Toelatingsnummer 10211 N

Het College voor de Toelating
van Bestrijdingsmiddelen,


gelet op artikel 5 van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 (Stb. 228),

BESLUIT:

Enig artikel

Het besluit tot toelating van het middel SUMICIDIN SUPER onder nr. 10211 N
d.d. 15 februari 1989, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 8 december 2000 wordt op gronden als in bijlage II dezes vermeld, met ingang van 1 november 2001 gewijzigd als volgt:

In het gestelde onder § IV.2.e. wordt in plaats van "W.10." gelezen: "W.11."

De bijlage I (laatstelijk gewijzigd d.d. 8 december 2000) van bovengenoemd besluit wordt met ingang van 1 november 2001 vervangen door bijlage I dezes.

Degene wiens belang rechtstreeks bij dit besluit is betrokken kan daartegen op grond van artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht binnen zes weken na de dag waarop dit besluit bekend is gemaakt een bezwaarschrift indienen bij het bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen. Een dergelijk bezwaarschrift dient te worden geadresseerd aan: Het College voor de Toelating van Bestrijdingsmiddelen, Postbus 217, 6700 AE WAGENINGEN.

Wageningen, 11 mei 2001

HET COLLEGE VOOR DE TOELATING VAN BESTRIJDINGSMIDDELEN,




(voorzitter)

Aan:

SUMITOMO CHEMICAL AGRO EUROPE S.A.
2, RUE CLAUDE CHAPPE
F-69370 SAINT DIDIER AU MONT D'OR
FRANKRIJK

HET COLLEGE VOOR DE TOELATING VAN BESTRIJDINGSMIDDELEN

BIJLAGE I bij het wijzigingsbesluit van het middel SUMICIDIN SUPER,

toelatingsnummer 10211 N

A.
WETTELIJK GEBRUIKSVOORSCHRIFT

Toegestaan is uitsluitend het gebruik als insectenbestrijdingsmiddel in de teelt van:

a. aardappelen, granen, erwten, stamslabonen, veldbonen, spruitkool, sluitkool, bloemkool, broccoli, koolrabi, uien en prei;

b. graszaad en graszoden alsmede in weiland en sportvelden met dien verstande dat:
1. in de grasteelt binnen 2 weken na behandeling geen gras mag worden gemaaid ten behoeve van voederdoeleinden;
2. weiland niet binnen 2 weken na behandeling mag worden beweid;
3. sportvelden niet binnen 5 dagen na behandeling mogen worden betreden.

Voor de toepassing in de teelt van uien en prei geldt: dit product maximaal 2 maal per jaar toepassen.

De toepassing door middel van een vliegtuig is verboden.

Veiligheidstermijnen:

De termijn tussen de laatste toepassing en de oogst mag niet korter zijn dan:

7 dagen voor aardappelen;

7 dagen voor spruitkool, sluitkool, bloemkool, broccoli, koolrabi, uien en prei;

2 weken voor granen;

1 week voor erwten en veldbonen;

10 dagen voor stamslabonen.

B.

GEBRUIKSAANWIJZING

ATTENTIE

Het middel is giftig voor vissen en andere waterorganismen, derhalve het middel zodanig toepassen dat het niet in het oppervlaktewater terecht kan komen.

TOEPASSINGEN

Aardappelen, ter bestrijding van de larven van de Coloradokever.

Het beste tijdstip voor een bestrijding is wanneer jonge larven op het gewas worden aangetroffen.

Dosering: 0,2 liter per ha.

Aardappelen, ter bestrijding van bladluizen ter voorkoming van zuigschade.

Een behandeling uitvoeren wanneer gemiddeld meer dan 50 bladluizen per samengesteld blad voorkomen.

Dosering: 0,2 liter per ha.

Pootaardappelen, ter voorkoming van overdracht door bladluizen van het bladrolvirus.

Toepassen zodra 90% van de planten is opgekomen.

De behandeling 14 dagen later herhalen.

Dosering: 0,2 liter per ha.

