoeft de formulering Opus Team niet geëtiketteerd te worden voor acuut orale of dermale eigenschappen.

De formulering behoeft eveneens niet geëtiketteerd te worden voor oog irriterende eigenschappen of voor sensibiliserende eigenschappen. Opus Team is irriterend voor de huid, derhalve dient de formulering geclassificeerd te worden met ‘R38’.

Verder dient de formulering op basis van de eigenschappen van epoxiconazool en fenpropimorf geëtiketteerd te worden met ‘R40’, ‘R62’ en ‘R63’.

 

Ontbrekend onderzoek formulering

 

Er ontbreken geen gegevens.

 


 

Beoordeling van het risico voor de toepasser (beroepsmatig/re-entry)

 

Overzicht toepassingen

 

Opus Team is reeds toegelaten in de teelt van tarwe, gerst en winterrogge. Deze aanvraag betreft de teelt van suikerbieten, voederbieten en rode bieten. Het middel wordt toegepast door middel van machinaal neerwaarts spuiten in een dosering van 1 L middel/ha
(84 g epoxiconazool/ha en 250 g fenpropimorf/ha). Opus Team zal maximaal
tweemaal per teeltseizoen worden toegepast met een interval van 21 dagen, in de periode juni tot en met september. De toepassing van Opus Team door loonwerkers kan niet worden uitgesloten. Voor de risicobeoordeling wordt uitgegaan van semi-chronische blootstelling (het middel kan worden toegepast in de periode juni-september, maar zal in de praktijk niet langer dan een periode van 3 maanden worden toegepast.

 

Epoxiconazool

 

       Afleiden AOEL

 

Voor de berekeningen van de systemische AOEL voor semi-chronische blootstelling voor de beroepsmatige toepasser wordt uitgegaan van de NOAEL van 2,0 mg/kg lg/d uit de semi-chronische orale toxiciteitstudie bij de muis. Berekeningen vanuit andere studies leveren hogere AOEL waarden op.

 

Veiligheidsfactoren worden gebruikt om te compenseren voor de onzekerheid die voortvloeit uit de verschillen tussen de experimentele omstandigheden, de situatie op de werkplek en om de waarschijnlijkheid te vergroten dat er bij de toelaatbaar geachte blootstelling inderdaad geen nadelige effecten voor de gezondheid optreden.

Gebruikte factoren zijn:

·       extrapolatie  muis ® mens op basis van calorische behoefte:                          7         

·       overige interspecies verschillen:                                                                         3

·       intraspecies verschillen: (beroepsmatig)                                                            3         

·       biologische beschikbaarheid via de orale route:                                                 90%

·       gewicht toepasser/werker:                                                                                  70 kg

 

AOELsystemisch: 2,0 x 0,9 x 70 / (7 x 3 x 3) = 2 mg/persoon/dag

 

Schatting van de blootstelling/berekening Risico indices

 

Voor machinaal neerwaarts toepassen van Opus Team in de teelt van suikerbieten, voederbieten en rode bieten wordt de blootstelling tijdens mengen/laden en toepassen geschat met behulp van EUROPOEM. Voor de totale dagblootstelling dienen de afzonderlijke handelingen (mengen/laden en toepassen) te worden opgeteld.

 

In tabel T.1 wordt aangegeven hoe de geschatte dermale en inhalatoire blootstelling aan epoxiconazool bij gebruik van de formulering Opus Team zich verhoudt tot de interne AOEL.

 


 

Tabel T.1 Risicobeoordeling voor dermale en inhalatoire blootstelling aan epoxiconazool bij gebruik van Opus Team

 

Route

Geschatte blootstelling a,b (mg /dag)

AOEL

(mg/dag)

Risico-indexc

Machinaal neerwaarts toepassen in de teelt van suikerbieten, voederbieten en rode bieten

Mengen en laden

Inhalatoir

< 0,01

2

< 0,01

 

Dermaal

0,44

2

0,22

Toepassen

Inhalatoir

< 0,01

2

< 0,01

 

Dermaal

0,07

2

0,04

Totaal

 

0,5

2

0,3

a          Blootstelling is geschat met behulp van EUROPOEM

b          Voor epoxiconazool is voor de berekening van de systemische blootstelling uitgegaan van 2,6% dermale absorptie en 100% inhalatoire absorptie.

c          Ratio van geschatte blootstelling en toelaatbaar geachte blootstelling.

 

Conclusie epoxiconazool

 

Op basis van deze arbeidstoxicologische risicobeoordeling kan worden geconcludeerd dat bij zowel dermale als inhalatoire blootstelling als gevolg van onbeschermd gebruik van Opus Team in de teelt van suikerbieten, voederbieten en rode bieten geen nadelige effecten te verwachten zijn.

 

Fenpropimorf

 

       Afleiden AOEL

 

Voor de berekeningen van de systemische AOEL voor semi-chronische blootstelling voor de beroepsmatige toepasser wordt uitgegaan van de NOAEL van 0,38 mg/kg lg/d uit de semi-chronische orale toxiciteitstudie bij de rat.

 

Veiligheidsfactoren worden gebruikt om te compenseren voor de onzekerheid die voortvloeit uit de verschillen tussen de experimentele omstandigheden, de situatie op de werkplek en om de waarschijnlijkheid te vergroten dat er bij de toelaatbaar geachte blootstelling inderdaad geen nadelige effecten voor de gezondheid optreden.

 

Gebruikte factoren zijn:

·                     extrapolatie rat-mens op basis van calorische behoefte                           4

·                     overige interspecies verschillen                                                                3

·                     intraspecies verschillen (beroepsmatig gebruik)                                       3

·                     biologische beschikbaarheid via de orale route                                         100%

·                     gewicht toepasser/werker                                                                           70 kg

 

AOELsystemisch = 0,38 x 1 x 70 / (4 ´ 3 ´ 3) = 0,74 mg/persoon/dag

 

Schatting van de blootstelling/berekening Risico indices

 

Voor machinaal neerwaarts toepassen van Opus Team in de teelt van suikerbieten, voederbieten en rode bieten wordt de blootstelling tijdens mengen/laden en toepassen geschat met behulp van EUROPOEM. Voor de totale dag blootstelling dienen de afzonderlijke handelingen (mengen/laden en toepassen) te worden opgeteld.

 

In tabel T.2 wordt aangegeven hoe de geschatte dermale en inhalatoire blootstelling aan fenpropimorf bij gebruik van de formulering Opus Team zich verhoudt tot de interne AOEL.

