Toelatingsnummer 12118 N

     

 

Ferramol Ecostyle Slakkenkorrels  

 

12118 N

 

 

 

 

 

 

 

Het College voor de Toelating

van Bestrijdingsmiddelen,

 

 

gelet op artikel 5 van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 (Stb. 288),

 

BESLUIT

 

Enig artikel

 

Het besluit tot toelating van het middel Ferramol Ecostyle Slakkenkorrels onder nr. 12118 N d.d. 26 mei 2000, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 1 februari 2002, wordt op gronden als in bijlage II dezes vermeld, met ingang van heden als volgt gewijzigd:

 

Aan het gestelde onder § IV.2. wordt toegevoegd: “e. bij het toelatingsnummer een cirkel met daarin de aanduiding “W.1.” “

 

De bijlage 1 bij bovengenoemd besluit wordt vervangen door bijlage 1 dezes.

 

Degene wiens belang rechtstreeks bij dit besluit is betrokken kan gelet op artikel 8 van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 en artikel 7:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, binnen zes weken na de dag waarop dit besluit bekend is gemaakt een bezwaarschrift indienen bij het bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen. Een dergelijk bezwaarschrift dient te worden geadresseerd aan: Het College voor de Toelating van Bestrijdingsmiddelen, Postbus 217, 6700 AE WAGENINGEN.

 

Wageningen, 3 september 2004

HET COLLEGE VOOR DE TOELATING VAN BESTRIJDINGSMIDDELEN,





(voorzitter)

 

 

Aan:

W. NEUDORFF GMBH KG

AN DER MUHLE 3
31860 EMMERTHAL

DUITSLAND

 


 


HET COLLEGE VOOR DE TOELATING VAN BESTRIJDINGSMIDDELEN

 

BIJLAGE I bij het wijzigingsbesluit van het middel Ferramol Ecostyle Slakkenkorrels,

toelatingsnummer 12118 N

 

 

A.

WETTELIJK GEBRUIKSVOORSCHRIFT

 

Toegestaan is uitsluitend het gebruik als middel ter bestrijding van naaktslakken.

 

 

B.

Gebruiksaanwijzing

 

Algemeen

 

Ferramol Ecostyle Slakkenkorrels is een middel op basis van de werkzame stof ferri fosfaat (ijzer(III)fosfaat). De korrels zijn attractief voor naaktslakken. Onmiddellijk na opname van de korrels stoppen de slakken met vreten. De optredende vraatstop gaat niet gepaard met een sterke slijmvorming. De slakken trekken zich terug in hun schuilplaats en gaan na korte tijd dood. In gewassen waarbij de slakken zich continu op het gewas bevinden kunnen slakkenkorrels onvoldoende werken en is een vroegtijdige behandeling nodig.

 

De ondergronds, verborgen levende slakken (zoals de kielslak) worden niet bestreden. Schade aan een aardappelgewas tengevolge van deze kielslak wordt niet voorkomen.

 

Toepassingen

 

Ter bestrijding van naaktslakken.

Een behandeling uitvoeren zodra slakken of slakkenvraat worden waargenomen. Het middel bij voorkeur uitstrooien in de avonduren met de hand of een granulaatstrooier/kunstmest-strooier.

De behandeling herhalen als alle korrels zijn weggevreten én er nog steeds slakken worden waargenomen. Bij zware aantasting de hoogste dosering gebruiken.

Dosering: 25-50 kg/ha of 2,5-5 gram per m².

 

 

 

Wageningen, 3 september 2004

 

 

HET COLLEGE VOOR DE TOELATING VAN BESTRIJDINGSMIDDELEN,





(voorzitter)

 



HET COLLEGE VOOR DE TOELATING VAN BESTRIJDINGSMIDDELEN

 

BIJLAGE II bij het wijzigingsbesluit van het middel Ferramol Ecostyle Slakkenkorrels, toelatingsnummer 12118 N.

 

 

Het betreft een aanvraag tot uitbreiding van de toelating van het middel Ferramol Ecostyle Slakkenkorrels, 20020588 UG, een middel op basis van de werkzame stof ferri fosfaat.
Het middel is reeds toegelaten als slakkenbestrijdingsmiddel in de teelt van sla (met uitzondering van veldsla) en andijvie, bloemkool, broccoli, spruitkool, rode kool, witte kool, spitskool, savooie kool, boerenkool en in de teelt van bloemisterijgewassen.