Granen, ter bestrijding van bladluizen.

Een bespuiting uitvoeren als tenminste 70% van de halmen met bladluizen is bezet.

Een gecombineerde bestrijding van bladluizen en afrijpingsziekten is verantwoord wanneer bij begin tenminste 30% van de halmen met bladluizen is bezet.

Dosering: 200 ml per ha.

Erwten en veldbonen, ter bestrijding van de bladrandkever.

Zodra vreterij van de bladrandkever aan de blaadjes van de jonge planten wordt waargenomen een behandeling uitvoeren.

Dosering: 0,2 liter per ha.

Erwten, ter bestrijding van trips.

Een behandeling uitvoeren zodra op de jonge planten aantasting wordt waargenomen.

Dosering: 0,2 liter per ha.

Stamslabonen, ter bestrijding van trips.

Een behandeling uitvoeren zodra op de jonge planten aantasting wordt waargenomen.

Dosering: 0,2 liter per ha.

Spruit-, sluit-, bloemkool, broccoli en koolrabi, ter bestrijding van koolrupsen, koolmot en bladrollers; nevenwerking tegen bladluis en bij spruitkool ook tegen late koolvlieg.

Ter bestrijding van de koolgalmug het middel toepassen zodra de eerste eitjes zijn afgezet. De bespuiting zonodig herhalen.

Dosering: 0,2 liter per ha.

Uien en prei, ter bestrijding van trips.

Zodra een aantasting wordt waargenomen een behandeling uitvoeren; de behandeling met een interval van plm. 5 dagen één maal herhalen.

Dosering: 0,2 liter per ha.

Graszaadteelt, graszodenteelt, weiland en sportvelden, ter bestrijding van de larven van de rouwvlieg.

Bij voorkeur spuiten met veel water; regen kort na de toepassing heeft een gunstige effect op de bestrijding. De bestrijding dient in de herfst te worden uitgevoerd. Om de kans op contact van het middel met de larven te vergroten verdient het aanbeveling weiland eerst te slepen en geen drijfmest kort voor de bespuiting toe te dienen.

Dosering: 0,3 liter per ha.

Wageningen, 11 mei 2001

HET COLLEGE VOOR DE TOELATING VAN BESTRIJDINGSMIDDELEN,




(voorzitter)

HET COLLEGE VOOR DE TOELATING VAN BESTRIJDINGSMIDDELEN

BIJLAGE II behorende bij het wijzigingsbesluit van datum dezes van de toelating van het middel SUMICIDIN SUPER, toelatingsnummer 10211N.

Het betreft de beoordeling van de reactie op het voornemen van het College de toepassingen in suiker- en voederbieten, bloembollen (vollegrond en onder glas) en bloemisterijgewassen (onder glas) op basis van esfenvaleraat te beëindigen per 1 juli 2001.

Motivering van het besluit

Eerdere besluitvorming door het College

Naar aanleiding van C-97.3.19 (mei 2000) heeft het College het volgende gesteld:

Het College besluit de toepassing in de teelt van pootaardappelen (tegen Yn-virus), appels en peren (zowel voor als na 1 mei), prei en uien van het middel op basis van esfenvaleraat te beëindigen per 1 januari 2001. Het College besluit tevens dat het voornemen de toepassing in de teelt van erwten/veldbonen (tegen trips) en diverse koolsoorten te beëindigen per 1 juli 2000 kan komen te vervallen daar deze toepassingen thans voldoen aan de norm voor waterorganismen zoals opgenomen in het Bmb.

Het College heeft verder het voornemen de toepassing in suiker- en voederbieten, bloembollen (v.g.) en bloemisterijgewassen (o.g.) te beëindigen per 1 juli 2001 gelet op het feit dat niet voldaan wordt aan de norm voor waterorganismen zoals opgenomen in het Bmb.

Tevens is naar aanleiding van C-107.11 (maart 2001) de einddatum van esfenvaleraat op
1 augustus 2005 vastgesteld.