 

Tabel T.2 Risicobeoordeling voor dermale en inhalatoire blootstelling aan fenpropimorf bij gebruik van Opus Team

 

Route

Geschatte blootstelling a,b (mg /dag)

AOEL

(mg/dag)

Risico-indexc

Machinaal neerwaarts toepassen in de teelt van suikerbieten, voederbieten en rode bieten

Mengen en laden

Inhalatoir

0,01

0,74

0,02

 

Dermaal

0,7

0,74

0,9

Toepassen

Inhalatoir

0,02

0,74

0,04

 

Dermaal

0,11

0,74

0,1

Totaal

 

0,8

0,74

1,1

a          Blootstelling is geschat met behulp van EUROPOEM

b          Voor fenpropimorf is voor de berekening van de systemische blootstelling uitgegaan van 1,4% dermale absorptie en 100% inhalatoire absorptie.

c          Ratio van geschatte blootstelling en toelaatbaar geachte blootstelling.

 

Conclusie fenpropimorf

 

Aangezien een risico-index van 1,1 niet significant verschillend is van 1, kan op basis van deze arbeidstoxicologische risicobeoordeling worden geconcludeerd dat bij zowel dermale als inhalatoire blootstelling als gevolg van onbeschermd gebruik van Opus Team in de teelt van suikerbieten, voederbieten en rode bieten geen nadelige systemische effecten te verwachten zijn.

Echter, fenpropimorf kan ook lokale effecten veroorzaken.

Wat betreft lokale effecten na inhalatoire blootstelling: De NOAEL voor systemische en lokale effecten is vergelijkbaar en de AOEL is veel lager dan de NOAEL. Verder is de inhalatoire blootstelling zeer laag en bedraagt slechts een zeer laag percentage van de AOEL. Lokale effecten zijn voor de toepasser dus niet te verwachten en het is niet nodig om beschermende maatregelen voor inhalatoire blootstelling voor te schrijven.

Wat betreft lokale effecten na dermale blootstelling: uit een subacute dermale studie blijkt dat lokale effecten optreden bij doseringen waarbij geen systemische effecten zijn waargenomen. Derhalve zullen voor de lokale effecten na dermale blootstelling beschermende maatregelen worden voorgeschreven voor de toepasser (handschoenen en beschermende kleding).

 

       Re-entry

 

Intensieve werkzaamheden kort na toepassen in de volle grond zullen niet plaatsvinden, derhalve wordt de blootstelling tijdens herbetredingswerkzaamheden in de teelt van suikerbieten, voederbieten en rode bieten verwaarloosbaar geacht. 

 

       Ontbrekende gegevens

 

Er ontbreken geen gegevens.


 

Combinatietoxicologie

 

Het is mogelijk dat gecombineerde blootstelling aan de actieve stoffen in Opus Team leidt tot een ander toxicologisch profiel dan het profiel dat is afgeleid van de individuele stoffen omdat ze elkaars werking kunnen beďnvloeden.

De twee werkzame stoffen in Opus Team, epoxiconazool en fenpropimorf hebben een gemeenschappelijk effect op de lever. De mechanismen zijn niet verder uitgewerkt, maar het is niet uit te sluiten dat bij blootstelling aan deze stoffen een additief effect optreedt. In

C-144.3.11 (april 2004) is op basis van de risicobeoordeling een aanvullende vraag gesteld, aangezien de ingeschatte blootstelling aan epoxiconazool en fenpropimorf (bij onbeschermd gebruik) voorbij de toelaatbaar geachte blootstelling voor de toepasser (AOEL) ligt:

·         Om duidelijkheid te krijgen over de mogelijke effecten op de lever ten gevolge van de combinatie van de werkzame stoffen dient de aanvrager een semi-chronische orale studie in de rat te leveren met een combinatie van epoxiconazool en fenpropimorf in de concentraties zoals worden gebruikt in het middel Opus Team.

Op basis van de nieuwe dermale absorptiestudies voor epoxiconazool en fenpropimorf zijn nu andere waarden afgeleid voor dermale absorptie. Het gevolg is dat de interne blootstelling aan beide stoffen aanzienlijk lager is dan voorheen is ingeschat. Aangezien op basis van de lokale effecten van fenpropimorf beschermende maatregelen worden voorgeschreven, zal ook bij een eventueel additief effect de AOEL slechts voor een klein gedeelte worden opgevuld en worden geen risico’s ingeschat van gelijktijdige blootstelling aan epoxiconazool en fenpropimorf.

 

 

Beoordeling van het risico voor de volksgezondheid

 

       Overzicht toepassingen

 

Opus Team, op basis van de werkzame stoffen epoxiconazool en fenpropimorf, is reeds toegelaten als schimmelbestrijdingsmiddel in tarwe, gerst en winterrogge. Opus Team is een vloeibare (SE) formulering op basis van 84 g/L epoxiconazool en 250 g/L fenpropimorf.

Opus Team dient te worden toegepast in een dosering van 1,5 L/ha op granen en 1 L/ha op suikerbieten, voederbieten en rode bieten.

 

De meest recente beoordeling is beschreven in C-144.3.11 (april 2004). Dit betreft de uitbreidingsaanvraag voor de toepassing op suikerbieten. Voor een aantal aspecten waren aanvullende vragen gesteld, echter niet voor residuen. Deze uitbreidingsaanvraag betreft de toepassing op suikerbieten, voederbieten en rode bieten.

 

Epoxiconazool

 

De hieronder volgende samenvatting is mede gebaseerd op de samenvatting en evaluatie met betrekking tot de uitbreidingsaanvraag van Opus Team in de teelt van suikerbieten opgesteld door Notox (Notoxnummer: 404022/139653 datum dagtekening maart 2004). Een aantal aspecten was reeds eerder samengevat (RIVM rapportnummer: 93/613340/015 datum dagtekening december 1993). Daarnaast is er gebruik gemaakt van de beoordeling van OPTIMO en van C-144.3.11.


 

       Metabolisme en residugedrag, planten

 

Based on a metabolism study with epoxiconazole on sugar beet, the following results were obtained. Residues in sugar beet leaves were 4.2 (22 DAT1), 9.4 (0 DAT2) and
5.8 (28 DAT2) mg eq/kg. Residues in sugar beet roots were 0.053 (22 DAT1),

0.073 (0 DAT2) and 0.044 (28 DAT2) mg eq/kg. The total extractable residues (methanol) were within the range 88-98 % of TRR.

