Het College voor de toelating
van gewasbeschermingsmiddelen en biociden


beslissende op het bezwaarschrift van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid “Du Pont de Nemours (Nederland) B.V.” (hierna te noemen: bezwaarde), van 15 januari 2008. Dit bezwaarschrift is gericht tegen het Besluit Ctgb lijst gewasbeschermingsmiddelen en biociden 2007 (Stcr. 13 december 2007, nummer 242) voor zover betrekking hebbende op de in het kader van artikel 122 Wgb toegelaten gewasbeschermingsmiddel Safari (11754 N).

 

Bezwaarde is toelatinghouder van dit middel. Het besluit is in de Staatscourant bekendgemaakt. De inhoud van het besluit is aan bezwaarde medegedeeld bij brief van 4 december 2007.

 

De ontvangst van het bezwaarschrift is bevestigd bij brief van 21 januari 2008.

Tot 7 maart 2008 is de gelegenheid geboden om het bezwaarschrift van een nadere motivering te voorzien.

 

Het bezwaar heeft nummer: 2007-08.

 

Per e-mail is op verzoek van bezwaarde uitstel verleend voor het indienen van de nadere motivering tot 14 maart 2008. Bij brief van 14 maart 2008 deze ingediend. Blijkens het ontvangstempel is de brief ontvangen op 17 maart 2008.

 

Ontvankelijkheid

 

Het bezwaarschrift is tijdig ingediend en bezwaarde is, als toelatinghouder van de toelating van het genoemde gewasbeschermingsmiddel, aan te merken als belanghebbende bij het bestreden besluit. Ook overigens zijn geen feiten of omstandigheden bekend die in de weg staan aan de ontvankelijkheid van bezwaarde. 

 

Totstandkoming van het bestreden besluit en wettelijk kader

 

Het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) heeft op 4 mei 2007 twee uitspraken gedaan (AWB 04/185 en AWB 04/876)) over het overgangsrecht dat geldt tijdens de uitvoering van het werkprogramma van de Europese Commissie bedoeld in artikel 8, tweede lid van richtlijn 91/414/EEG en artikel 16, tweede lid, van richtlijn 98/8/EG.


Kort samengevat vindt het CBb dat ook tijdens het overgangsrecht een gewasbeschermingsmiddel of biocide alleen dan kan worden toegelaten als naar behoren rekening is gehouden met de effecten die het gewasbeschermingsmiddel of biocide kan hebben op de gezondheid van mens en dier, alsmede op het milieu, op basis van een dossier dat de nodige informatie bevat om die effecten daadwerkelijk te kunnen onderzoeken. Het CBb oordeelde dat artikel 25d van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 een toelating mogelijk maakt zonder dat naar behoren rekening is gehouden met de bedoelde effecten op mens, dier en milieu. Dit artikel biedt daarom onvoldoende waarborgen omdat een normstelling in de wet ontbreekt.

 

De uitspraken noopte tot de herbeoordeling van meer dan helft van de toegelaten gewasbeschermingsmiddelen en biociden om de toelatingen in overeenstemming te laten zijn met de eisen die het CBb er aan stelt. Dit leidde ook tot aanpassing van het overgangsrecht in de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Stb. 2007, 125). Dit is geschiedt met de wet van 13 september 2007, houdende de regeling tot wijziging van het overgangsrecht inzake toelating, het op de markt brengen en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Stb. 2007, 338).

 

Ook gedurende de overgangsperiode zijn de beleidsinspanningen gericht op een verantwoorde instandhouding van een adequaat middelenpakket, zonder onaanvaardbare risico voor mens, dier en milieu te aanvaarden. Daarvoor is in artikel 122, gelezen in samenhang met artikel 121a van de Wgb een voorziening getroffen om een toegelaten middel met een (in het kader van artikel 25d Bestrijdingsmiddelenwet 1962) niet geprioriteerde werkzame stof op een lijst te plaatsen en de toelating van dat middel te verlengen totdat voldaan moet zijn aan het bepaalde in de communautaire maatregel betreffende de werkzame stof in het kader van het eerder genoemde werkprogramma van de Europese Commissie. Om voor deze toelating in aanmerking te komen moet er een aanvraag zijn ingediend op grond van artikel 25d van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 en naar behoren rekening worden gehouden met de effecten van dat middel op mens en dier, alsmede op het milieu, op basis van een dossier dat de nodige informatie bevat. Volgens artikel 35 gelezen in samenhang met artikel 34 Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Besluit van 5 september 2007, Stb 2007, 334 (Bgb)) bevat het dossier ten minste de volgende gegevens:

