Datum: 13 september 2007

Opsteller: Mari Marinussen

Akkoord secretaris:


Vastgesteld door College

Datum: 1 oktober 2007

Voorzitter:


            (HER)BEOORDELING NIET-GEPRIORITEERDE GEWASBESCHERMINGSMIDDELEN EN BIOCIDEN

                Safari, 11754 N

 

Ingevolge het door u op woensdag 13 juni 2007 (C-182.4) vastgestelde Plan van Uitvoering voor de (her)beoordeling van niet-geprioriteerde gewasbeschermingsmiddelen en biociden, zijn reeds toegelaten gewasbeschermingsmiddelen en biociden geëvalueerd. De evaluatie heeft plaatsgevonden conform de werkwijze en procedure die in de notitie “Aanwijzingen (her)beoordeling niet-geprioriteerde gewasbeschermingsmiddelen en biociden is beschreven (11 juli 2007, C-183.5). Bijgaande treft u het beoordelingsrapport aan van het gewasbeschermingsmiddel Safari (11754 N).

 

Voor dit gewasbeschermingsmiddel is een aanvraag als bedoeld in artikel 25d Bestrijdingsmiddelenwet 1962 ingediend. Dit middel bevat de werkzame stof triflusulfuron-methyl. Het voor een beoordeling van dit middel verschuldigde tarief is op 13-08-2007 ontvangen. Uit het beoordelingsrapport volgt dat de effecten van het middel op mens, dier en milieu aanvaardbaar zijn, gelet op het gehanteerde toetsingskader.

 

Uit de beoordeling blijkt dat het middel in beginsel niet geplaatst kan worden op de lijst als bedoeld in artikel 122, lid 1. In overleg met de toelatinghouder wordt voorgesteld het WG/GA als volgt te wijzigen:

In geval van toevoeging aan een standaardmiddel van het lage doseringssysteem dient op het etiket de volgende zin opgenomen te worden:

Toepassing is uitsluitend toegestaan met 75% driftreducerende doppen.

 

Met deze maatregel voldoet het middel alsnog aan de uitgangspunten voor de plaatsing op de lijst als bedoeld in artikel 122, lid. Voorgesteld wordt om in te stemmen met deze wijziging van het gebruiksvoorschrift, zoals verwoord in het hoofdstuk Etikettering en WG/GA van het beoordelingsrapport.

 

Voorgesteld wordt om het middel op te nemen in de lijst als bedoeld in artikel 122, lid 1 Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden.

 

Een parallelle en afgeleide toelating volgt het toelatingsregiem van het gewasbeschermings-middel waar het van is afgeleid. Van het hier beoordeelde gewasbeschermingsmiddel is geen gewasbeschermingsmiddel afgeleid dan wel parallel toegelaten.

 

Voor de verdere toelating van het middel Safari (11754 N) moet een nieuwe toelatingstermijn worden vastgesteld. Gelet op het Europese beoordelingsprogramma voor de beoordeling van werkzame stoffen wordt voorgesteld een periode voor verdere toelating vast te stellen die aansluit op het tempo waarin het Europese beoordelingsprogramma wordt afgerond. Het Ctb stelt de toelatingstermijn daarom vast totdat uiterlijk uitvoering moet zijn gegeven aan de communautaire maatregel met betrekking tot de opname van de werkzame stof in de Bijlage I van de Gewasbeschermingsmiddelenrichtlijn 91/414/EEG.

 


Besluit

 

Het Ctb besluit:

-          Het gewasbeschermingsmiddel Safari (11754 N) wordt opgenomen in de lijst als bedoeld in artikel 122, lid 1 Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden;

-          Een nieuw WG/GA vast te stellen conform bijlage 2;

-          Het middel wordt toegelaten voor de termijn die afloopt op de dag dat uiterlijk uitvoering moet zijn gegeven aan de communautaire maatregel betreffende de opname van de werkzame stof triflusulfuron-methyl in Bijlage I van richtlijn 91/414/EEG.