 

De uitbreiding wordt aangevraagd in de teelt van groentegewassen, akkerbouwgewassen, siergewassen[1] en fruitgewassen.

 

In overleg met de aanvrager is de claim gewijzigd in een uitbreiding naar toepassing in alle teelten.

 

De einddatum van de werkzame stof ferri fosfaat is 31 oktober 2011.

 

De werkzame stof ferri fosfaat is geplaatst op Bijlage I bij de Gewasbeschermingsrichtlijn 91/414/EG in 2001 (Richtlijn 2001/87/EEG, d.d. 12 oktober 2001).

 

De huidige beoordeling en besluitvorming zijn overeenkomstig de in bijlage VI bij
Richtlijn 91/414/EEG vastgelegde uniforme beginselen op basis van een dossier dat beantwoordt aan de eisen van bijlage III bij die richtlijn.

 

 

Stand van zaken met betrekking tot de aanvraag

 

De aanvraag is op 11 november 2002 ontvangen. De aanvraag is op 14 augustus 2003 niet in behandeling genomen vanwege het ontbreken van gegevens voor het aspect werkzaamheid. Op 27 november 2003 zijn ontbrekende gegevens ontvangen.
De aanvraag is op 4 maart 2004 in behandeling genomen. De 34-weken termijn eindigt op

12 november 2004.

 

Toepassingsoverzicht

 

In tabel 1 wordt een overzicht gegeven van de aangevraagde toepassingen.

 

Tabel 1: toepassingsoverzicht

Toepassing

Dosering w.s. [kg/ha]

Freq.

Interval

[dag]

Tijdstip toepassing

Alle gewassen

0,25 – 0,5

1-4

14

maart-mei of september/oktober

 


 

Profiel fysische en chemische eigenschappen

 

Werkzame stof ferri fosfaat

 

Voor de fysisch-chemische eigenschappen van ferri fosfaat wordt gebruik gemaakt van de eindpuntentabel zoals die is opgenomen in het eindreviewrapport van 8 maart 2002 en van de monograph (20/7/1999). De stof ferri fosfaat is voor de Europese herbeoordeling geplaatst op Annex I van Directive 91/414/EEC.

 

Identity

Chemical name (IUPAC)

Ferric phosphate

Chemical name (CA)

Ferric phosphate

CIPAC No

629

CAS No

10045-86-0

EEC No (EINECS or ELINCS)

233-149-7

FAO Specification (including year of                                publication)

Not available, Food Chemical Codex quality.

Minimum purity of the active substance as manufactured (g/kg)

990 g/kg

Molecular formula

FePO4 · 4 H2O

Molecular mass

222.9 (150.82, anhydrous)

Structural formula

 

 

 

Physical-chemical properties

Melting point (state purity)

Does not melt - degrades into ferric oxide, Fe2O3, at a temperature near 500°C.

Boiling point (state purity)

Ferric Phosphate is a solid which degrades into ferric oxide, Fe2O3, at a temperature near 500°C. It loses water above 140°C.

Temperature of decomposition

Degrades into ferric oxide, Fe2O3, at a temperature near 500 °C

Appearance (state purity)

Dry powder, white to buff.

Relative density (state purity)

2.87 g/ml (20°C)

Surface tension

Not applicable.

Vapour pressure (in Pa, state temperature)

Non-volatile.

Henry’s law constant (in Pa·m3·mol -1)

Not applicable.

Solubility in water (in g/l or mg/l, state                                   temperature)

pH 7: 1.86 x 10-12 g/l (25 °C)
With decreasing pH, the solubility increases.

Solubility in organic solvents (in g/l or

 mg/l, state temperature)

Ferric phosphate is insoluble in organic solvents.

Partition co-efficient (log Pow) (state pH and temperature)

Not applicable (ferric phosphate is practically insoluble).

Hydrolytic stability (DT50) (state pH and temperature)

Not applicable (ferric phosphate is practically insoluble in water).

Dissociation constant

Not applicable (ferric phosphate is practically insoluble in water).

UV/VIS absorption (max.) (if absorption >290 nm state wavelength)

Not applicable (ferric phosphate is practically insoluble in water).

Photostability (DT50) (aqueous, sunlight,  state pH)

Not applicable (ferric phosphate is practically insoluble in water).

Quantum yield of direct photo-

transformation in water at λ > 290 nm

Not applicable (ferric phosphate is practically insoluble in water).

Flammability

Non-flammable.

Explosive properties

Non-explosive.