Dit voornemen heeft betrekking op het volgende middel: SUMICIDIN SUPER - 10211 N. Het middel is toegelaten als insectenbestrijdingsmiddel in de teelt van aardappelen, granen, suiker- en voederbieten, erwten, stamslabonen, veldbonen, koolsoorten, graszaad, graszoden, weiland, sportvelden, bloembollen en bloemisterijgewassen onder glas.

Reactie toelatinghouder

In zijn reactie d.d. 13 november 2000 stelt de toelatinghouder dat de EU de norm voor esfenvaleraat voor waterorganismen op 0,08 µg/L heeft gesteld. Dit zou blijken uit de publicatie van Commission Directive 2000/67/EC van 23 oktober 2000 in de Official Journal of the European Commission van 28/10/2000. De toelatinghouder constateert dat de door Nederland gehanteerde norm hiervan afwijkt.

Vervolgens worden door de toelatinghouder 2 scenario’s geschetst.

a) de Europese norm wordt geïmplementeerd (0,08 µg/L)

b) het CTB hanteert de huidige Nederlandse norm, waarbij onder "de huidige Nederlandse norm" verstaan dient te worden:

• voor toepassingen met een maximale frequentie van 2 bedraagt de norm 0,08 µg/L

• voor toepassingen met een grotere frequentie dan 2 bedraagt de norm 0,01 µg/L

Scenario ‘a’

Wanneer het CTB akkoord gaat met ‘a’, dan worden de toepassingen in de teelt van appels en peren door de aanvrager ingetrokken en wordt de dosering bij de toepassing in de teelt van suiker- en voederbieten lichtjes verlaagd van 0,5 naar 0,45 L/ha.

Scenario ‘b’

Ook wanneer het CTB kiest voor ‘b’ worden de toepassingen in de teelt van appels en peren door de aanvrager ingetrokken. Tevens worden door middel van restricties in het WG/GA de driftpercentages voor normoverschrijdende toepassingen beperkt. Voor onderbouwing van de te hanteren driftpercentage’s verwijst de toelatinghouder naar het IMAG-rapport ‘Spray drift whem applying esfenvalerate in potatoes and flower bulbs in the Netherlands (Nota V2000-63, september 2000)). Tevens wordt voor enkele normoverschrijdende toepassingen het aantal toepassingen beperkt tot maximaal twee per seizoen.

Reactie CTB

Ten eerste kan worden gemeld dat bij besluit van 23 juni 2000 de toepassingen in de teelt van appels, peren, pootaardappelen (Yn-virus), uien en prei zijn beëindigd (conform hetgeen is vastgesteld in C-97.3.19, mei 2000). De toelatinghouder heeft hiertegen bezwaar aangetekend (d.d. 26 juli 2000). Dit bezwaarschrift is door de Bezwaarschriftencommissie behandeld (zie verder onder Eindconclusie).

In de definitieve eindpunten tabel van de EU (Esfenvalerate 6846/VI/97-final d.d. 30 november 2000, bijlage II) zijn voor chronische toxiciteit aquatische evertebraten twee normen opgenomen. Beide normen zijn gebaseerd op mesocosm-studies. Dit zijn de AEC (acceptable ecological concentration) en de NOEC (no observed effect concentration). De getalswaarden van deze normen zijn: AEC = 0,08 µg/L en NOEC = 0,01 µg/L. In C 97.3.19 is beargumenteerd waarom bij toepassingen met een maximale frequentie van 2 de AEC wordt gehanteerd als norm en bij toepassingen met hogere frequenties de NOEC. Daarbij is het argument gebruikt dat de AEC-norm gebaseerd is op een studie waarbij esfenvaleraat
2 maal is toegepast bij een interval van 3,5 weken. Op basis van een dergelijke studie kunnen risico’s voor waterorganismen bij toepassingen met hogere frequenties (en kortere intervallen) niet worden uitgesloten. Het feit dat de EU in de definitieve eindpunten tabel ook de NOEC-waarde van 0,01 µg/L heeft opgenomen is een ondersteuning van deze CTB-argumentatie. Derhalve wordt thans overgegaan tot het beoordelen van de restricties die zijn aangebracht in het door de toelatinghouder geschetste scenario ‘b’ . In het advies van de Bezwaarschriftencommissie (d.d. 9 maart 2001) wordt deze beoordelingswijze onderschreven.