  1. alle gegevens waarover het college met betrekking tot het gewasbeschermingsmiddel en biocide beschikt;
  2. alle gegevens waarover het college met betrekking tot de werkzame stof in het gewasbeschermingsmiddel of biocide beschikt;
  3. de door het college in verband met de uitvoering van artikel 25d van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 opgestelde risicoprofielen van werkzame stoffen;
  4. de bij het college bekende informatie met betrekking tot toepassingsgebieden, gebruiksvoorschriften, juist gebruik van biociden en goede agrarische praktijken;
  5. de bij het college bekende openbare, wetenschappelijke informatie.

 

Het toenmalige Ctb heeft voor het vaststellen van de lijst als bedoeld in artikel 122, lid 1 en daarvoor uit te voeren herbeoordeling van de betrokken gewasbeschermingsmiddelen en biociden in overleg met de departementen en brancheorganisaties een “Uitvoeringsplan (her)beoordeling niet-geprioriteerde gewasbeschermingsmiddelen en biociden” (Ctb, 13 juni 2007, C-182.4 (geactualiseerd in C-183.5)) vastgesteld. De uit te voeren (her)beoordeling is uitgewerkt in de notitie “Aanwijzingen voor de herbeoordeling van niet-geprioriteerde gewasbeschermingsmiddelen en biociden” (Ctb, 11 juli 2007 (C-183.5)). In het kort komt het beoordelings- en besluitvormingsproces op het volgende neer. Er is een toelatingsaanvraag ingediend, op grond van artikel 25d Bestrijdingsmiddelenwet 1962. Voor de beoordeling wordt uitgegaan van een worst case benadering, met als uitgangspunt de meest kritische toepassing (artikel 35, lid 2 Bgb), waarbij aan de toelatingsvoorwaarden voor volksgezondheid, arbeidsbescherming en het milieu getoetst wordt of aan de toelatingsvoorwaarden voldaan wordt. De beoordeling resulteert in een beoordelingsrapport, waarin een gemotiveerd oordeel over het gewasbeschermingsmiddel of biociden wordt gegeven. In het rapport wordt ingegaan op het middel, de meest kritische toepassing, een risico-evaluatie met betrekking tot humane toxicologie en een risico-evaluatie met betrekking tot milieu. Het concept beoordelingsrapport is aan de toelatinghouder voorgelegd voor commentaar als de conclusie was dat niet wordt voldaan aan de toelatingsvoorwaarden, dan wel nieuwe restrictiezinnen voorgeschreven worden. Hoewel de gegunde tijd kort was, zijn commentaren ontvangen. Zo mogelijk zijn deze commentaren verwerkt. Om onnodig afvallen van middelen te voorkomen, louter omdat het Ctgb niet beschikte over de nieuwste informatie, is er, naar aanleiding van toezeggingen van de Ministers van LNV en Vrom (TK, 2007-2008, 31067 en 27 858, nr 9) daaromtrent overleg gevoerd met de brancheorganisaties. Dit overleg leidde er toe dat voor een aantal uit te voeren beoordelingen toch nog nieuwe informatie is ingediend en betrokken in de beoordeling. Het Ctgb heeft de (her)beoordelingsrapporten tot slot vastgesteld.

De (her)beoordelingsrapporten leidden tot de conclusie om de toelating te laten doorlopen, toepassingen van een middel te laten vervallen, verdere restricties aan het gebruik van het gewasbeschermingsmiddel of biocide op te leggen of toelatingen van middelen te beëindigen. Als toepassingen gewijzigd werden, extra restrictiezinnen werden voorgeschreven of als de toelating is komen te vervallen kan een opgebruik- en aflevertermijn worden vastgesteld.