 

Middel Ferramol Ecostyle Slakkenkorrels

 

Voor de fysisch-chemische eigenschappen van Ferramol Ecostyle Slakkenkorrels wordt gebruik gemaakt van de monograph van ferri fosfaat (20/7/1999). Het middel dat in de monograph van ferri-phosphate wordt beproken is Ferramol Schneckenkorn (NEU 1165 M) en is gelijk aan Ferramol Ecostyle Slakkenkorrels (NEU 1165 M).

 

Formulation type (GIFAP code)

GB

Appearance

Pale blue, odourless, solide granule

Explosive properties

Contains no explosive compounds

Oxidative properties

The product has no oxidising or reducing properties and contains no oxidising or reducing agents

Autoflammability

The product does not burn in the absence of an ignition source.

Flashpoint

The product does not flash.

pH 1% solution

4.3-4.6

Surface tension

Not applicable

Viscosity

Not applicable

Relative density

Pour density 0.79 ± 0.01 g/ml at 20 °C

Tap density 0.81 ± 0.01 g/ml at 20 °C

Storage stability/Shelf life

Stable for 14 days at 54 °C

Stable for 12 months at roomtemperature

Content active substance (g/l or g/kg)

9.9 g/kg

 

Ook de eigenschappen grootteverdeling, stofgehalte van granulaten, afslijting van granulaten en stroombaarheid van granulaten zijn getest en voldoen aan de eisen.

 

Voor de houdbaarheidsstudie wordt in het eindreviewrapport van 8 maart 2002 verwezen naar appendix III “List of studies which were submitted during the evaluation process and were not cited in the draft assessment report”.

Behoudens deze ontbrekende (2 jaar) houdbaarheidsstudie, voldoet het middel verder aan de eisen met betrekking tot de fysisch-chemische eigenschappen.


Analysemethoden in technisch materiaal en product

 

De gegevens over de analysemethoden zijn overgenomen uit de monograph 30/7/1999.

 

Technical as (principle of method)

Redox titration (described in FCC)

Impurities in technical as (principle of  method)

Titration, photometry (described in FCC

Plant protection product (principle of

method)

Determination of ferric phosphate after degistion with AAS

 

De analysemethoden voor de actieve stof en de onzuiverheden in het technisch materiaal en het handelsmiddel zijn als afdoende beoordeeld in de monograph.

 

Residuanalysemethoden

 

De gegevens over de residu analyse methoden zijn overgenomen uit de monograph 30/7/1999.

 

Food/feed of plant origin (principle of method and LOQ for methods for monitoring purposes)

Not required

Food/feed of animal origin (principle of method and LOQ for methods for monitoring purposes)

Not required

Soil (principle of method and LOQ)

Not required

Water (principle of method and LOQ)

Not required

Air (principle of method and LOQ)

Not required

Body fluids and tissues (principle of method and LOQ)

Not required

 

Er worden geen relevante residuen verwacht. Daarom is er geen residudefinitie en zijn er geen MRL’s vastgesteld. Dientengevolge zij geen residuanalysemethoden vereist.

 

Conclusie fysisch chemische eigenschappen

 

De geleverde gegevens geven in voldoende mate de mogelijkheid weer op basis waarvan de identiteit van de stof en het middel kan worden vastgesteld, gespecificeerd en gekarakteriseerd, met uitzonderling van de houdbaarheid van het middel. De  houdbaarheidsduur van 2 jaar van het middel dient nog te worden aangetoond.

Er is vastgesteld dat de standaardgegevens voor milieu, toxicologische aspecten en risico’s met betrekking tot de fysisch-chemische eigenschappen beschikbaar zijn.

 

Voorstel voor classificatie onderdeel fysisch chemische eigenschappen (symbolen en R- en S-zinnen)

 

Op basis van bovenstaand profiel van de stof, de eigenschappen van de hulpcomponenten en het middel wordt voorgesteld geen symbolen of R/S-zinnen toe te voegen voor het onderdeel fysisch chemische eigenschappen.

 




Ontbrekende gegevens met betrekking tot  fysisch chemische eigenschappen

 

De 2 jaar houdbaarheidsstudie ontbreekt. De houdbaarheid dient te worden gestaafd met onderzoeksrapporten van houdbaarheidsproeven voor het middel in de opgegeven handelsverpakking (uitgevoerd volgens GIFAP 17).