 


 

 

(HER)BEOORDELING NIET-GEPRIORITEERDE GEWASBESCHERMINGSMIDDELEN EN BIOCIDEN

 

BEOORDELINGSRAPPORT

 

GEWASBESCHERMINGSMIDDEL

 

 

 

SAFARI, 11754 N

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

College voor de toelating van bestrijdingsmiddelen

Wageningen


INHOUDSOPGAVE

 

 

Inleiding

Beschrijving van het reeds toegelaten middel

Risico-evaluatie HUMANE TOXICOLOGIE

Risico-evaluatie MILIEU

Eindconclusie

Etikettering en WG/GA

Bijlage 1 GAP tabel

Bijlage 2. Nieuw WG/GA

 

 




INLEIDING

 

In artikel 122 van  de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden is een voorziening getroffen om (toegelaten) een middel met een niet-geprioriteerde werkzame stof op een lijst te plaatsen en de toelating van dat middel te verlengen totdat voldaan moet zijn aan het bepaalde in de communautaire maatregel betreffende de werkzame stof. Om voor deze toelating in aanmerking te komen moet er een aanvraag zijn ingediend op grond van artikel 25d van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 en moet bij de verdere toelating van het middel naar behoren rekening worden gehouden met de effecten van dat middel op de mens, het dier, alsmede op het milieu, op basis van een dossier dat de nodige informatie bevat.

 

In dit kader is een doelmatige en doeltreffende werkwijze en procedure vastgesteld in het Plan van Uitvoering van 13 juni 2007. De beoordeling is uitgewerkt in de notitie “Aanwijzingen voor de (her)beoordeling van niet-geprioriteerde gewasbeschermingsmiddelen en biociden”. De voor dit middel uitgevoerde evaluatie, waarvan in dit beoordelingsrapport verslag wordt gedaan, strekt ertoe zeker te stellen dat de betrokken middelen inderdaad elk afzonderlijk afdoende op hun risico’s zijn beoordeeld.

 

 

BESCHRIJVING REEDS TOEGELATEN MIDDEL EN MEEST KRITISCHE TOEPASSING

 

Toegestaan is uitsluitend het gebruik als onkruidbestrijdingsmiddel

 

 

De meest kritische toepassing, waarbij  het meeste risico verwacht wordt, is de toepassing in suikerbieten en voederbieten.

 

 

Plaatsing annex I 91/414

nee

 

Toetsingskader

HTB 0.2

RISICO-EVALUATIE HUMANE TOXICOLOGIE

 

De toxicologie en het risico voor de toepasser en volksgezondheid van het middel SAFARI, op basis van de stof triflusulfuron-methyl, is in Nederland in 1996 beoordeeld (C-50.3.11).

Er is nog geen EU-DAR beschikbaar.

 

 

Toepassingsgegevens

SAFARI is een onkruidbestrijdingsmiddel op basis van de werkzame stof rimsulfuron dat gebruikt wordt in de teelt van suikerbieten en voederbieten, en in pennen- en zaadteelt van witlof en cichorei.

 

Meest kritische toepassing(en)

Gebruik in de teelt van suikerbieten en voederbieten.

 


Verwachte blootstelling en risico toepasser/herbetreder/omstander

 

Onderstaande tekst m.b.t. de toepassing op suikerbieten en voederbieten is overgenomen uit C-50.3.11

 

 

Een risico-evaluatie voor de werkplek voor het middel SAFARI is opgesteld door TNO (1996).

N.B.: Ten tijde van het opstellen van deze risico-evaluatie waren nog niet alle gegevens m.b.t. genotoxiciteit en mechanisme van tumorvorming in de testes van de rat door het RIVM samengevat. TNO maakt derhalve in het huidige advies nog een voorbehoud m.b.t. carcinogeniteit. N.a.v. de laatste versie van de RIVM samenvatting kan de reserve m.b.t. carcinogeniteit echter vervallen.

 

Gezondheidskundig toelaatbaar geachte blootstelling (Acceptable Operator Exposure Level AOEL)

 

Voor de berekening van de AOEL is uitgegaan van de NOAEL uit de chronische studie met de rat van 3,1 mg/kg lg/d.