In scenario ‘b’ zijn door de toelatinghouder de volgende wijzigingen in het WG/GA voorgesteld:

• toepassing in de teelt van aardappelen, granen, suiker- en voederbieten, erwten, stamslabonen, veldbonen, spruitkool, sluitkool, bloemkool, chinese kool, broccoli, koolrabi, uien en prei worden beperkt tot maximaal 2 toepassingen per jaar

• voor de toepassingen in de teelt van pootaardappelen op percelen die grenzen aan watergangen zijn de volgende restricties opgenomen:

• er dient gebruik gemaakt te worden van een grove dop uit de drift reductieklasse van minimaal 50%, in combinatie met luchtondersteuning en een standaard teeltvrije zone of

• er dient gebruik gemaakt te worden van een zeer grove dop uit de drift reductieklasse van minimaal 75%, zonder luchtondersteuning en met een standaard teeltvrije zone

• voor de toepassingen in de teelt van bloembollen (v.g.) op percelen die grenzen aan watergangen zijn de volgende restricties opgenomen:

• er dient gebruik gemaakt te worden van een zeer grove dop uit de drift reductieklasse van minimaal 75% (moet 90% zijn, zie p.10 IMAG-rapport), in combinatie met luchtondersteuning en met een standaard teeltvrije zone of

• er dient gebruik gemaakt te worden van een overkapte beddenspuit met een standaard teeltvrije zone

• toepassingen in de teelt van bloemisterijgewassen worden beperkt tot maximaal
2 toepassingen per jaar

• de dosering voor de toepassing in de teelt van suiker- en voederbieten ter bestrijding van rupsen van de aardappelstengelboorder wordt verlaagd van 0,50 tot 0,45 liter per hectare

De voorgestelde wijzigingen zijn voor wat betreft werkzaamheid akkoord bevonden.

Voor toepassingen met een maximale frequentie van 2 bedraagt de norm 0,08 µg/L. Voor de toepassingen met een maximale frequentie > 2, bedraagt de norm 0,01 µg/L. Deze waarden zijn afgeleid op basis van de nominale initiële concentraties van mesocosmstudies. Derhalve dient de Predicted Initial Environmental Concentration (PIEC) te worden getoetst aan deze norm.

De PIEC-waarden zijn berekend met behulp van TOXSWA, met inachtname van het concept-WG/GA. Voor de toepassingen in de teelt van pootaardappelen en bloembollen (v.g.) zijn de berekende PIEC-waarden gebaseerd op de driftpercentages uit het IMAG-rapport "Spray drift when applying esfenvalerate in potatoes and flower bulbs in the Netherlands" (Nota V2000-63, september 2000). Voor de overige toepassingen wordt uitgegaan van de laatste driftpercentage cijfers, die zijn opgenomen in het Overzicht te hanteren driftpercentages (standaardsituaties) n.a.v. C-91.6.a (22 oktober 1999).

In de berekeningen ten behoeve van C-97-3.19 zijn de waarden voor diverse parameters afgeleid van gegevens uit de conceptversie van de eindpuntentabel uit 1997. Een meer recente versie was niet beschikbaar. Thans is er een definitieve eindpuntentabel (Esfenvalerate 6846/VI/97-final d.d. 30 november 2000, bijlage II). In tabel M.1 zijn de waarden van parameters, die relevant zijn voor de berekening van de belasting van het oppervlaktewater, opgenomen zoals afgeleid uit de verschillende versies van de eindpuntentabel.