 

Profiel werkzaamheid

 

De samenvatting en evaluatie is opgesteld door de Plantenziektenkundige Dienst. Daar waar het relevant is,  zijn delen uit deze samenvatting en evaluatie opgenomen in de beoordeling.

 

Claim

 

Ferramol Ecostyle Slakkenkorrels wordt geclaimd ter bestrijding van naaktslakken in de teelt van groentegewassen, akkerbouwgewassen, siergewassen, fruitgewassen.

 

De geclaimde dosering is 12,5 tot 50 kilogram per hectare. Deze dosering is afhankelijk van het geteelde gewas en de hoeveelheid slakken in het gewas.

Het middel dient bij voorkeur in de avonduren te worden uitgestrooid zodra slakken of slakkenvraat wordt waargenomen. De behandeling moet herhaald worden als alle korrels zijn weggevreten en er nog steeds slakken worden waargenomen.

 

Karakterisering van het middel

 

Ferramol Ecostyle Slakkenkorrels is een granulaat op basis van de werkzame stof

ferri fosfaat. De componenten van deze werkzame stof zijn ijzer en fosfaat. Deze stof komt van nature in de bodem voor. De werking van de werkzame stof ferri fosfaat is gebaseerd op het verstoren van de vochthuishouding en de slijmvorming van de slakken. De slakken stoppen na opname van de werkzame stof met vreten. Enige tijd later sterven de slakken.
De korrels hebben een lokkende werking op plantschadelijke slakken.

Ferri fosfaat wordt niet opgenomen door de planten. Het middel moet zo gelijkmatig mogelijk worden verstrooid. Ferramol Ecostyle Slakkenkorrels is al toegelaten in de teelt van sla, kool en bloemisterijgewassen in een dosering van 50 kg/ha.

Er is in Nederland een aantal middelen toegelaten op basis van ferri fosfaat. Deze middelen zijn voor dezelfde toepassingen toegelaten als Ferramol Ecostyle Slakkenkorrels.

 

Aantaster/teelt

 

Slakken komen algemeen voor in Nederland. De landslakken zijn onder te verdelen in naaktslakken en huisjesslakken. Met name de naaktslakken kunnen veel schade veroorzaken aan land- en tuinbouwgewassen.

De naaktslakken zijn onder te verdelen in 2 groepen ondergrondse- en bovengrondse schadeveroorzakers. Tot de ondergrondse behoren de kielslakken (Milax spp.) en sommige wegslakken (Arion spp.). De ondergrondse slakken leven van niet-groene plantendelen, zoals wortelen en knollen. Tot de bovengrondse categorie behoren de aardslakken (Deroceras spp.) en sommige wegslakken (bijvoorbeeld de grauwe wegslak, Arion circumscriptus). Deroceras spp. zijn mobieler dan Arion spp. en zullen zich onder ongunstige omstandigheden (droogte) sneller verplaatsen.

In het voor- en najaar zijn naaktslakken erg actief. Ook het paren vindt meestal in deze perioden plaats. De eieren worden in hoopjes vlak onder het grondoppervlak afgezet.

Slakken hebben vocht nodig om te overleven en zich te kunnen verplaatsen.


Wanneer het boven de grond vochtig is, komen vooral 's-nachts de slakken tevoorschijn uit de bodem of schuilplaatsen en gaan op zoek naar voedsel. Slakken komen vooral op zwaardere gronden (veel kluiten en vochtig) voor.

Naaktslakken vreten bij voorkeur aan jonge scheuten en bladeren. Hoewel bepaalde gewassen, zoals kropsla, groene asperge en spruitkool voor slakken extra aantrekkelijk zijn, kunnen ze ook in andere gewassen veel schade aanrichten.

Schade ontstaat door vreterij aan de gewassen, waardoor kwalitatieve en kwantitatieve opbrengstderving optreedt. Vraatplekken kunnen daarbij invalspoorten vormen voor allerlei andere plantenziekten. Daarnaast vervuilen de slakken de planten door uitwerpselen en slijm. De akkeraardslak (Deroceras reticulatum) is de meest algemeen voorkomende naaktslak. Afhankelijk van het gewas kunnen slakken zich ook continu op het gewas bevinden (bijvoorbeeld op aardbei, boerenkool en spruitkool) en moet tijdig een bestrijding met slakkenkorrels uitgevoerd worden voor ze migreren naar de gewassen.