 

Verder zijn de volgende assessmentfactoren toegepast:

 

biologische beschikbaarheid via de orale route                   : 60%

Laagste beschikbare waarde voor uitscheiding

via de urine na orale toediening.

biologische beschikbaarheid via de dermale route             : 10%

Er zijn geen experimentele gegevens m.b.t.

dermale penetratie beschikbaar. Gezien het

molecuulgewicht van 492 wordt 10% als een

reasonable worst case beschouwd.

biologische beschikbaarheid via de inhalatoire route          : 100%

worst case

gewicht toepasser                                                                : 70 kg

extrapolatie rat Ţ mens o.b.v. calorische behoefte                        : 4

overige interspecies verschillen                                          : 1

De NOAEL’s voor muis, rat en hond liggen in

dezelfde orde van grootte en worden bepaald
door overeenkomstige effecten. Daarom wordt
de factor 3 die normaliter wordt toegepast nu
niet gebruikt.

intraspecies verschillen                                                       : 3

kwaliteit dossier                                                                    : 1

 

Dit levert een AOEL-intern op van:

           3,1 x 0,6 x 70/(4x3)= 11 mg/persoon/werkdag

 

De AOEL-dermaal wordt dan 109 mg/persoon/werkdag en de AOEL-inhalatoir 11 mg/persoon/

werkdag.

 

Schatting van de blootstelling

SAFARI is een granulaat (dry flowable) o.b.v. 50% triflusulfuron-methyl. Het wordt toegepast voor onkruidbestrijding in de teelt van bieten in een dosering van 30 g/ha, in combinatie met reeds toegelaten middelen o.b.v. een drietal andere werkzame stoffen (fenmedifam, chloridazon, metamitron).

 

De inhalatoire en dermale blootstelling is geschat met het Nederlands model neerwaarts volvelds spuiten met een poedervormig middel, waarbij is aangenomen dat het granulaat 1% poeder bevat.

 

Geschatte blootstelling toepasser (mg/werkdag):

 

                                   inhalatoir         dermaal

mengen/laden            0,075               10

toepassen                  0,015                 3

totaal                          0,09                 13

 

Berekeningen volgens het Duitse en UK-model leiden niet tot andere conclusies.

 

N.B.: In het oorspronkelijke TNO-advies is de dermale blootstelling geschat o.b.v. de Nederlandse veldstudie met een vloeibaar middel. Nader contact met TNO leerde dat momenteel wel onderzocht wordt of het gedrag van een dry flowable formulering bij mengen/laden voldoende overeenkomt met het gedrag van een vloeistof om de Nederlandse veldstudie als uitgangspunt te kunnen nemen. Een definitief oordeel hieromtrent is nog niet gevormd. Daarom is in de onderhavige risico-evaluatie uitsluitend uitgegaan van het Nederlands model neerwaarts volvelds spuiten met een granulaat waarin 1% van de massa als poeder voorkomt.

 

Beoordeling toelaatbaarheid

De geschatte inhalatoire en dermale blootstelling blijven ruim onder de inhalatoire en dermale AOEL’s. Vanuit arbeidstoxicologisch oogpunt bestaat dan ook geen bezwaar tegen toelating van het middel SAFARI bij gebruik volgens het wettelijk gebruiksvoorschrift/gebruiksaanwij-zing.

 

De werkzame stoffen die in combinatie met SAFARI moeten worden gebruikt (fenmedifam, chloridazon en metamitron) zijn alle drie in de teelt van bieten toegelaten in doseringen die voor elke individuele stof kan oplopen tot meer dan 10 x de dosering die voor de combinatie met SAFARI wordt voorgeschreven. In vergelijking met het reeds toegelaten gebruik zijn er bij het gebruik van SAFARI dan ook geen extra risico’s te verwachten voor de toepasser

 

Gedetailleerde risico-evaluaties (toxicologische samenvatting en/of arbeidstoxicologische risico-evaluatie) voor de stoffen fenmedifam, chloridazon en metamitron zullen tijdens de verleende verlengingstermijn worden opgesteld. Definitieve uitspraken over het al dan niet aanvaardbaar zijn van verdere toelating van middelen op basis van fenmedifam, chloridazon en metamitron kunnen thans dan ook niet worden gedaan. Dit zal gebeuren bij de beoordeling van de verlenging van de betreffende stoffen. Ook zal in 1996 de samenvatting en evaluatie van fenmedifam in het kader van richtlijn 91/414/EEG (eerste prioriteitenlijst) worden afgerond.