In all extracts the parent was the only identified radioactive component. In the leave extract (28 DAT2) only parent was detected (96% of TRR / 5.6 mg eq/kg). In the root extract
(28 DAT2) the parent was the major component (72% of TRR / 0.032 mg eq/kg).
Additionally, the root extract contained three unidentified metabolites (each ≤ 7% of TRR and ≤ 0.003 mg eq/kg).

 

For both plant parts, nonextracted residues were < 25% of TRR at all sampling times
(2.4-12% of TRR).

 

The terminal residue in sugar beet leaves and roots (at a PHI of 28 days) as the result of two applications of [fluorophenyl-U-14C]BAS 480 F at 150 g as/ha (1.8 N) can be considered fully characterized and relevant fractions identified.

 

Op basis van deze metabolisme data wordt voorgesteld om epoxiconazool (moederstof) als enige op te nemen in de residudefinitie voor suikerbieten, voederbieten en rode bieten. Hiermee sluit de residudefinitie aan bij die van granen.

 

       Metabolisme en residugedrag, landbouwhuisdieren

 

The trigger value for performing animal metabolism studies is 0,1 mg epoxiconazole/kg total diet. With the intake of grain and beet(leaves) the total intake is >0.1 mg epoxiconazole/kg total diet. In a metabolism study with lactating goat, epoxiconazole was identified as the main metabolite. None of the metabolites needed inclusion in the residue definition for animal products. As the metabolism of epoxiconazole in goat and rat were similar, no studies in pig were needed.

 

       Residudefinitie

The residue definition for beet and grain is defined as epoxiconazole.

The residue definition for animal products is defined as epoxiconazole.

 

       Monsterstabiliteit

 

Epoxiconazole is stable in wheat (green plant, grain and straw), oilrape seed, sugar beet, white cabbage, peach and pea during storage in the dark at -20oC over a period of
720 days (2 years).

 

       Residuen

 

A total of 18 supervised field trials performed in Northern-Europe covering at least
2 growing seasons were submitted. All trials were residue decline trials. All trials were performed at a dose ~1.5x the cGAP-NL (i.e. >25% deviation). The number of applications, spray interval and PHIs were according to the cGAP. Residue values of epoxiconazole in beet below the LOQ can be used for the estimation of the MRL because they were determined under worst-case conditions (dose to high).

 

 

Residue values in beets at PHI = 42 days were <0.05 mg/kg (18x).

 

Residue values in leaves with tops at PHI = 42 days were <0.05 to 0.72 mg/kg. Based on these residue values livestock feeding studies were required.

 

Bovenstaande resultaten uit de residuproeven met suikerbieten kunnen geëxtrapoleerd worden naar voederbieten en rode bieten.

 

       Volg-/rotatiegewassen

 

In een studie met 2 gronden (pH 6,0 en 4,8; % o.s. 4,4 en 2,0) werd voor  [2-14C]-oxiraan-gelabeld epoxiconazool onder aërobe omstandigheden bij 20 °C DT50-waarden van 250 en 310 d gevonden (zie gedrag in de bodem). Gegevens over volggewassen zijn noodzakelijk indien 30 dagen na toepassing > 10% van de opgebrachte stof, inclusief metabolieten, aanwezig is in de bodem.


Er is een studie geleverd waarin het TRR bepaald is in tarwe als volggewas gezaaid 30, 120 en 365 dagen na behandeling van de grond met 510 g/ha [14C-triazolyl]-epoxiconazool. Het maximale totaal residu bedroeg 1,134 mg eq/kg (hele plant). Van tarwe gezaaid na
30 dagen zijn ook de metabolieten onderzocht; dit bleken vooral triazolyl azijnzuur, triazolyl propionzuur en triazolyl alanine te zijn in graan (totaal 0,45 mg/kg) en vooral moederstof in stro (0,46 mg/kg). Voor de aangetroffen triazolylmetabolieten van epoxiconazool is in het verleden voldoende aangetoond dat deze toxicologisch niet relevant zijn. Er worden dan ook geen verdere gegevens gevraagd voor blad-, wortel- en graangewassen.

 

Daarnaast werd in augustus 2003 een nieuwe studie geleverd, uitgevoerd met
400 g w.s./ha: epoxiconazool gelabeld als [U-14C]-fluorofenyl- of [U-14C]-chlorofenyl-epoxiconazool. Radijs (wortelgewas), sla (bladgewas) en tarwe (graangewas) werd gezaaid of geplant 30, 120 en 365 dagen na behandeling van de grond. Onder deze omstandigheden bestond het meest voorkomende toxicologisch relevante residu uit epoxiconazool moederstof tot een concentratie van 0,024 mg/kg in radijs, sla en graankorrels. In graanstro werden wel relevante residuen gevonden tot  0,192 mg/kg epoxiconazool moederstof; deze zijn echter beduidend lager dan de residuniveaus die gevonden worden indien graan als primair gewas wordt geteeld.

 

De laatste studie is uitgevoerd met een 2,4x overdosering, zodat hiermee met voldoende zekerheid is vastgesteld dat onder praktijkomstandigheden geen residuen in volggewassen boven de LOQ van 0,05 mg/kg zullen optreden.

       Vervoedering

Met de inname van stro (maximaal residu 6 mg/kg) en bietenblad+toppen (maximaal residu 0,72 mg/kg) komt de dieet inname bij melkkoeien en vleeskoeien op respectievelijk
2,75 mg/kg voer en 4,84 mg/kg voer. Dit is equivalent met 54,9 mg/dier/dag (melkkoeien) en 72,6 mg/dier/dag (vleeskoeien).

 

In C-139.3.10 (november 2003) zijn op basis van maximale residuwaarden in stro van
6 mg/kg, MRL’s voor verschillende dierlijke producten afgeleid. Hiervoor is gebruik gemaakt van de residuwaarden zoals gevonden in metabolismestudies met melkgeiten uitgaande van de laagste dosering (17 mg/kg voer). De volgende MRL’s werden afgeleid: spieren (0,01 mg/kg), vet (0,05 mg/kg), nieren (0,2 mg/kg), lever (1,0 mg/kg) en melk (0,02 mg/kg).


 

Op basis van de nu geleverde vervoederingsstudies met melkkoeien kan enige verfijning worden aangebracht. Het onderzoek is gedaan met drie melkkoeien per dosering. Er is gekeken bij drie doseringen epoxiconazool: 4,1 12,2 en 41 mg/kg voer. Dit is equivalent met 75, 225, 750 mg/dier/dag. Bij gebruik volgens Good Agricultural Practice kan uitgegaan worden van de laagste geteste dosering. De gevonden maximale residuwaarden waren: spieren (<0,01 mg/kg), vet (<0,01 mg/kg), nieren (<0,01 mg/kg), lever (0,04 mg/kg) en melk (0,002 mg/kg).