 

Op basis van de conclusies heeft het Ctgb twee lijsten vastgesteld:

  1. Besluit Ctgb lijst van niet meer toegelaten niet-geprioriteerde gewasbeschermingsmiddelen en biociden 2007, op grond van artikel 41 en 68 Wgb (Stcr. 12 december 2007, nr. 241, rectificatie 17 december 2007, nr. 244);
  2. Besluit Ctgb lijst gewasbeschermingsmiddelen en biociden 2007, op grond van artikel 122, lid 1, artikel 41, lid 5 en artikel 68, lid 5 van de Wgb (Stcr.13 december 2007, nr. 242);

 

Safari is een gewasbeschermingsmiddel, opgenomen in de lijst die onder 2 is genoemd. Voor dit middel geldt dat het WG/GA is gewijzigd en dat een opgebruik- en aflevertermijn is vastgesteld. Het middel is toegestaan uitsluitend als onkruidbestrijdingsmiddel in de teelt van suikerbieten en voederbieten en in de pennenteelt en zaadteelt van witlof en cichorei, mits niet meer dan 60 gram met middel per ha per teelt of teeltseizoen wordt toegepast.


De toepassing is uitsluitend toegestaan met 75% driftreducerende doppen in geval van toevoeging aan (een) standaardmiddel(en) van het lage doseringssysteem (LDS). Tegen deze restrictie is het bezwaar gericht.

 

Bezwaren

 

Bezwaarde voert aan dat de restrictie niet nodig is omdat de huidige toepassing, 2 maal 15 gram (variant 3) Safari wordt toegevoegd aan het lage doseersysteem, voldoet aan de eis dat de PIEC kleiner moet zijn dan 0,095 (2,2*0,44/10) µg/l. Dit blijkt uit het rapport “Calculation of PECsw and PECsed for The Netherlands Triflusulfuron” (AH/12 december 2007).

 

Voorts verzoekt bezwaarde om vergoeding van de gemaakte proceskosten. 

 

Overwegingen naar aanleiding van het bezwaar

 

Er wordt bezwaar aangetekend tegen de restrictie in het WG/GA dat Safari uitsluitend mag worden toegepast met 75% driftreducerende doppen. Bezwaarde voert aan dat er geen overschrijding van de norm voor waterorganismen te verwachten is bij toepassing van het middel Safari in de teelt van suiker- en voederbieten en pennen- en zaadteelt van witlof en chichorei.

 

Bij de oorspronkelijke beoordeling in het kader van artikel 122 Wgb is een risico gebleken in combinatie met metamitron op basis van een rapport (van het Rivm) uit 1995. Metamitron staat nu niet in de lijst met aanbevolen combinaties met Safari in bieten. Er is daarom in het boordelingsrapport dat ten grondslag ligt aan het bestreden besluit ten onrechte uitgegaan van een risico voor waterorganismen op grond van de combinatie metamitron en triflusulfuron.

 

De argumentatie van bezwaarde in het bij het bezwaar geleverde rapport klopt tot op zekere hoogte. Echter, vanwege het gecombineerde gebruik van dit middel in het kader van het laagste doseringsysteem moeten de risico’s voor de combi eveneens betrokken worden. Een en ander leidt tot de volgende beoordeling van de effecten op waterorganismen.

 

Uitgangspunten

 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


De navolgende ecotoxicologische eindpunten zijn van toepassing:

Voor de werkzame stof triflusulfuron methyl en het middel Safari (afkomstig uit eindpuntenlijst DAR)

 

Toxicity data for aquatic species (most sensitive species of each group) (Annex IIA, point 8.2, Annex IIIA, point 10.2)

Group

Test substance

Time-scale

Endpoint

Toxicity

(mg/l)

Laboratory tests

ONCORHYNCHUS MYKISS

Triflusulfuron Me

96 h

LC50

730

ONCORHYNCHUS MYKISS

Triflusulfuron Me

97 d

NOEC

57.7

DAPHNIA MAGNA

Triflusulfuron Me

48 h

EC50

> 960

DAPHNIA MAGNA

Triflusulfuron Me

21 d

NOEC

11

PSEUDOKIRCHNERIELLA SUBCAPITATA

Triflusulfuron Me

120 h

EbC50 ErC50

0.0463

LEMNA GIBBA

Triflusulfuron Me

14 d

EbC50 ErC50

0.00282

ONCORHYNCHUS MYKISS

Triflusul. Me 50 WG

96h

LC50

75

DAPHNIA MAGNA

Triflusul. Me 50 WG

48h

EC50

600

PSEUDOKIRCHNERIELLA SUBCAPITATA

Triflusul. Me 50 WG

72h

EbC50

0.031

LEMNA GIBBA

Triflusul. Me 50 WG

14d

EC50

0.0022

MYRIOPHYLLUM AQUATICUM

Triflusulf. Me 25 SC

14d

EC50

0.018

 