 

Voorwaarde voor verlenging

Inmiddels is het dossier voor triflusulfuron-methyl in de EU volledig verklaard. Er zijn momenteel openstaande vragen.

 


Risicobeoordeling voor de werker (bij herbetreding)

Onderstaande tekst is overgenomen uit C-151.3.1

 

In de bestaande toepassing in suiker- en voederbieten wordt Safari toegepast middels neerwaarts spuiten in een dosering van 30 g/ha. Voor de toepassing in witlof en cichorei wordt dezelfde dosering voorgeschreven. Methode van toepassen en per werkdag maximaal te behandelen areaal zijn voor de bestaande toepassing en voor deze uitbreiding eveneens gelijk.

Blootstelling bij herbetreding zal aanzienlijk lager zijn dan de blootstelling bij toepassen en eveneens vergelijkbaar zijn met de reeds toegelaten toepassingen.


Er wordt als gevolg van de uitbreiding van de toelating van Safari in de teelt van witlof en cichorei geen extra risico voor de toepasser/werker ingeschat.

 

 

Risicobeoordeling voor de omstander

In C-50.3.11 en C-151.3.1 wordt geen uitspraak gedaan omtrent het risico voor de omstander tijdens toepassing.

Het is aannemelijk om te veronderstellen dat de blootstelling van de omstander tijdens toepassing lager zal zijn dan van de toepasser. Aangezien er geen risico voor de toepasser wordt berekend kan worden geconcludeerd dat er ook geen risico voor de omstander zal optreden.

 

Blootstelling via dieet

Onderstaande tekst is overgenomen uit C-151.3.1

 

Er zijn voor cichorei 5 residustudies beschikbaar. In wortel en blad werden geen residuen boven de detectielimiet van 0,02 mg/kg aangetroffen. Dit is ook het geval in de bestaande toepassing in suikerbieten. Residugegevens voor cichorei mogen worden geëxtrapoleerd naar witlof.

Als gevolg van dit lage residuniveau zijn gegevens met betrekking tot vervoedering niet nodig.

 

Er wordt als gevolg van de uitbreiding van de toelating van Safari in de teelt van witlof en cichorei geen extra risico voor de volksgezondheid ingeschat als gevolg van blootstelling aan residuen via de voeding.

 

Toxicologische grenswaarden

 

Referentie:

AOEL(systemisch)

0,16 (NL, C-50.3.11)

mg/kg lg

ADI

niet afgeleid*

mg/kg lg

ARfD

niet afgeleid**

mg/kg lg

* In C-50.3.11 en C-151.3.1 is geen ADI. In C-50.3.11 wordt vastgesteld dat de overall NOAEL 3.1 mg/kg lg/dag is. Deze overall NOAEL is afkomstig uit een chronische orale studie in de rat, en is gebaseerd op effecten op lich. gewicht, anemie, lever, testes, hypofyse, nervus ischiaticus.

 

Op basis van deze gegevens zal volgens de gangbare methode een ADI van 0.031 worden afgeleid.

 

** In C-50.3.11 en C-151.3.1 is geen ArfD afgeleid. In C-50.3.11 wordt vermeld dat stof en middel weinig toxisch zijn na eenmalige orale en dermale blootstelling. SAFARI is eveneens weinig giftig na eenmalige inhalatoire blootstelling. Verdere informatie over de acute toxiciteit wordt niet gegeven.

 

 

Samenvatting en conclusie toepasser/herbetreder/omstander

Er wordt als gevolg van het gebruik van Safari in de teelt van suiker- en voederbieten en van witlof en cichorei geen risico voor de toepasser/herbetreder/omstander ingeschat.