Incidenteelt zorgen slakken bijvoorbeeld in de teelt van aardappelen voor ondergrondse problemen. In aardappelen vreten slakken (voornamelijk wegslakken) zich vanaf de onderzijde van de knollen naar binnen en vreten de aardappel helemaal leeg. Deze slakken leven in de grond en zijn in de regel na het poten niet met slakkenkorrels te bestrijden.

Ook kunnen slakken tijdens de bewaring van een aantal gewassen schade geven.

Slakken komen algemeen voor in diverse teelten.

 

Wijze van bestrijding

 

Om schade door naaktslakken te voorkomen kunnen preventieve maatregelen worden genomen, zoals een goede bedrijfhygiëne, het verwijderen en vermijden van schuilplaatsen van slakken en een vlakke en fijnkorrelige grond. Daarnaast is het belangrijk om natuurlijke vijanden, zoals vogels en kikkers, te sparen en kunnen natuurlijke vijanden, zoals aaltjes en kippen, ingezet worden. Alle genoemde maatregelen zijn niet altijd afdoende of zijn voor grootschalig gebruik niet praktisch uitvoerbaar.

Daarnaast kan een chemische behandeling worden uitgevoerd. Ter bestrijding van slakken zijn in Nederland middelen toegelaten op basis van metaldehyde, methiocarb en thiodicarb in de vorm van slakkenkorrels. De twee belangrijke componenten voor de werking in slakkenkorrels zijn de werkzame stof en het lokmiddel. In gewassen die erg geliefd zijn bij slakken is het noodzakelijk dat de lokwerking van de korrels groter is dan de aantrekkingskracht van het gewas. Slakkenkorrels werken alleen tegen een bovengrondse aantasting.

 

 

Beoordeling werkzaamheid

 

Het middel is toegelaten in sla (met uitzondering van veldsla) en andijvie, bloemkool, broccoli, spruitkool, rode kool, witte kool, spitskool, savooie kool, boerenkool en in de teelt van bloemisterijgewassen tegen wegslakken (met name Arion soorten) in een dosering van 50 kg/ha.

 

Het betreft hier een uitbreiding van het gebruiksgebied (zowel meer teelten als meer soorten slakken) en er wordt nu een doseringsreeks (van 12,5 – 50 kg/ha) geclaimd in plaats van één dosering. 

 


Benodigd onderzoek

 

Het betreft een uitbreiding van het toepassingsgebied. De dossiervereisten hiervoor zijn vastgelegd in de Handleiding voor de Toelating van Bestrijdingsmiddelen v.0.2.

Geleverde gegevens

 

Naast proefgegevens is een motivatie omtrent extrapolatie geleverd.

Proefopzet en -uitvoering

 

De opzet en uitvoering van de bruikbare proeven is overeenkomstig de vereisten. Naast deze proeven zijn tevens een aantal aanvullend bruikbare proeven geleverd. Deze proeven zijn slechts ten dele bruikbaar, enerzijds in verband met een afwijkende proefopzet of in verband met een te geringe aantasting.

Effectiviteit

 

Vaststellen dosering

 

Uit zowel de bruikbare als de aanvullend bruikbare proeven is gebleken dat de werking (dode en levende slakken, stand van het gewas, opbrengst, hoeveelheid kiemende planten en aangetaste planten) tegen slakken van de doseringen Ferramol Ecostyle Slakkenkorrels vergelijkbaar is.

De werking van de verschillende doseringen is ook in het algemeen vergelijkbaar met het referentiemiddel op basis van metaldehyde en significant beter dan het onbehandelde object.  Een goed statistische onderscheid tussen de doseringen is niet gevonden, onder andere door de matige aantasting in de proeven.

 

Werking

 

Uit de geleverde gegevens kan geconcludeerd worden dat het middel werkt tegen wegslakken. De werking tegen alle naaktslakken zou in principe met de geleverde gegevens niet te beoordelen zijn. De reden is dat de aanvullend bruikbare proeven tegen aardslakken niet onder veldomstandigheden zijn uitgevoerd. Echter bij beoordeling van het geheel aan proeven, rekening houdend met het feit dat het middel al toegelaten is voor diverse teelten, is een beoordeling van de werking tegen de groep van naaktslakken uit te voeren. 