 

Omdat de toepassing in suiker- en voederbieten volgens het zgn LDS systeem plaatsvindt is er sprake van vaste combinaties met middelen op basis van andere herbiciden. De relevante eindpunten voor de werkzame stoffen van deze herbiciden zijn:

 

Endpoints ethofumesate

 

Substance

Organism

Lowest

safetyfactor

Treshold value

 

 

L(E)C50

[mg a.s./L]

NOEC

[mg a.s./L]

 

[mg a.s./L]

ethofumesaat

Acute

 

 

 

 

 

Algae

3.9

 

10

390

 

Daphnids

14

 

100

140

 

Fish

11

 

100

110

 

Macrophytes

>50

 

10

5000

 

Chronic

 

 

 

 

 

Daphnids

 

0.32

10

32

 

Fish

 

0.8

10

80

 

Endpoints Fenmedifam

Substance

Organism

Lowest

 

Threshold value

 

 

L(E)C50 [mg a.s./L]

NOEC

[mg a.s./L]

Safety factor

[mg a.s./L]

phenmedipham

Acute

 

 

 

 

 

Algae

0.086

 

10

8.6

 

Daphnids

0.41

 

100

4.1

 

Fish

1.71

 

100

17.1

 

Macrophytes

0.23

 

10

23

 

Chronic

 

 

 

 

 

Daphnids

 

0.061

10

6.1

 

Fish

 

0.32

10

32

 

Endpoints Desmedifam

Substance

Organism

Lowest

Safety factor

Threshold value

 

 

L(E)C50 [mg a.s./L]

NOEC

[mg a.s./L]

 

[mg a.s./L]

desmedipham

Acute

 

 

 

 

 

Algae

0.01

 

10

1

 

Daphnids

0.45

 

100

4.5

 

Fish

0.25

 

100

2.5

 

Macrophytes

>5.2

 

10

>520

 

Chronic

 

 

 

 

 

Daphnids

 

0.01

10

1

 

Fish

 

0.20

10

20

 

 

Berekende concentraties in oppervlakte water

 

Voor de pennen- en zaadteelt in witlof en chichorei worden de volgende concentraties in oppervlakte water geschat met behulp van het model TOXSWA:

 

De invoerparameters voor triflusulfuron:

 

TOXSWA:

Active substance:

Mean DT50 for degradation in water at 20°C:  129x days

DT50 for degradation in sediment at 20°C: 10000 days (default).

 

Mean Kom for suspended organic matter: 34 L/kg

Mean Kom for sediment: 34 L/kg

 

Saturated vapour pressure: 6 x 10-10 Pa (temperature dependent)

Solubility in water: 0.26 g/L (temperature dependent)

Molecular weight: 492.43 g/mol

 

Other parameters: standard settings TOXSWA

 

Omdat er geen standaard methode is om de DT50 water en DT50 sediment op een correcte wijze separaat te bepalen uit de standaard water/sediment studie wordt de DT50 systeem gebruikt voor de water fase en degradatie in het sediment wordt veronderstelt 0 te zijn, dit wordt gesimuleerd door een DT50 value van 10000 dagen te kiezen.

 

Het meest gevoelige organisme voor triflusulfuron is Lemna. Voor Lemna wordt de normoverschrijding in oppervlakte water bepaald bij toepassing in witlof en chichorei en voor de toepassing van alleen Safari in suiker- en voederbieten.

Dit levert de volgende PEC waarden op (voorspelde concentraties) en normoverschrijdingen op:

 

Use

Substance

Rate a.s.

[kg/ha]

Freq.

Inter-val

Drift

[%]

PIEC

[mg/L] *

Toxiciteit

waarde

PIEC*/

(0.1*EC50)

 

 

 

 

dagen

 

Spring

mg/L

 

Witlof en chichorei

triflusulfuron

 

0.15

2

14

1

0.134

0.0022

(threshold 0.22 mg/L)

0.61

* calculated according to TOXSWA

 

Voor de toepassing in suiker- en voederbieten worden voor de werkzame stof triflusulfuron de volgende concentraties en normoverschrijdingen berekend:

 

Use

Substance

Rate a.s.