 

Samenvatting en conclusie volksgezondheid

Er wordt als gevolg van de toepassing van Safari in de teelt van suiker- en voederbieten, en witlof en cichorei geen risico voor de volksgezondheid ingeschat als gevolg van blootstelling aan residuen via de voeding.

 

Commentaar

Laatste inhoudelijke beoordeling: 1996 (NL, C-50.3.11), 2002 (C-151.3.1)

 

 

RISICO-EVALUATIE MILIEU

 

 

Voldoet aan UB: gedrag in bodem

Ja

Voldoet aan UB: gedrag in water

Ja

Voldoet aan UB: persistentie in bodem

Nee

Voldoet aan UB: grondwater

Nee

Voldoet aan UB: effecten op vogels

Ja

Voldoet aan UB: effecten op zoogdieren

Ja

Voldoet aan UB: effecten op waterorganismen

Nee

Voldoet aan UB: effecten op bijen

Ja

Voldoet aan UB: effecten op niet-doelwit arthropoden

Nee

Voldoet aan UB: effecten op regenwormen

Ja

Voldoet aan UB: effecten op microörganismen

Ja

Voldoet aan normen voor actief slib

Nvt

 

De stof is nog niet geplaatst op Annex I van de Richtlijn 91/414/EEG. Het toetsingskader is HTB0.2.

 

TOEPASSINGSGEGEVENS

 

Meest “kritische” toepassing(en)

Suikerbieten en voederbieten, ter bestrijding van onkruiden in combinatie met het lage doseringssysteem.

Spuiten op zeer jonge onkruiden, kiemblad- tot 2 echte bladstadium. Om een goede werking te verkrijgen dient het middel minimaal tweemaal te worden toegepast. VBO 6 juli 2000 spreekt van maximaal 4 toepassingen.

Dosering: 30 gram SAFARI /ha toevoegen aan de standaardmiddelen van het lage doseringssysteem.

Dosering GAP: 3 x 15 g/ha (7 d interval)

 


KWALITATIEVE BEOORDELING.

 

Persistentie bodem

Interimstudies naar metabolieten geleverd; voorlopige (geëxtrapoleerde) DT50 en Kom geleverd.

·         methyl saccharine;

·         triazine amine;

·         N-desmethyl triazine amine;

·         N,N-bis desmethyl triazine amine

Verschillende DT50-waarden van deze stoffen zijn >90 dagen. Deze metabolieten voldoen niet aan de UB; toetsting MTRbodem aan PEC10+2 is niet uitgevoerd; MTRs ontbreken.

Grondwater

Duidelijk zorg met betrekking tot grondwaternorm voor de metabolieten. Ongunstige verhouding DT50 en Kom, zodat de toepassingen niet voldoen aan Kom>-5,9+9,1*DT50, ondanks de lage dosering; vormingsfractie en relatieve molmassa. Risico voor grondwater in verband met te verwachten concentraties >0,01 µg/L.

Oppervlaktewater (drinkwaternorm)

Uit de algemene wetenschappelijke kennis die het Ctb heeft achterhaald over het middel en de werkzame stof is het Ctb van oordeel dat er in dit geval geen concrete aanwijzingen zijn voor zorg omtrent de gevolgen van dit middel bij gebruik conform het gebruiksvoorschrift voor oppervlaktewater waaruit drinkwater wordt gewonnen. In het licht van deze benadering verwacht het Ctb geen overschrijding van de drinkwaternorm. Er wordt voldaan aan de norm voor oppervlaktewater bestemd voor de bereiding van drinkwater zoals opgenomen in Bubg.

Waterorganismen

Beoordeling uit 1995 RIVM geeft aanvaardbaar risico aan voor trisulfuron zelf; maar wel risico voor de combinaties met metamitron; niet met fenmedifam. Olie of ethofumesaat is niet beoordeeld destijds.

Chronische toxiciteit vissen ontbrak; Health Canada rapporteert in 1999 21-d NOEC O. mykiss 210 mg/L.