Uit de bruikbare en aanvullend bruikbare proeven in tarwe blijkt dat de werking van

25 kg/ha en 50 kg/ha Ferramol Ecostyle Slakkenkorrels tegen naaktslakken overeenkomt. Daarnaast blijkt uit de bruikbare proeven in wintertarwe dat de werking van 12,5 kg/ha,

25 kg/ha en 50 kg/ha ook vergelijkbaar is. De mate van aantasting was in alle bruikbare proeven niet zwaar, waardoor niet duidelijk is in welke situatie de hoogste dosering gebruikt moet worden. Aangenomen mag worden dat de lagere doseringen bij een zware tot zeer zware aantasting onvoldoende zullen zijn. Bij deze proeven is het complex van naaktslakken getoetst.

Uit de diverse proeven bleek dat het middel, met name in de potproeven een voldoende werking heeft tegen het complex aan naaktslakken. In enkele proeven is tevens getoetst op Deroceras-soorten.  Hoewel te weinig om strikt een resultaat aan te verbinden,  kan op grond van deze proeven, de vergelijking met het referentiemiddel, waarbij een vergelijkbare werking werd gevonden en het feit dat het middel toegelaten is in de teelt van diverse groentegewassen en bloemisterijgewassen de conclusie worden getrokken dat het middel voor naaktslakken in het algemeen werkzaam zal zijn. De ondergronds, verborgen levende slakken (zoals de kielslak) worden niet bestreden. In de gebruiksaanwijzing dient hiertoe een opmerking te worden opgenomen.

Ter onderbouwing van de dosering wordt geconcludeerd dat er onvoldoende gegevens zijn om hier een duidelijk voorschrift aan te verbinden. Bij zeer zware aantastingen zullen de lagere doseringen echter onvoldoende werkzaam zijn. Het middel is momenteel toegelaten in een dosering van 50 kg/ha. Teneinde niet onnodig veel middel voor te schrijven wordt ingestemd met het voorstel voor een doseringsreeks van 25-50 kg/ha. Voor de laagste dosering 12,5 kg/ha is het vooralsnog onduidelijk of het middel bij deze dosering in voldoende mate werkzaam is tegen de geclaimde naaktslakken. De werking van het middel berust namelijk met name op het ontdekken van de slakkenkorrels door de slakken en het vervolgens consumeren. Het ontdekken van de slakkenkorrels is slechts ten dele gericht, en verder voor een groot deel afhankelijk van het toeval (de trefkans dat een slak een korrel vindt).  Gezien dit enigszins teelt onafhankelijke werkingsmechanisme, kan gesteld worden dat indien het middel werkzaam is in de teelt van akkerbouwgewassen, groentegewassen en bloemisterijgewassen het middel ook werkzaam zal zijn in fruitgewassen en overige toepassingsgebieden zoals bijvoorbeeld plantsoenen en openbaar groen. Aangevraagd is de teelt van akkerbouwgewassen en de teelt van graszaad. Aangezien de teelt van graszaad onder de teelt van akkerbouwgewassen valt is deze niet verder gespecificeerd. Verder is gezien de toepassing voor particulier gebruik (tuinen etc) de term bloemisterijgewassen vervangen door de term siergewassen, aangezien deze term ook het particulier gebruik in tuinen afdekt.

Concluderend kan gesteld worden dat het middel werkzaam is ter bestrijding van de geclaimde schadelijke naaktslakken.

 

Schadelijke effecten

 

Er zijn bij deze aanvraag geen gegevens geleverd om de schadelijke effecten van
Ferramol Ecostyle Slakkenkorrels te kunnen beoordelen. G
ezien de ervaring met de huidige toelating van het middel wordt verwacht dat in veel gewassen geen fytotoxiciteit op zal treden.

Nadelige effecten in opbrengst, kwaliteit van het product (waaronder geur- en smaakbeïnvloeding)  en op volggewassen, nateelt en naburige gewassen zijn bij deze toepassing niet te verwachten.

 

Resistentie-ontwikkeling

 

Resistentie tegen de stof ferri fosfaat is niet bekend. Gezien het werkingsmechanisme van de werkzame stof worden geen problemen met resistentie verwacht of voorzien.