 

Op basis van de geleverde vervoederingsstudie met melkkoeien wordt voorgesteld de MRL voor epoxiconazool in dierlijke producten op de LOQ (0,01 mg/kg, methode 332) te zetten, behalve voor lever waarvoor een MRL van 0,05 mg/kg wordt voorgesteld.

 

Processinggegevens

 

Gelet op het geringe residugehalte in granen en bieten en de kleine opvulling van de ADI is een processingstudie niet noodzakelijk.

Afleiden MRL’s

 

Voor epoxiconazool zijn nog geen geharmoniseerde MRLs vastgesteld.

Suikerbieten worden slechts na processing tot suiker, geconsumeerd door mensen. Aangenomen wordt dat bij deze processing geen residuoverdracht naar het product suiker plaatsvindt. Er worden geen MRL’s voorgesteld voor suiker en suikerbieten. Voor rode bieten wordt een MRL voorgesteld van 0,05* mg/kg.

 

Gewas/

Dierlijk product

 

MRL (mg/kg)

graan #

0,05*     (RR: 0,1)

rode biet ##

0,05*

vlees

0,01*

nier

0,01*

lever

0,05

vet

0,01*

melk

0,01*

# In de Regeling Residuen van de Bestrijdingsmiddelenwet is voor epoxiconazool op granen reeds een MRL van 0,1 mg/kg opgenomen. Deze hogere MRL-waarde is gebruikt in de dieetberekeningen.

## In de Regeling Residuen van de Bestrijdingsmiddelenwet is voor epoxiconazool op overige producten reeds een MRL van 0,05* mg/kg opgenomen. De residuproeven met bieten bevestigen deze MRL voor rode bieten.

 

Afleiden ADI

 

De ADI wordt afgeleid van de NOAEL voor epoxiconazool uit de 52-weken studie met de hond van 1,1 mg/kg lg/dag. Met een veiligheidsfactor van 100 bedraagt de
ADI 0,01 mg/kg lg/dag.

 

Afleiden ArfD

 

De ARfD is afgeleid van de teratogeniteitstudie met de rat met een NOAEL van
5 mg/kg lg/dag gebaseerd op maternale en foetotoxische effecten. Met een veiligheidsfactor van 100 bedraagt de ARfD 0,05 mg/kg lg.


 

Chronische dieetberekening

 

Teneinde de toelaatbaarheid van de voorgestelde residutoleranties te toetsen aan de Nederlandse consumptiegegevens en aan de voorgestelde ADI werden
NTMDI-berekeningen uitgevoerd. Hierbij werd gebruik gemaakt van Nederlandse consumptiegegevens en bovenstaande MRL’s.

 

Uit de TMDI berekening blijkt dat de ADI voor de algemene bevolking voor 3,5% wordt opgevuld en voor kinderen van 1-6 jaar voor 8,6%. Aangezien de ADI niet wordt overschreden bij toepassing van epoxiconazool op granen en bieten is berekening van de NEDI (National Estimated Dialy Intake) niet noodzakelijk.

 

Acute dieetberekening

 

Teneinde de toelaatbaarheid van de voorgestelde residutoleranties te toetsen aan de voorgestelde ARfD werden NESTI-berekeningen uitgevoerd. Hierbij werd gebruik gemaakt van Nederlandse consumptiegegevens (‘large portion sizes’; 97,5 percentiel uit consumptie data), ‘unit weights’ uit Groot Britannië en bovenstaande residugetallen. Uitgaande van een residuniveau van 0,05 mg/kg wordt de ARfD opgevuld voor maximaal 0,8% en 2,3% voor respectievelijk de algemene bevolking en kinderen van 1 tot 6 jaar.

 

Gezien de verwachte verdere afname tijdens de raffinage van suikerbieten tot suiker wordt een verwaarloosbare opvulling van de ARfD via consumptie van suiker voor de algemene bevolking en voor kinderen van 1-6 jaar ingeschat.

 

Conclusie risico volksgezondheid voor de stof epoxiconazool

 

De innameberekening voor epoxiconazool laat zien dat de dagelijkse inname voor de algemene bevolking en kinderen van 1 tot 6 jaar slechts een klein gedeelte van de ADI en ARfD opvult. Er is derhalve geen onaanvaardbaar risico voor de volksgezondheid te verwachten.

 

       Ontbrekende gegevens epoxiconazool

 

Er zijn geen ontbrekende gegevens.

 

Fenpropimorf

 

Fenpropimorf is een oude stof die in behandeling is in de EU voor Annex I plaatsing. Fenpropimorf is voor het laatst door het College behandeld in C-144.3.11 (APRIL 2004) en daarvoor in C-129.3.9 (januari 2003). In C-129.3.9 is door het College een vervoederingsstudie met de koe gevraagd als voorwaarde voor toelating van nieuwe middelen op basis van fenpropimorf op vervoederbare gewassen.

Onderstaande beoordeling is gebaseerd op de residugegevens samengevat door de JMPR (1995, 1999), aanvullende gegevens voor deze uitbreidingsaanvraag samengevat door NOTOX (rapport nr. 04/0270, datum dagtekening18 maart 2004) en C-144.3.11.

 

Metabolisme van planten

 

Door de JMPR [1995] zijn verschillende metabolismestudies beschreven met granen en metabolismestudies in de volggewassen spinazie, graan en suikerbiet. Metabolisme van fenpropimorf in planten vindt plaats door oxidatie en vervolgens afbraak van de morfolinoring. Daarnaast bestaat een minder belangrijke route waarin het morfolino-deel van de tertiar butylfenylpropionzuur wordt afgesplitst.

 

Gerstbladeren werden behandeld met 900 g w.s./ha middels een spraybehandeling van de bladeren met 14C-fenpropimorf. Van de opgebrachte radioactiviteit werd 65% teruggevonden op de bladeren op de dag van toepassen, waarvan 95% vrij fenpropimorf was. Na 20 dagen was slechts 16% van de radioactiviteit nog op de bladeren aanwezig, waarvan 65% vrij fenpropimorf.

 

Tarwe werd behandeld met 1300 g w.s./ha 14C-fenpropimorf. Na 84 dagen werd in het stro tot 11,9 mg eq/kg aangetroffen waarvan 22% uit vrij fenpropimorf en 26% uit BF 421-7 bestond.