[kg/ha]

Freq.

Inter-val

Drift

[%]

PIEC

[mg/L] *

Toxiciteit

waarde

PIEC*/

(0.1*EC50)

 

 

 

 

dagen

 

Spring

mg/L

 

Suiker- en voederbieten

triflusulfuron

 

0.15

3

7

1

0.199

0.0022

(threshold (0.22 mg/L)

0.90

 

Chronische toxiciteit (meest gevoelige organisme Daphnia)

Use

Substance

Rate a.s.

[kg/ha]

Freq.

Inter-val

Drift

[%]

PIEC

[mg/L] *

Toxiciteit

waarde

PIEC*/

(0.1*EC50)

 

 

 

 

dagen

 

Spring

mg/L

 

Suiker- en voederbieten

triflusulfuron

 

0.15

3

7

1

0.173

11

(threshold (1100 mg/L)

0.0002

 

Voor de afzonderlijke toepassing van Safari is er geen sprake van normoverschrijding voor waterorganismen. Echter, omdat de toepassing van Safari in suiker- en voederbieten plaatsvindt in een LDS systeem dient het middel te worden toegepast in combinatie met fenmedifam, resp. fenmedifam plus ethofumesaat, dan wel ethofumesaat/desmedifam/fenmedifam.

 

De meest kritische toepassing zou zijn bij toepassing van Safari in combinatie met Betanal Quattro. Echter, conform het overzicht ‘herbiciden in suikerbieten’ wordt Safari niet aangeraden in combinatie met Betanal Quattro. In het beoordelingsrapport dat ten grondslag ligt aan het beoordelingsrapport is daarom bij de bepaling van de risico’s voor waterorganismen ten onrechte van deze combinatie uitgegaan.

 

Het meest gevoelige organisme voor triflusulfuron is Lemna. Lemna is daarnaast enigszins gevoelig voor fenmedifam. Omdat het grootste deel van de norm reeds wordt opgevuld door de toxiciteit van triflusulfuron voor Lemna (normoverschrijding 0.9), wordt de toetsing van de combinatie toxiciteit van de LDS toepassingen aan de norm voor waterorganismen uitgewerkt voor Lemna. Met behulp van TOXSWA wordt de concentratie in het oppervlaktewater van de verschillende combinatie toepassingen doorgerekend.

 

TOXSWA:

Desmedipham

Mean DT50 for degradation in water at 20°C: 3.1 days

DT50 for degradation in sediment at 20°C: 10000 days (default).

 

Mean Kom for suspended organic matter: 6201 L/kg

Mean Kom for sediment: 6201 L/kg

 

Saturated vapour pressure: 4 x 10-8 Pa (25°C)

Solubility in water: 0.007 g/L (25°C)

Molecular weight: 300.3 g/mol

 

Ethofumesate

DT50 for degradation in water at 20°C:  182 days

DT50 for degradation in sediment at 20°C: 10000 days (default).

 

Kom for suspended organic matter: 78 L/kg

Kom for sediment: 78 L/kg

 

Saturated vapour pressure: 6.5 x 10-4 Pa (25 ºC)

Solubility in water: 0.05 g/L (25 ºC)

Molecular weight: 286.3 g/mol

 

Phenmedipham

DT50 for degradation in water at 20°C:  0.14 days

DT50 for degradation in sediment at 20°C: 10000 days (default).

 

Kom for suspended organic matter: 522 L/kg

Kom for sediment: 352 L/kg

 

Saturated vapour pressure: 7 x 10-10 Pa (25 ºC)

Solubility in water: 0.006 g/L (25 ºC)

Molecular weight: 300.3 g/mol

 

 

Other parameters: standard settings TOXSWA

 

Voor de toepassing in suiker- en voederbieten worden de volgende concentraties berekend:


 

 

Use

Substance

Rate a.s.

[kg/ha]

Freq.

Inter-val

Drift

[%]

PIEC

[mg/L] *

Treshold

waarde

PIEC*/

(0.1*EC50)

 

 

 

 

dagen

 

Spring

mg/L

 

Suiker- en voederbieten

Ethofumesaat

Desmedifam

fenmedifam

0.113

0.019

0.056

3

7

1

1.495

0.128

0.266

5000

520

23

0.0003

0.0002

0.0116

 

Use

Substance

Rate a.s.