Extrapolatiemogelijkheden

 

Conform het extrapolatiedocument "Extrapolatiemogelijkheden werkings- en fytotoxiciteitsgegevens gewasbeschermingsmiddelen" november 2001, is voor de werking extrapolatie mogelijk van de akkeraardslak naar de grauwe wegslak (Arion circumscriptus) en de boswegslak (Arion silvaticus) en is extrapolatie mogelijk vanuit één van de toetsgewassen (bloemkool, broccoli, kropsla of sluitkool) naar andijvie, Lactuca sativa spp. en de andere genoemde toetsgewassen. Voor de schadelijke effecten is extrapolatie mogelijk van kropsla naar bloemkool, broccoli, sluitkool, Lactuca sativa spp. en andijvie. Verder kan vanuit de teelt van bloemisterijgewassen en groentegewassen geëxtrapoleerd worden naar de teelt van kruidengewassen.
Uitsluitend in deze situatie wordt verwacht dat het mogelijk is om te extrapoleren vanuit tarwe en de toegelaten toepassingen naar de andere akkerbouwgewassen en graszaad  Dit gezien de aard van het middel, de toelating van middel in onder andere sla, de toepassingswijze en de relatief lage hoeveelheid aan werkzame stof per hectare dat wordt toegepast. Hierbij wordt  opgemerkt dat de met name in de aardappelteelt voorkomende

-verborgen levende- kielslak niet bestreden wordt.


Conclusie werkzaamheid

 

Op basis van de geleverde gegevens en extrapolatiemogelijkheden kan geconcludeerd worden dat Ferramol Ecostyle Slakkenkorrels werkzaam is ter bestrijding van naaktslakken in een dosering van 25-50 kg/ha en dat de toepassing geen neveneffecten veroorzaakt op groente- en kruidengewassen, akkerbouwgewassen, fruitgewassen, siergewassen en openbaar groen en overige planten of gewassen, in een mate die niet aanvaardbaar is.

In de gebruiksaanwijzing dient de volgende opmerking te worden opgenomen:
“De ondergronds, verborgen levende slakken (zoals de kielslak) worden niet bestreden. “



Profiel humane toxicologie

 

Ferri fosfaat is geplaatst op Bijlage I bij de Gewasbeschermingsrichtlijn 91/414/EEG
(Richtlijn 2001/82/EC, 19 oktober 2001). Onderstaand overzicht van de toxicologie is overgenomen uit het reviewreport voor ferri fosfaat (SANCO/3035/99-rev.4,

d.d. 8 maart 2002).

 

Toxicology and metabolism

 

Bridging concept (Ferric phosphate: lower toxicity than Ferrous sulphate and other Iron salts expected)

Ferric phosphate:       No studies submitted for the a.s., animal studies submitted with the preparation (1% FePO4).  Very poor bio-availability, extremely low solubility in water and lipids, not volatile, but corrosive. No residues in food resulting from proposed uses and no relevant operator exposure expected.

Ferrous sulphate:       Extensive human data available, higher bioavailability than FePO4, better soluble in water and lipids than FePO4.

 

Definition of the Residues

Residues relevant to worker safety

None.

 

Absorption, distribution, excretion and metabolism in mammals

Rate and extent of absorption:

Poor bioavailability. Approximately 10% of dietary iron absorbed, influenced by dietary and host-related factors.

Distribution:

Widely distributed, highest residues in liver, absorption to specific transport proteins (e.g. haemoglobin).

Potential for accumulation:

No potential for accumulation under normal physiological conditions.

Rate and extent of excretion:

Low iron excretion under normal physiological conditions.

Toxicologically significant compounds:

Iron.

Metabolism in animals:

Ferric phosphate dissociates into trivalent iron-cations and phosphate-anions, iron is separately absorbed as ferrous ions.

 

 

Acute toxicity

Rat LD50 oral:

Ferric phosphate: no data
Single doses of Ferrous (II) sulphate equivalent to
200 – 250 mg elemental iron/kg bw cause severe toxic reactions in children.
Ferric (III) sulphate: 1487 mg/kg bw (Harmful).

Rat LD50 dermal:

Ferric phosphate: no relevant acute dermal toxicity;
Ferric (III) sulphate: >2000 mg/kg bw.

Rat LC50 inhalation:

Ferric phosphate: no data (not volatile)
Ferric (III) sulphate >1.1 mg/l

Skin irritation:

Ferric phosphate: no data; in-vitro test (irritation) required.

Eye irritation:

Ferric phosphate: no data; in-vitro test (corrosion) required.

Skin sensitization (test method used and result):

Ferric phosphate: no indication of sensitising potential; natural constituent of human diet;
Ferric (III) sulphate: no indication of sensitisation.

 

 

Short term toxicity

Target / critical effect:

Iron salts (acute – subchronic): gastrointestinal tract, liver, CNS, cardiovascular system.

Lowest relevant oral NOAEL / NOEL:

52 mg FePO4 per day (18 month, children)

Lowest relevant dermal NOAEL / NOEL:

Not applicable, no studies required.