Alle andere metabolieten maakten minder dan 10% van het totale residu uit.

Na 81 dagen bevatte het graan residuen tot 0,43 mg eq/kg; concentraties vrij fenpropimorf en alle metabolieten waren beneden 0,05 mg/kg.

 

Een tweede studie met tarwe waarin de planten met 750 g w.s./ha 14C-fenpropimorf waren behandeld, liet zien dat 56 dagen na toepassen 10,9 mg eq/kg aanwezig was in stro waarvan vrij fenpropimorf het enige relevante metaboliet boven 10% van het totaal residu was. In graan werd 0,01 tot 0,05 mg eq/kg extraheerbaar residu gevonden, wat 12,9% van het totaal residu was.

 

Er werden ook metabolismestudies met volggewassen uitgevoerd. Suikerbiet, spinazie en tarwe werd 100 dagen na het toepassen van 750 g w.s./ha 14C fenpropimorf gezaaid. De afbraak van fenpropimorf verliep in alle gewassen gelijk, na 26 dagen werd geen residu meer waargenomen boven de LOQ van 0,05 mg/kg.

 

Voor de uitbreidingsaanvraag van Opus Team is een metabolismestudie geleverd met biet. Metabolieten werden bepaald in bietbladeren (15,2% fenpropimorf, 10% BF 421-1-glucoside, 14% BF 421-1-cellobiuronzuur en 16% BF 421-1-glucose-sulfaat) en in bietwortels (14% fenpropimorf en 4,6% BF 421-1-glucose-sulfaat). Overige metabolieten kwamen voor in hoeveelheden < 0,05 mg eq/kg en/of < 10% van het totaal radioactief residu.

 

Metaboliet BF 421-1 komt voor in het metabolisme van proefdieren (rat, landbouwhuisdieren), derhalve wordt aangenomen dat sulfaat en/of glucoseconjugaten van deze metaboliet minder toxisch voor zoogdieren zijn en sneller uit het lichaam worden geëlimineerd.

 

Metabolisme, dieren

 

De JMPR [1994] heeft studies samengevat die door BASF geleverd zijn met lacterende geiten. De dieren kregen 10 dagen lang 0,68 mg/kg fenpropimorf in het voer. Tot 60% werd uitgescheiden via de faeces, tot 20% via de urine. Plateauwaardes werden bereikt voor melk, lever, nier, vlees en vet van respectievelijk 0,007, 0,103, 0,029, 0,004 en 0,012 mg eq./kg.

Twee dieren kregen 5 dagen achtereen 1830 mg/kg fenpropimorf via het voer toegediend, één  als [14C-phenyl]fenpropimorf en één als [14C-morfolino]fenpropimorf. Er werd

14-21% uitgescheiden via de urine en 20-29% via de faeces.

In deze geitstudie werden 6 (bij labeling met [14C-fenyl]gelabeld fenpropimorf) of 5 (bij labeling met [14C-morfolino]gelabeld fenpropimorf) metabolieten gevonden in de melk die samen voor 76-66% van het totaal residu uitmaakten. In geiten gelabeld met
14C-[morfolino]­fenpropimorf, werden BF 421-2 en 3  aangetroffen die voor 17-7% van het totaal residu uitmaakten. De voornaamste metaboliet in vlees en lever was BF 421-2.

In nieren waren het voornaamste metabolieten BF421-2 en 3, in vet waren dat
BF421-1, 2 en 3.

De maximale concentratie die werden bereikt voor melk, lever, nier, vlees en vet waren respectievelijk 9,7-23,1, 140-124, 233-53, 4-20 en 4-20 mg eq./kg.

 

       Residudefinitie plantaardige producten

 

In metabolismestudies met planten, waaronder bieten, was fenpropimorf het overheersende residu direct na toepassing. Zelfs ten tijde van de oogst is het aandeel fenpropimorf nog altijd minimaal drie keer zo groot als de andere metabolieten. Daarom wordt als residudefinitie voor zowel de risicoschatting als handhavingsdoeleinden voorgesteld: fenpropimorf (dit komt overeen met de Regeling Residuen).

 

       Residudefinitie voor dierlijke producten

 

Uit de metabolismegegevens uit de JMPR (1995) blijkt dat fenpropimorf zelf nauwelijks in dierlijke producten voorkomt (alleen in nieren van kippen). BF 421-2 (fenpropimorf carboxylzuur) is de enige metaboliet die in zowel vet, melk, vlees, nieren en lever van herkauwers voorkomt. Daarnaast worden  BF 421-1 en  BF 421-3 in lage concentraties  aangetroffen in weefsels van herkauwers. De JMPR 1999 heeft in haar evaluatie aangegeven dat BF 421-2 de enige relevante component is voor monitoring en voor risicoberekening (dit komt overeen met de Regeling Residuen).

 

       Residuen

 

Opus Team dient te worden toegepast in een dosering van 250 g fenpropimorf/ha, maximaal 2 toepassingen per seizoen met een interval van 21 dagen en een PHI van
42 dagen.

Van veldstudies uitgevoerd met biet in Noord-Europa zijn er 6 met de juiste interval en PHI uitgevoerd, alhoewel de dosering 1,5 keer zo hoog is als voorgeschreven in het Wettelijk Gebruiksvoorschrift en Gebruiksaanwijzing. In bieten zijn de residuen ten tijde van oogst onder de detectiegrens van < 0,05 mg/kg, en daarmee zijn de proeven uitgevoerd met een overdosering acceptabel voor het inschatten van residuen in biet. In bietbladeren zijn wel residuen gemeten in de studies met
1,5x overdosering, die als ‘worst-case’ schatting voor de dieetinname van landbouwhuisdieren bij toepassing volgens Good Agricultural Practice (GAP) gebruikt kunnen worden: 2x0,06, 2x0,07, 0,08, 0,09 mg/kg.

 

De resultaten uit deze residuproeven kunnen worden gebruikt voor suikerbieten, voerderbieten en rode bieten.

 

In eerdere beoordelingen is reeds vastgesteld dat in graanstro residuen tot 5 mg/kg worden gevonden, terwijl in graankorrels geen residuen boven de detectielimiet van 0,05 mg/kg zijn aangetroffen.

 

Vervoederingsstudies

Vervoederingstudies zijn benodigd voor herkauwers, omdat residuen tot 5,0 mg/kg in stro van graan werd gedetecteerd. Op grond van de theoretische innameberekening kan worden verwacht dat maximaal 3,8 mg/kg voedsel door vleesvee wordt ingenomen.