[kg/ha]

Freq.

Inter-val

Drift

[%]

PIEC

[mg/L] *

Treshold

waarde

PIEC*/

(0.1*EC50)

 

 

 

 

dagen

 

Spring

mg/L

 

Suiker- en voederbieten

fenmedifam

0.120

3

7

1

0.569

23

0.025

 

Use

Substance

Rate a.s.

[kg/ha]

Freq.

Inter-val

Drift

[%]

PIEC

[mg/L] *

Treshold

waarde

PIEC*/

(0.1*EC50)

 

 

 

 

dagen

 

Spring

mg/L

 

Suiker- en voederbieten

Fenmedifam

ethofumesaat

0.120

0.08

3

7

1

0.569

1.058

23

5000

0.025

0.0002

 

Voor het berekenen van de combinatie toxiciteit worden de normoverschrijdingsfactoren bij elkaar opgeteld.

 

Werkzame stof

Safari plus ethofumesaat/

desmedifam/fenmedifam

Safari plus fenmedifam

Safari plus fenmedifam plus ethofumesaat

Triflusulfuron

0.9

0.9

0.9

Ethofumesaat

0.0003

-

0.0002

Desmedifam

0.0002

-

-

fenmedifam

0.0116

0.025

0.025

combinatie

0.912

0.925

0.926

 

Uit de combinatie toxiciteit berekening blijkt dat voor geen van de combinaties die worden voorschreven voor het gebruik van Safari in een LDS onkruidbestrijding in suiker- en voederbieten, leidt tot een overschrijding van de acute norm voor waterorganismen.

Het chronisch risico voor water organismen wordt hier verder niet uitgewerkt. De chronische toxiciteit van Safari voor water organismen is gering. Normwaarde voor desmedifam en fenmedifam is weliswaar laag maar gezien de korte halfwaardetijd is de te verwachten PEC21/28 ook laag. Ethofumesaat is chronisch gering toxisch voor water organismen. De combinatie toxiciteit zal derhalve de chronische norm voor waterorganismen niet overschrijden.

 

Conclusie

Het gebruik van driftreducerende maatregelen is niet noodzakelijk. Deze kunnen van het etiket worden verwijderd.


 

Dit betekent dat de heroverweging waartoe artikel 7:11 Awb verplicht in dit geval leidt tot herroeping van het bestreden besluit, voor zover dit betreft het gewasbeschermingsmiddel Safari, in het bijzonder het wettelijke gebruiksvoorschrift. Het bezwaar is gegrond. Het bestreden besluit wordt gewijzigd. Er wordt een nieuw WG/GA  vastgesteld voor het gewasbeschermingsmiddel Safari, waarbij de gewraakte restrictiezin is geschrapt.

 

Verzoek om vergoeding van de proceskosten.

 

Bezwaarde verzoekt om een vergoeding voor de kosten van de bestuurlijke voorprocedure. Artikel 7:15 kent een vergoedingsplicht, als tegemoetkoming in de gemaakte kosten tijdens de bezwaarschriftenprocedure, in de gevallen waarin het bestreden besluit wegens onrechtmatigheid wordt herroepen en deze onrechtmatigheid aan het bestuursorgaan is te wijten. De voor vergoeding in aanmerking komende kosten en de hoogte van het te vergoeden bedrag zijn uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Stb. 1993, 763, voor het laatst gewijzigd 5 december 2005 (Stb. 2005,628). Het tarief voor de kosten van professionele rechtsbijstand is gebaseerd op de proceshandelingen die zijn verricht. De proceshandelingen die voor de berekening van de vergoeding in aanmerking komen zijn het indienen van een bezwaarschrift, het verschijnen ter hoorzitting en het verschijnen bij een nadere hoorzitting. Een hoorzitting of nadere hoorzitting heeft in deze zaak niet plaatsgevonden.

 

Er is een bezwaarschrift opgesteld door de raadsvrouwe van bezwaarde, met een belangrijke inbreng van bezwaarde zelf gelet op het wetenschappelijk inhoudelijk karakter van het bezwaar en de daarmee gepaard gaande complexiteit van de zaak. Uit artikel 1, aanhef en onder a van het Besluit proceskosten bestuursrechtspraak blijkt dat de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in aanmerking komt voor een tegemoetkoming.