Health Canada (1999) rapporteert NOEC algen van 36 µg/L en Lemna gibba 14-d NOEC 1,27 µg/L; EC50 2 µg/L. RIVM 1995 rapporteerde een NOEC algen 130 µg/L; geen data voor Lemna.

Dit betekent dat de risico’s voor waterorganismen een factor 100 groter zijn dan in de RIVM beoordeling van 1995 is aangenomen en dat er sprake is van een groot risico!

Geen gegevens voor tweede tier beschikbaar.

Diverse metabolieten >10% zijn niet beoordeeld op aquatische toxiciteit.

Zoogdieren

Het risico is niet in NL beoordeeld, maar is aanvaardbaar volgens de beoordeling van Health Canada (1999). Deze beoordeling is aanvaardbaar.

Vogels

Het risico is aanvaardbaar

Bijen en hommels

Het risico is aanvaardbaar

Niet-doelwit arthropoden

Geen gegevens RIVM 1995; noch in Health Canada 1999. Risicozin is noodzakelijk.

 

Regenwormen

Het risico is aanvaardbaar

Bodem microörganismen

Het risico is aanvaardbaar


 

Terrestrische planten

NOEC kieming (landbouwgewassen) 0,1366 g/ha; NOEC groei 0,03419 g/ha (IC25 0,5792 g/ha). Bron; Health Canada REG99-03.

Terrestrische planten zijn geen onderdeel van het toetsingskader volgens HTB0.2.

Actief slib RWZI’s

Nvt

Overige opmerkingen

In de EU beoordeling van metsulfuron-methyl (ECCO 47) wordt vastgesteld dat de metabolieten methyl saccharine en triazine amine relevant zijn verklaard in de eerdere beoordeling van thifensulfuron (ECCO 2). Vooralsnog zijn er geen redenen aan te nemen dat de desmethyl triazine metabolieten niet relevant zouden zijn voor grondwater.

.

 

 

GERAADPLEEGDE BRONNEN

Volledigheidsbeoordeling 6 juli 2000.

RIVM beoordeling 3864 1995

Health Canada PMRA Reg99-03

PSD beoordeling 1995 (Issue nr 139)

 

REACTIE TOELATINGHOUDER

 

De toelatinghouder levert als aanvullende informatie het recent verschenen concept DAR
(19 juli 2007) opgesteld door Frankrijk. Het DAR is nog niet geaccepteerd door EFSA en nog niet becommentarieerd door de lidstaten. Volgens toelatinghouder is het DAR goed bruikbaar voor beantwoording van de aspecten waarvoor gevonden is dat niet wordt voldaan aan de UB.

CTB: Er kan vooralsnog akkoord worden gegaan met het gebruik van de eindpunten uit het  concept DAR. Mocht echter na commentaar van EFSA en Nederland verandering van de eindpunten optreden, dan dient alsnog een nieuwe beoordeling plaats te vinden.

 

Persistentie bodem

In het DAR worden de metabolieten IN-D8526, IN-W6725, IN-E7710 en IN-M7222 als niet-relevant beschouwd of niet in de residudefinitie voor grond meegenomen op basis van de risicobeoordeling.

De metabolieten zijn niet-relevant indien de gegevens van de (eco)toxiciteit van de metabolieten getoetst worden met de criteria voor niet-relevantie van HTB 0.2:

·         Geen van de metabolieten heeft een herbicide werking van enig belang.

·         Geen van de metabolieten is toxisch voor vis, alg of Daphnia.

·         Geen van de metabolieten heeft een effect > 25% op bodemmicro-organismen.

·         De metabolieten IN-E7710 en IN-W6725 zijn niet toxisch voor regenwormen.  De metabolieten IN-D8526 en IN-M7222 zijn enigszins toxisch voor regenwormen (LD50 resp. 641 en 865 mg/kg), maar de TER is > 30000.

·         De genoemde metabolieten komen voor als metabolieten in de rat.

Aangezien de metabolieten niet-relevant zijn hoeft de persistentie in grond niet te worden getoetst. Er wordt voldaan aan de norm.