Tabel M.1: Overzicht waarden relevante parameters voor het berekenen van concentraties esfenvaleraat in oppervlaktewater

omschrijving

waarde op basis van concept-eindpunten tabel

(=gehanteerde waarde)

waarde op basis van definitieve eindpuntentabel

DT50 (dagen)

67*

67*

KOM-sediment (L/kg)

964**

964**

KOM-gestuspendeerd materiaal (L/kg)

2892**

2892**

dampspanning (Pa bij 20°C)

2,8 × 10-5

1,17 × 10-9

oplosbaarheid (µg/L bij 20°C)

10,4

< 1

molaire massa (g/mol)

419.9

419.9

* In de eindpuntentabel wordt een range van DT50-waarden gegevens, zonder een gemiddelde. De DT50 waarden (systeem) bedraagt 54-80 dagen; bij de berekeningen is een gemiddelde van deze waarden gehanteerd; in de berekeningen gaat het CTB er standaard vanuit dat de afbraak plaatsvindt in de waterfase, aangezien er nog geen standaardmethode is om de afzonderlijke afbraaksnelheden in water en sediment uit de water/sediment studie te bepalen; de afbraaksnelheid in het sediment wordt kunstmatig laag gehouden met een DT50 van 10.000 dagen.

** De gehanteerde KOM waarden zijn gebaseerd op Kd-waarden uit de EU-monograph

Tabel M.2: Overzicht berekende concentraties esfenvaleraat in oppervlaktewater*

Toepassing

max. dosering**

[kg w.s./ha]

max freq.**

Emissie**

[%]

PIEC**

[µg/L]

norm**

[µg/L]

PIEC/norm**

1) appels/peren (april) (v.g.)

toepassing beëindigd

2) appels (mei-aug) (v.g.)

toepassing beëindigd

3) peren (mei-aug) (v.g.)

toepassing beëindigd

4) uien (v.g.)

toepassing beëindigd

5a) koolsoorten (v.g.)

0,005

2

1

0,041

0,08

0,51

5b) koolsoorten (o.g.)

0,005

2

0,1

0,004

0,08

0,05

6) erwten/veldbonen/stamslabonen (v.g.)

0,005

2

1

0,041

0,08

0,51

7) prei (v.g.)

toepassing beëindigd

8) aardappel/pootaardappel (v.g.)

0,005

2

1

0,041

0,08

0,51

9) pootaardappel (Yn-virus) (v.g.)

toepassing beëindigd

10) granen (v.g.)

0,005

1

1

0,023

0,08

0,29

11) suikerbieten/voederbieten (v.g.)

0,01125

2

1

0,09

0,08

1,13

12) graszaad en graszodenteelt, weiland, sportvelden (v.g.)

0,0075

1

1

0,034

0,08

0,43

13a) bloembollen: gladiool (v.g.)

0,01

10

0,11

0,19

0,01

19

13b) bloembollen: gladiool (o.g.)

0,01

10

0,1

0,19

0,01

19

14a) bloembollen: hyacint, iris, tulp (v.g.)

0,01

7

0,11

0,18

0,01

18

14b) bloembollen: hyacint, iris, tulp (o.g.)

0,01

7

0,1

0,18

0,01

18

15a) bloembollen: lelie (v.g.)

0,01

20

0,11

0,20

0,01

20

15b) bloembollen: lelie (o.g.)

0,01

20

0,1

0,20

0,01

20

16) bloemisterijgewassen o.g.

0,025

2

0,1

0,21

0,08

2,6

* Het voorjaarsscentario, berekend volgens TOXSWA op basis van maximale dosering en maximale frequentie.

** De waarden die zijn gewijzigd ten opzichte van de eerdere berekeningen zijn vet gedrukt.

Voor wat betreft de relevante parameters blijken er verschillen te zijn in de waarden voor dampspanning en oplosbaarheid. De verschillen zijn van dien aard dat hogere concentraties in het oppervlaktewater worden verwacht, omdat de vervluchtiging aanzienlijk afneemt. De waarden van de dampspanning en oplosbaarheid in de definitieve eindpunten tabel zijn gebaseerd op studies die zijn geëvalueerd in het addendum van de monograph van esfenvaleraat.