 

Op grond van de metabolismestudies met de geit uitgevoerd met 0,68 mg/kg voer of
1830 mg/kg voer kan geen goede voorspelling worden gedaan voor het residugehalte in dierlijke consumptieproducten. Uit een nieuw-geleverde vervoederingsstudie met de koe blijkt dat bij een dosering van 5,2 mg/kg fenpropimorf in het dieet de volgende maximale en gemiddelde residuniveaus van BF-421-2 werden gemeten:

 


 

Tabel T.3 Maximale en gemiddelde residuniveaus van BF-421-2

Dierlijk product

Maximaal residuniveau

(mg/kg)

Gemiddeld

residuniveau

(mg/kg)

Vlees runderen, varkens, geiten en schapen

0,05

0,03

Vet runderen, varkens, geiten en schapen

0,02

0,02

Nier runderen, varkens, geiten en schapen

0,11

0,09

Lever runderen, varkens, geiten en schapen

0,94

0,75

Melk

0,023

0,010

 

Vervoederingstudies met pluimvee zijn niet noodzakelijk omdat het residu in granen slechts maximaal 0,05 mg/kg bedraagt.

 

Monsterstabiliteit

 

Er is een nieuwe monsterstabiliteitstudie met graan geleverd, geëvalueerd door NOTOX (2004). Fenpropimorf is stabiel gedurende bewaring bij –20°C voor minimaal 2 jaar in zowel groene plant, graankorrels als stro. Daarmee is monsterstabiliteit in waterige, zetmeelhoudende en droge matrices aangetoond waarmee ook voor de residuproeven met biet de monsterstabiliteit voldoende is aangetoond. In de JMPR (1999) zijn monsterstabiliteitsdata met dierlijke producten geëvalueerd, die zijn bepaald parallel aan de geëvalueerde vervoederingstudie met de koe. Monsterstabiliteit van metaboliet BF 421-2 is 66-92% voor de verschillende weefsels.

 

Processing

 

De JMPR (1999) heeft residuproeven met banaan geëvalueerd na toepassing van
4 x 0,54 kg w.s./ha, waarin ook de residuen in geschilde bananen zijn bepaald: de processingfactor bedraagt ongeveer een factor 3. Residuen in geschilde bananen waren:

4x<0,05, 0,06, 0,08, 0,14, 0,18, 0,28, 0,29, 0,3, 0,43 mg/kg. HR = 0,43 mg/kg,

STMR = 0,11 mg/kg.

Processingstudies voor suikerbiet zijn niet noodzakelijk omdat de inname van fenpropimorf als gevolg van toepassing van Opus Team via geraffineerde suiker wordt verondersteld verwaarloosbaar te zijn.

 

Voorgestelde MRL

 

Voor fenpropimorf zijn reeds geharmoniseerde MRLs vastgesteld en deze zijn opgenomen in de Regeling Residuen. Suikerbieten worden slechts na processing tot suiker geconsumeerd door mensen. Aangenomen wordt dat bij deze processing geen residuoverdracht naar het product suiker plaatsvindt. Er worden geen MRLs voorgesteld voor suiker en suikerbiet.

Voor rode bieten wordt een MRL vastgesteld van 0,05* mg/kg (In de Regeling Residuen van de Bestrijdingsmiddelenwet is voor fenpropimorf op overige producten reeds een MRL van 0,05* mg/kg opgenomen. De residuproeven met bieten bevestigen deze MRL voor rode bieten).

 

Residuen van fenpropimorf kunnen via vervoedering terecht komen in landbouwhuisdieren. Uit de in de vervoederingsstudie met de koe gemeten maximale residuniveaus bij een dosering van 5,2 mg/kg droogvoer (1,4N) worden de volgende MRLs voor dierlijke producten afgeleid:


 

Tabel T.4 Maximale residuniveaus bij een dosering van 5,2 mg/kg droogvoer (1,4N)

Gewas/Dierlijk product

bestaande MRL

(mg/kg)

MRL voorstel

(mg/kg)

Vlees runderen, varkens, geiten en schapen

0,02

0,05

Vet runderen, varkens, geiten en schapen

-

0,02

Nier runderen, varkens, geiten en schapen

0,05

0,10

Lever runderen, varkens, geiten en schapen

0,3

1,0

Melk

0,01

0,02

 

Echter, aangezien fenpropimorf een oude stof is die nog niet op Annex I van 91/414/EEG is geplaatst, maar wel een geharmoniseerde stof is met definitieve EU-MRLs, mag Nederland in dit geval niet meteen een toelating afgeven. Er moeten nl. éérst nieuwe EU-MRLs worden vastgesteld.

Op 14 juni 2005 trekt de aanvrager de claim in voederbieten in. Verder verzoekt deze een waarschuwingszin op het etiket op te nemen. “Het loof van suikerbieten en rode bieten mag niet worden vervoederd”.

Hiermee is onderhavige aanvraag alsnog toelaatbaar voor suikerbieten en rode bieten.

 

Afleiden ADI

 

De relevante NOAEL is vastgesteld op 0,3 mg/kg lg/d o.b.v. een chronisch studie met de rat. Bij gebruik van een veiligheidsfactor van 100 bedraagt de ADI 0,003 mg/kg lg/d.

 

       Afleiden ArfD

 

Er wordt geen  ARfD voor fenpropimorf vastgesteld omdat de meest kritische effecten gevonden worden in een teratogeniteitstudie met het konijn met een voldoende hoge NOAEL van 15 mg/kg/dag. Dit is een factor 45 hoger dan de NOAEL waarvan de ADI is afgeleid, waardoor geen acuut risico wordt verwacht.

 

            Chronische dieetberekening

 

In C-144.3.11 (april 2004) worden nieuwe MRLs voorgesteld voor dierlijke producten (maar deze moeten nog worden vastgesteld in de EU; voor de huidige uitbreidingsaanvraag is wel met de hogere MRLs gerekend). In de Nederlandse Regeling Residuen staan verder MRLs vermeld voor aardbei, framboos, banaan, prei, spruiten, thee, hop, granen en eieren.  De NTMDI-berekening laat zien dat maximaal 80% en 245% van de ADI wordt opgevuld voor respectievelijk de algemene bevolking en kinderen van 1 tot 6 jaar.