 

De hoogte van het te vergoeden bedrag wordt vastgesteld overeenkomstig de bijlage bij het Besluit. Volgens A4. Bezwaar en administratief beroep van deze bijlage geeft een bezwaarschrift: 1 punt. De waarde van een punt is volgens B2. Bezwaar en administratief beroep, onderdeel 2:  € 322,00. Met toepassing van de wegingsfactor (C.1 Gewicht van de zaak) ‘gemiddeld’ komt 1,0 van de waarde van een punt in aanmerking voor vergoeding.  

 

Ingevolge artikel 7:3 van de Algemene wet bestuursrecht kan van het horen van bezwaarde worden afgezien indien aan het bezwaar volledig tegemoet wordt gekomen en andere zich bekend gemaakte belanghebbenden daardoor niet in hun belangen kunnen worden geschaad. In dit geval komt het Ctgb geheel tegemoet aan de bezwaren en zijn er geen (bekende) belangen van derden in het geding als het horen achterwege blijft.  Daarom wordt in dit geval van het horen afgezien.

 

 

BESLISSING OP HET BEZWAARSCHRIFT

 

-          Het Ctgb wijzigt het WG/GA van het gewasbeschermingsmiddel Safari (11754 N) en schrapt de na de (her)beoordeling in het kader van artikel 122 Wgb toegevoegde restrictiezin. Het nieuwe WG/GA luidt als volgt: zie bijlage 1.

-          Het Ctgb vergoedt  € 322,00 voor de kosten van de bezwaarschriftenprocedure, in verband met de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.


 

 

Een ieder wiens belang rechtstreeks bij dit besluit is betrokken, kan op grond van artikel 119, eerste lid, van de wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden tegen dit besluit binnen zes weken na de dag van verzending van het besluit beroep instellen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA Den Haag. Het beroepschrift moet op grond van artikel 6:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zijn ondertekend en bevat tenminste de naam en adres van de indiener, de dagtekening, de omschrijving van het besluit waartegen het beroep is gericht, zo mogelijk een afschrift van dit besluit, de gronden waarop het beroepschrift rust. Van de indiener van het beroepschrift wordt griffierecht geheven door de griffier van het College. Nadere informatie over de hoogte van het griffierecht en de wijze van betalen wordt door de afdeling Griffie van het College verstrekt.

 

 

 

 

 

Wageningen,18 juli 2008

 

HET COLLEGE VOOR DE TOELATING VAN GEWASBESCHERMINGSMIDDELEN EN BIOCIDEN,



(voorzitter)


Bijlage 1, behorende bij beslissing op bezwaarschrift 2008-08:

Nieuw gebruiksvoorschrift voor Safari (11754 N)

 

WGGA bij het besluit Ctgb lijst gewasbeschermingsmiddelen en biociden 2007

            Safari, 11754 N

 

 

A.

WETTELIJK GEBRUIKSVOORSCHRIFT

 

Toegestaan is uitsluitend het gebruik als onkruidbestrijdingsmiddel

·         in de teelt van suikerbieten en voederbieten;

·         in de pennenteelt en zaadteelt van witlof en cichorei, mits niet meer dan 60 gram middel per ha per teelt of teeltseizoen wordt toegepast.

 

B.

GEBRUIKSAANWIJZING

 

Algemeen

Safari is een systemisch bladherbicide ter bestrijding van tweezaadlobbige onkruiden; het werkt voornamelijk tegen onkruiden uit de groep van de composieten en de kruisbloemigen. De groei van de onkruiden wordt snel gestopt, maar de snelheid van afsterven is afhankelijk van de soort, leeftijd en groeiomstandigheden en kan enkele weken duren. De soorten vogelmuur, varkensgras, melganzevoet en zwaluwtong zijn minder gevoelig.

 

Het middel niet toepassen als het gewas beschadigd is door bijvoorbeeld bladluizen of hagel.

Het middel bij voorkeur spuiten bij groeizaam weer. Niet toepassen wanneer grote schommelingen tussen dag- en nachttemperatuur (bijvoorbeeld nachtvorst) worden verwacht. Niet spuiten bij temperaturen hoger dan 25ºC of als binnen 4 uur regen wordt verwacht.

 

Hoeveelheid spuitvloeistof: 150-400 liter/ha.