 

Grondwater

Uit het concept DAR blijkt dat de metabolieten IN-W6725 en IN-M7222 potentieel kunnen uitspoelen naar het grondwater. Beide zijn niet-relevant en hoeven niet getoetst te worden. Er wordt voldaan aan de norm.

 

 

Waterorganismen

Uit het concept DAR blijkt dat het bepalende eindpunt voor waterorganismen vooralsnog de LD50 voor Lemna is. Deze bedraagt voor een 50WG middel 2,2 µg w.s./L. De norm is 0
,22 µg/L. De PIEC is 0,20  µg/L . De normoverschrijding is 0,9. De metabolieten zijn niet toxisch voor waterorganismen.

Het middel wordt toegevoegd aan de standaardmiddelen van het lage doseersysteem. Voor bijv. Betanal Quattro is een hoogste normoverschrijding voor waterorganismen van 0,56 berekend. De totale normoverschrijding is 1,46. Derhalve mag de combinatie slechts gespoten worden met een 75% driftreducerende dop. Dit moet op het WG/GA vermeld worden.

 

Niet-doelwit arthropoden

Voor een vergelijkbare toepassing wordt in de concept DAR voldaan aan de norm (hierbij is rekening gehouden met de afwijkende drift in Nederland).

CTB: OK. 

 

 

Eindbevindingen

Vastgesteld is dat er geen onaanvaardbare effecten te verwachten zijn

 

In geval van toevoeging aan een standaardmiddel van het lage doseringssysteem dient op het etiket de volgende zin opgenomen te worden:

Toepassing is uitsluitend toegestaan met 75% driftreducerende doppen.

 

 

EINDCONCLUSIE

Vastgesteld is dat er geen onaanvaardbare effecten te verwachten zijn.

 

 

ETIKETTERING EN WG/GA

De huidige etikettering wordt gehandhaafd.

 

Het WG/GA wordt als volgt gewijzigd:

In geval van toevoeging aan een standaardmiddel van het lage doseringssysteem dient op het etiket de volgende zin opgenomen te worden:

Toepassing is uitsluitend toegestaan met 75% driftreducerende doppen.


Bijlage 1 GAP tabel

 




Bijlage 2 WG/GA

 

A.

WETTELIJK GEBRUIKSVOORSCHRIFT

 

Toegestaan is uitsluitend het gebruik als onkruidbestrijdingsmiddel

·         in de teelt van suikerbieten en voederbieten;

·         in de pennenteelt en zaadteelt van witlof en cichorei, mits niet meer dan 60 gram middel per ha per teelt of teeltseizoen wordt toegepast.

 

De toepassing is uitsluitend toegestaan met 75% driftreducerende doppen in geval van toevoeging aan (een) standaardmiddel(en) van het lage doseringssysteem.

 

 

B.

GEBRUIKSAANWIJZING

 

Algemeen

Safari is een systemisch bladherbicide ter bestrijding van tweezaadlobbige onkruiden; het werkt voornamelijk tegen onkruiden uit de groep van de composieten en de kruisbloemigen. De groei van de onkruiden wordt snel gestopt, maar de snelheid van afsterven is afhankelijk van de soort, leeftijd en groeiomstandigheden en kan enkele weken duren. De soorten vogelmuur, varkensgras, melganzevoet en zwaluwtong zijn minder gevoelig.

 

Het middel niet toepassen als het gewas beschadigd is door bijvoorbeeld bladluizen of hagel.

Het middel bij voorkeur spuiten bij groeizaam weer. Niet toepassen wanneer grote schommelingen tussen dag- en nachttemperatuur (bijvoorbeeld nachtvorst) worden verwacht. Niet spuiten bij temperaturen hoger dan 25şC of als binnen 4 uur regen wordt verwacht.

 

Hoeveelheid spuitvloeistof: 150-400 liter/ha.

 

Opmerkingen:

 

De toepassing van SAFARI in de juiste periode heeft geen invloed op een volggewas in een normale rotatie. Desalniettemin wordt, bij gebrek aan informatie, het afgeraden bloemen, sierplanten, heesters of boomkwekerijgewassen te planten binnen een periode van

12 maanden na toepassing van Safari.