 

Alleen consumptie van banaan, tarwe en melk resulteert in een opvulling van > 10% van de ADI:


 

Tabel T.5

Product  

MRL

Consumptie algemene bevolking

Consumptie kinderen 1-6 jaar

% van ADI

algemene bevolking

% van ADI

kinderen 1-6 jaar

 

(mg/kg)

(g/persoon/dag)

(g/persoon/dag)

0,19 mg/dag

0,051 mg/dag

Banaan

2

20

29

21

114

Tarwe

0,5

131

81

35

80

Melk

0,02

413

501

4,4

20

 

Een verfijning van de risicobeoordeling voor banaan en melk door gebruikmaking van de STMR-waarde in plaats van de MRL-waarde levert een aanzienlijke reductie op van residuen in het consumeerbare gedeelte. Voor tarwe is gerekend met de geharmoniseerde MRL van 0,5 mg/kg. Echter, residuproeven uitgevoerd in granen volgens cGAP van Opus Team of hogere doseringen laten zien dat in graankorrels geen residuen boven de detectielimiet van 0,05 mg/kg zijn aangetroffen (deze proeven zijn reeds eerder beoordeeld). Een berekening met een MRL van 0,05 mg/kg voor tarwe levert een aanzienlijke reductie op van de inname van residuen.

Met deze verfijning wordt de ADI voor maximaal 20% en 52% (gebaseerd op alle gewassen waar een MRL voor is afgeleid; in onderstaande tabel zijn alleen die gewassen gepresenteerd waarvoor een verfijning is uitgevoerd) opgevuld voor respectievelijk de algemene bevolking en kinderen van 1 tot 6 jaar. Een eventuele verdere verfijning van de innameberekening voor de overige producten zal leiden tot een nog lagere opvulling van de ADI.

 

Tabel T.6

Product  

STMR

Consumptie algemene bevolking

Consumptie kinderen 1-6 jaar

% van ADI

algemene bevolking

% van ADI

kinderen 1-6 jaar

 

(mg/kg)

(g/persoon/dag)

(g/persoon/dag)

(0,19 mg/dag)

(0,051 mg/dag)

Banaan

0,11 *

20

29

1,1

6,3

Tarwe

0,05

131

81

3,5

8,0

Melk

0,01 **

413

501

2,2

9,8

*     De STMR is afkomstig uit de JMPR (1999) en afkomstig van geschilde bananen

**   De STMR-waarde voor melk is bepaald uit de vervoederingstudie met koeien.

 

Conclusie risico volksgezondheid fenpropimorf

 

De innameberekening voor fenpropimorf laat zien dat de dagelijkse inname voor de algemene bevolking en kinderen van 1 tot 6 jaar minder zal zijn dan respectievelijk 20% en 52% van de ADI. Er is derhalve geen onaanvaardbaar risico voor de volksgezondheid te verwachten.


 

Conclusie risico volksgezondheid Opus Team

 

Op grond van de uitgevoerde chronische en acute innameberekening wordt geen onaanvaardbaar risico voor de volksgezondheid verwacht voor de uitbreiding van het toepassingsgebied van Opus Team naar de teelt van suikerbieten en rode bieten en kan Opus Team in principe worden toegelaten volgens het voorgestelde Wettelijk Gebruiksvoorschrift en Gebruiksaanwijzing.

De toelating in voederbieten is pas mogelijk nadat nieuwe EU-MRLs zijn vastgesteld voor fenpropimorf voor dierlijke producten.

Tevens dient de waarschuwingszin: “Het loof van suikerbieten en rode bieten mag niet worden vervoederd” op het etiket opgenomen te worden.

 

 

Etikettering humane toxicologie

 

Voorstel voor classificatie epoxiconazool (symbolen en R-zinnen)
(EU classificatie)

 

Symbool:

Xn

met als onderschrift: schadelijk

 

R-zinnen

R40

Carcinogene effecten zijn niet uitgesloten.

 

R62

Mogelijk gevaar voor verminderde vruchtbaarheid.

 

R63

Mogelijk gevaar voor beschadiging van het ongeboren kind.

 

Voorstel voor classificatie fenpropimorf (symbolen en R-zinnen)
(EU classificatie)

 

Symbool:

Xn

met als onderschrift: schadelijk

 

R-zinnen

R22

Schadelijk bij opname door de mond.

 

R38

Irriterend voor de huid.

 

R63

Mogelijk gevaar voor beschadiging van het ongeboren kind.



Voorstel voor classificatie en etikettering formulering met betrekking tot de gezondheid

 

Op basis van bovenstaand profiel van de stof, de geleverde formuleringstoxicologie voor het middel, de eigenschappen van de hulpcomponenten, de wijze van toepassen en de risicoschatting voor de toepasser wordt voorgesteld het middel als volgt te etiketteren:

 

(De in onderstaande tabel gebruikte nummering komt overeen met de nummering in het Collegebesluit, § IV, Verpakking en etikettering:)


 

1

Stoffen die met chemische benaming op het etiket moeten worden vermeld (andere zeer giftige, giftige, bijtende of schadelijke stoffen):

 

-

2c)

Gevaarsymbool:

Xn

aanduiding:

Schadelijk

 

R-zinnen

38

Irriterend voor de huid.

 

 

40

Carcinogene effecten zijn niet uitgesloten.

 

 

62

Mogelijk gevaar voor verminderde vruchtbaarheid.

 

 

63

Mogelijk gevaar voor beschadiging van het ongeboren kind.

 

S-zinnen

36/37

Draag geschikte handschoenen en beschermende kleding.

 

 

46

In geval van inslikken, onmiddellijk een arts raadplegen en verpakking of etiket tonen.

2d)

Specifieke vermeldingen:

DPD-zinne

-

-

2f)

Gewasbeschermings-middelenzin:

DPD-zin

DPD01

Volg de gebruiksaanwijzing om gevaar voor mens en milieu te voorkomen

 

Eventuele toelichting op verschil met voorstel aanvrager/huidige etikettering:

Gevaarsaanduiding:

-

R-zinnen:

R38 is toegekend op basis van een huidirritatiestudie, geleverd bij de oorspronkelijke aanvraag tot toelating van Opus Team.

S-zinnen

-

Overige:

-

 

 

Profiel milieuchemie en -toxicologie

 

Voor het aspect milieu is de aanvraag vereenvoudigd beoordeeld.

 

Het middel Opus Team, op basis van epoxiconazool en fenpropimorf , is reeds toegelaten als herbicide in de teelt van wintertarwe, zomertarwe, wintergerst, zomergerst en winterrogge. De huidige vereenvoudigde uitbreidingsaanvraag betreft het gebruik van

Opus Team als herbicide in de teelt van suikerbieten, voederbieten en rode bieten.