In de berekeningen wordt gerekend met de waarden uit de definitieve eindpuntentabel.

De resultaten van de TOXSWA-berekeningen en toetsing aan de norm zijn samengevat in Tabel M.2. De toepassingen 1, 2 en 3 zijn door de toelatinghouder ingetrokken.

Op grond van de berekende PIEC-concentraties in het oppervlaktewater uit Tabel M.2 blijkt dat de toepassingen

• in de teelt van suikerbieten en voederbieten (volle grond)

• in de teelt van bloembollen (v.g. en o.g.)

• in de teelt van bloemisterijgewassen

thans niet voldoen aan de norm voor toxiciteit waterorganismen zoals opgenomen in het Bmb. Deze norm is gebaseerd op mesocosmstudies.

Conclusie milieu

Het CTB hanteert de norm van 0,08 µg/L voor toxiciteit waterorganismen voor toepassingen van middelen op basis van de werkzame stof esfenvaleraat met een maximale frequentie van 2. Voor toepassingen van middelen op basis van de werkzame stof esfenvaleraat met een maximale frequentie groter dan 2 hanteert het CTB de norm van 0,01 µg/L voor toxiciteit waterorganismen.

Op basis van het WG/GA van scenario ‘b’ van de toelatinghouder voldoen de volgende toepassingen thans niet aan de norm voor toxiciteit waterorganismen zoals opgenomen in het Bmb. Deze norm is gebaseerd op mesocosmstudies.

• in de teelt van suikerbieten en voederbieten (volle grond)

• in de teelt van bloembollen (v.g. en o.g.)

• in de teelt van bloemisterijgewassen (o.g.)

Op basis van het WG/GA van scenario ‘b’ van de toelatinghouder voldoen de volgende toepassingen thans aan de norm voor toxiciteit waterorganismen zoals opgenomen in het Bmb.

• in de teelt van koolsoorten (volle grond en onder glas)

• in de teelt van erwten/veldbonen/stamslabonen (volle grond)

• in de teelt van aardappels ter bestrijding van de larven van de Coloradokever

• in de teelt van aardappels ter bestrijding van bladluizen

• in de teelt van pootaardappels ter voorkoming van overdracht door bladluizen van het bladrolvirus

• in de teelt van granen

• in de graszaad- en graszodenteelt, in weiland en sportvelden

Eindconclusie

Het voornemen de toepassingen in de teelt van suiker- en voederbieten, bloembollen
(v.g. en o.g.) en bloemisterijgewassen te beëindigen per 1 juli 2001 kan worden omgezet in een definitieve beëindiging daar deze toepassingen niet voldoen aan de norm voor waterorganismen. Voorgesteld wordt als ingangsdatum 1 november 2001 vast te stellen
(6 maanden overgangstermijn tussen datum Collegebesluit en definitieve ingangsdatum).

In het Wettelijk Gebruiksvoorschrift en de Gebruiksaanwijzing zijn ook aanpassingen opgenomen in het kader van een beslissing op bezwaar betreffende deze toelating, van dezelfde datum als dit besluit. Het betreft de opname van de toepassingen in de teelt van prei en uien. Voor onderbouwing hieromtrent wordt verwezen naar de betreffende beslissing op bezwaar.

Besluit:

Het College besluit het voornemen de toepassing in de teelt van suiker- en voederbieten, bloembollen (v.g. en o.g.) en bloemisterijgewassen van het middel SUMICIDIN SUPER te beëindigen per 1 juli 2001 om te zetten in een definitieve beëindiging per 1 november 2001 daar niet kan worden vastgesteld dat voldaan wordt aan de artikelen 3a en 3 van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962. De genoemde toepassingen voldoen niet aan de norm voor waterorganismen.

De einddatum is reeds vastgesteld op 1 augustus 2005

Wageningen, 8 december 2000

HET COLLEGE VOOR DE TOELATING VAN BESTRIJDINGSMIDDELEN,





(voorzitter)