 

Opmerkingen:

 

De toepassing van SAFARI in de juiste periode heeft geen invloed op een volggewas in een normale rotatie. Desalniettemin wordt, bij gebrek aan informatie, het afgeraden bloemen, sierplanten, heesters of boomkwekerijgewassen te planten binnen een periode van 12 maanden na toepassing van Safari.

 

Onder stresscondities kunnen enkele dagen na toepassing gele vlekjes op het blad verschijnen welke echter weer snel verdwijnen.

 

Attentie:

 

·         Voorkom overwaaien van de spuitvloeistof naar gevoelige gewassen.

·         Direct na de behandeling dient de apparatuur uiterst zorgvuldig te worden schoongemaakt met huishoudammonia of een ander geschikt middel, daar een residu van het middel aan veel gewassen grote schade kan doen.

·         In geval van akkerdistel Safari niet mengen met middelen op basis van clopyralid. Er dient een interval van minimaal 10 dagen in acht te worden genomen.

·         Grassenbehandeling, insectenbestrijding en meststoffen: Het heeft de voorkeur een behandeling ter bestrijding van grassen in een aparte behandeling uit te voeren, evenals de behandeling met insecticiden. Boriummeststoffen kunnen toegevoegd worden tot een maximum van 1,0 kg/ha.

·         Uit oogpunt van resistentiemanagement wordt het langdurig en eenzijdig gebruik van het middel afgeraden. Wissel zo nodig de behandelingen af met een middel met een ander werkingsmechanisme. Raadpleeg hiervoor de adviezen van de HRAC (Herbicide Resistance Action Committee).

 

TOEPASSINGEN

 

Suikerbieten en voederbieten, ter bestrijding van onkruiden in combinatie met het lage doseringssysteem.

Spuiten op zeer jonge onkruiden, kiemblad- tot 2 echte bladstadium. Om een goede werking te verkrijgen dient het middel minimaal tweemaal te worden toegepast.

Dosering: 30 gram/ha SAFARI toevoegen aan de standaardmiddelen van het lage doseringssysteem.

 

N.B.  Onder stresscondities kunnen enkele dagen na toepassing gele vlekjes op het blad verschijnen welke echter weer snel verdwijnen.

 

Pennenteelt en zaadteelt van witlof en cichorei, steeds toepassen op zeer jonge onkruiden, kiemblad- tot 2 bladstadium.

Om een goede werking te verkrijgen dient het middel herhaaldelijk te worden toegepast op zeer jonge onkruiden (bij voorkeur in het kiemlobstadium). De eerste behandeling niet eerder uitvoeren dan wanneer 70% van de planten opgekomen is. Vervolgbespuitingen uitvoeren bij nieuwe opkomst van onkruiden.

Na behandeling kan 1-2 weken groeivertraging optreden. In proeven heeft dit nooit tot duidelijke invloed gehad op de opbrengst of kwaliteit van het gewas. Vervolgbespuitingen dienen bij voorkeur te worden uitgesteld wanneer het gewas nog een reactie laat zien van de eerdere bespuiting(en).

Overlap voorkomen, omdat dit bij ongunstige omstandigheden opbrengstderving kan veroorzaken.

Om het werkingsspectrum te verbreden kan Safari worden gemengd met andere in de teelt toegelaten herbiciden.

Dosering:  Maximaal 30 gram middel per toepassing, in totaal mag maximaal 60 gram middel per ha per teelt of teeltseizoen worden toegepast.

 

N.B.  Het middel kan chlorose en een (tijdelijke) groeiremming veroorzaken. Deze verschijnselen zijn vooral te verwachten als te vroeg in het ontwikkelingsstadium van het gewas wordt gespoten (voordat het merendeel van de planten 1 echt blad heeft gevormd) en bij koude en natte weersomstandigheden ten tijde van de behandelingen en daarna.

 

Gewasmislukking

 

In geval van mislukking van het gewas, kunnen alleen bieten, zomergerst en olievlas worden geteeld. Indien een kerende grondbewerking wordt uitgevoerd kan ook maïs worden geteeld.


 

Gereedmaken spuitvloeistof

 

Eerst de tank voor de helft vullen met water, vervolgens onder voortdurend roeren het middel toevoegen en de tank verder met water vullen. Ook tijdens het spuiten dient de spuitvloeistof in beweging te worden gehouden.