 

 

Beoordeling van het risico voor het milieu

 

De aangevraagde dosering voor gebruik in de teelt bieten is 0,084 kg w.s./ha epoxiconazool en 0,25 kg w.s./ha fenpropimorf per toepassing met een maximale frequentie van twee keer per seizoen en een interval van 21 dagen in de periode juni tot en met september.

De dosering voor gebruik in de teelt van granen is 0,126 kg w.s./ha epoxiconazool en

0,375 kg w.s./ha fenpropimorf bij een maximale frequentie van twee keer per seizoen en een interval van 14-21 dagen in het voorjaar. 

 


 

De totale dosering na twee toepassing in de teelt van bieten is maximaal 0,168 kg w.s./ha per seizoen voor epoxiconazool en 0,5 kg w.s./ha per seizoen voor fenpropimorf is daarmee lager dan de totale dosering na twee toepassingen van maximaal 0,252 kg w.s./ha per seizoen voor epoxiconazool en 0,75 kg w.s./ha per seizoen voor fenpropimorf in granen. 

 

Een overzicht van de risico's per deelaspect wordt gegeven in tabel M.1.

 

Tabel M.1 Toepassing in volle grond. Overzicht van risico's per aandachtspunt

Deelaspect Milieu

Aandachtspunt

Vergelijkbaar of lager risico

Motivering

Persistentie

 

ja

Dosering lager

Uitspoeling

Dosering

ja

Dosering lager

 

Frequentie

ja

Frequentie gelijk

 

interval

ja

Interval gelijk

 

Fractie op bodem

ja

Fractie bodem lager

 

Tijdstip (voorj./naj.)

ja

Tijdstip komt overeen

Waterorganismen

% Drift

ja

Drift gelijk

 

Tijdstip (voorj./naj.)

ja

Tijdstip komt overeen

Vogels, zoogdieren

Dosering

ja

Dosering lager

 

Gewas-dier combinatie

n.v.t.

Hoeft niet getoetst

 

Residu per Unit Dose

standaard

Belasting lager

Bijen

Dosering

ja

Dosering lager

Niet-doelwit arthropoden

Dosering

ja

Dosering lager

 

Frequentie

ja

Frequentie gelijk

Regenwormen

Dosering

ja

Dosering lager

 

Frequentie (sublethaal onderzoek nodig?)

ja

Frequentie gelijk

 

Fractie op bodem

ja

Fractie bodem lager

Bodemmicro-organismen

Dosering

ja

Dosering lager

 

Fractie op bodem

ja

Fractie bodem lager

Emissie naar RWZI

Dosering, fractie op bodem

n.v.t.

Geen toepassing in kassen

 

Conclusie milieu

 

De dosering van Opus Team in de teelt van suiker-, voeder-, en rode bieten is lager dan de dosering in de teelt van wintertarwe, zomertarwe, wintergerst, zomergerst en winterrogge. De frequentie is gelijk, evenals het toepassingsseizoen. Derhalve is de aangevraagde toepassing toelaatbaar via de vereenvoudigde uitbreidingsprocedure.

 


 

Conclusie

 

Bij gebruik volgens het Wettelijk Gebruiksvoorschrift en Gebruiksaanwijzing is het middel Opus Team, op basis van fenpropimorf en epoxiconazool, voldoende werkzaam en heeft het geen schadelijke uitwerking op de gezondheid van de mens en het milieu (artikel 3 en 3a Bestrijdingsmiddelenwet 1962).

 

Etikettering:

Gevaarsymbool:         Xn        aanduiding:     Schadelijk

N         aanduiding:    Milieugevaarlijk

 

R-zinnen:                    38        Irriterend voor de huid.

40               Carcinogene effecten zijn niet uitgesloten.

51/53   Vergiftig voor in het water levende organismen; kan in het aquatisch milieu op lange termijn schadelijke effecten veroorzaken.

62        Mogelijk gevaar voor verminderde vruchtbaarheid.

63        Mogelijk gevaar voor beschadiging van het ongeboren kind.         

S-zinnen:                    21        Niet roken tijdens gebruik

36/37   Draag geschikte handschoenen en beschermende kleding.

46               In geval van inslikken, onmiddellijk een arts raadplegen en        verpakking of etiket tonen.

61        Voorkom lozing in het milieu. Vraag om speciale instructies/         veiligheidsgegevenskaart.

 

DPD-zinnen:              DPD01            Volg de gebruiksaanwijzing om gevaar voor mens en milieu te voorkomen.

 

Voor een toekomstige beoordeling dienen de volgende gegevens geleverd te worden:

 

Fysische en chemische eigenschappen

 

Een gevalideerde analysemethode voor lucht, voor zowel fenpropimorf als epoxiconazool.


 

Besluit

 

·       Het College besluit de aanvraag tot uitbreiding van het bestrijdingsmiddel Opus Team, 20000472 UG, op basis van epoxiconazool en fenpropimorf, toegepast als schimmelbestrijdingsmiddel in de teelt van suikerbieten en rode bieten, te honoreren op grond van artikel 3 en 3a van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962.

·       De etikettering wordt aangepast; R38 (Irriterend voor de huid) wordt toegevoegd.

·       De etikettering wordt als volgt:

Gevaarsymbool:         Xn        aanduiding:     Schadelijk

N         aanduiding:    Milieugevaarlijk

R-zinnen:                    38        Irriterend voor de huid.

40        Carcinogene effecten zijn niet uitgesloten.

51/53  Vergiftig voor in het water levende organismen; kan in het aquatisch milieu op lange termijn schadelijke effecten veroorzaken.

62        Mogelijk gevaar voor verminderde vruchtbaarheid.

63        Mogelijk gevaar voor beschadiging van het ongeboren kind.          

S-zinnen:                    21        Niet roken tijdens gebruik.

36/37   Draag geschikte handschoenen en beschermende kleding.

46         In geval van inslikken, onmiddellijk een arts raadplegen en verpakking of etiket tonen.

61        Voorkom lozing in het milieu. Vraag om speciale instructies/ veiligheidsgegevenskaart.

DPD-zinnen:              DPD01            Volg de gebruiksaanwijzing om gevaar voor mens en milieu te voorkomen.

 

 

Wageningen, 29 juli 2005

 

 

HET COLLEGE VOOR DE TOELATING VAN BESTRIJDINGSMIDDELEN,





(voorzitter)