 

Onder stresscondities kunnen enkele dagen na toepassing gele vlekjes op het blad verschijnen welke echter weer snel verdwijnen.

 

Attentie:

 

·         Voorkom overwaaien van de spuitvloeistof naar gevoelige gewassen.

·         Direct na de behandeling dient de apparatuur uiterst zorgvuldig te worden schoongemaakt met huishoudammonia of een ander geschikt middel, daar een residu van het middel aan veel gewassen grote schade kan doen.

·         In geval van akkerdistel Safari niet mengen met middelen op basis van clopyralid. Er dient een interval van minimaal 10 dagen in acht te worden genomen.

·         Grassenbehandeling, insectenbestrijding en meststoffen: Het heeft de voorkeur een behandeling ter bestrijding van grassen in een aparte behandeling uit te voeren, evenals de behandeling met insecticiden. Boriummeststoffen kunnen toegevoegd worden tot een maximum van 1,0 kg/ha.

·         Uit oogpunt van resistentiemanagement wordt het langdurig en eenzijdig gebruik van het middel afgeraden. Wissel zo nodig de behandelingen af met een middel met een ander werkingsmechanisme. Raadpleeg hiervoor de adviezen van de HRAC (Herbicide Resistance Action Committee).

 

TOEPASSINGEN

 

Suikerbieten en voederbieten, ter bestrijding van onkruiden in combinatie met het lage doseringssysteem.

Spuiten op zeer jonge onkruiden, kiemblad- tot 2 echte bladstadium. Om een goede werking te verkrijgen dient het middel minimaal tweemaal te worden toegepast.

Dosering: 30 gram/ha SAFARI toevoegen aan de standaardmiddelen van het lage doseringssysteem.

 

N.B.  Onder stresscondities kunnen enkele dagen na toepassing gele vlekjes op het blad verschijnen welke echter weer snel verdwijnen.

 

Pennenteelt en zaadteelt van witlof en cichorei, steeds toepassen op zeer jonge onkruiden, kiemblad- tot 2 bladstadium.

Om een goede werking te verkrijgen dient het middel herhaaldelijk te worden toegepast op zeer jonge onkruiden (bij voorkeur in het kiemlobstadium). De eerste behandeling niet eerder uitvoeren dan wanneer 70% van de planten opgekomen is. Vervolgbespuitingen uitvoeren bij nieuwe opkomst van onkruiden.

Na behandeling kan 1-2 weken groeivertraging optreden. In proeven heeft dit nooit tot duidelijke invloed gehad op de opbrengst of kwaliteit van het gewas. Vervolgbespuitingen dienen bij voorkeur te worden uitgesteld wanneer het gewas nog een reactie laat zien van de eerdere bespuiting(en).

Overlap voorkomen, omdat dit bij ongunstige omstandigheden opbrengstderving kan veroorzaken.

Om het werkingsspectrum te verbreden kan Safari worden gemengd met andere in de teelt toegelaten herbiciden.

Dosering:  Maximaal 30 gram middel per toepassing, in totaal mag maximaal 60 gram middel per ha per teelt of teeltseizoen worden toegepast.

 

N.B.  Het middel kan chlorose en een (tijdelijke) groeiremming veroorzaken. Deze verschijnselen zijn vooral te verwachten als te vroeg in het ontwikkelingsstadium van het gewas wordt gespoten (voordat het merendeel van de planten 1 echt blad heeft gevormd) en bij koude en natte weersomstandigheden ten tijde van de behandelingen en daarna.

 

 

Gewasmislukking

 

In geval van mislukking van het gewas, kunnen alleen bieten, zomergerst en olievlas worden geteeld. Indien een kerende grondbewerking wordt uitgevoerd kan ook maďs worden geteeld.

 

Gereedmaken spuitvloeistof

 

Eerst de tank voor de helft vullen met water, vervolgens onder voortdurend roeren het middel toevoegen en de tank verder met water vullen. Ook tijdens het spuiten dient de spuitvloeistof in beweging te worden gehouden.