Lowest relevant inhalation NOAEL / NOEL:

Not applicable, no studies required.

 

 

Genotoxicity

No mutagenic potential.

 

 

Long term toxicity and carcinogenicity

Target / critical effect:

Iron salts; liver, pancreas, cardiovascular system, endocrine system.

Lowest relevant NOAEL:

300 mg Fe/day (oral long-term therapeutic dose level)

Carcinogenicity:

No evidence of a carcinogenic potential (based on the bridging concept).

 

 


 

Reproductive toxicity

Target / critical effect – Reproduction:

No indication of reproductive toxicity (iron supplementation in pregnant women on a routine basis).

Lowest relevant reproductive NOAEL / NOEL:

50 mg Fe/day (therapeutic dose in pregnant women)

Target / critical effect – Developmental toxicity:

No indication of developmental toxicity (iron supplementation in pregnant women on a routine basis).

Lowest relevant developmental NOAEL / NOEL:

50 mg Fe/day (therapeutic dose in pregnant women)

 

 

Delayed neurotoxicity

No relevant neurotoxic effects of ferric phosphate: no data required.

 

 

Other toxicological studies

No studies submitted, not required.

 

 

Medical data

Ingestion of Ferrous sulphate tablets by children:
20-60 mg elemental iron/kg bw is moderately toxic,
200-250 mg elemental iron /kg bw is life threatening.

Summary

 

 

Value

Study

Safety factor

ADI (PMTDI, iron):

0.8 mg/kg bw/d

 

JECFA has 1983 allocated a Provisional maximum tolerable daily intake for man.

---

ADI (MTDI, phosphate):

70 mg/kg bw/d

JECFA has 1982 allocated a maximum tolerable daily intake for man.

---

AOEL systemic (PMTDI, iron):

0.8 mg/kg bw/d

JECFA has 1983 allocated a Provisional maximum tolerable daily intake for man.

---

ArfD (acute reference dose):

Not required.

Not necessary.

---

 

 

Dermal absorption

No relevant dermal absorption of FePO4 is expected
(extremely low solubility in water and lipids).  No study available for FeSO4.

 

 


Formulering

 

Ferramol Ecostyle Slakkenkorrels is een granulaat op basis van 1% ferri fosfaat.
De overige componenten (voornamelijk suiker en bloem) geven geen aanleiding tot zorg voor gezondheidsproblemen.

 

Formuleringstoxicologie

 

Op basis van studies met de formulering behoeft Ferramol Ecostyl Slakkenkorrels niet geclassificeerd te worden voor orale- en dermale toxiciteit (LD50 > 5000 mg/kg lg).
De formulering is niet huid- of oogirriterend.

 

Ontbrekend onderzoek formulering

 

Er zijn geen ontbrekende gegevens.



Beoordeling van het risico voor de toepasser (beroepsmatig/particulier/re-entry)

 

Vanwege het feit dat de formulering bestaat uit vaste, niet stuivende granules die praktisch onoplosbaar zijn in water en vetten, wordt geen relevante dermale absorptie van ferri fosfaat verwacht en wordt geen inhalatie risico verwacht. Mede gelet op de lage toxiciteit van ferri fosfaat is er geen risico voor de toepasser te verwachten. Ferramol Ecostyle Slakkenkorrels wordt geclaimd ter bestrijding van wegslakken (naaktslakken) in de teelt van groentegewassen, akkerbouwgewassen, siergewassen en fruitgewassen.

De dosering mag gereduceerd worden tot de helft (25 kg/ha) van die voor de reeds toegelaten toepassingen (50 kg/ha), afhankelijk van de aantasting.

 

 

Beoordeling van het risico voor de volksgezondheid

 

De risicobeoordeling voor de volksgezondheid is mede gebaseerd op de monografie van
ferri fosfaat en op de eindpunten m.b.t. de residuen van ferri fosfaat uit het reviewreport voor ferri fosfaat (SANCO/3035/99-rev.4, d.d. 8 maart 2002).

 

Eindpunten ferri fosfaat met betrekking tot residuen

 

Het residudossier van ferri fosfaat is nagenoeg leeg. Gezien de lage toxiciteit en het van nature voorkomen van ijzer en fosfaat in de bodem en in mens en dier wordt dit acceptabel bevonden. IJzer en fosfaat worden door planten als nutriënten opgenomen. Er worden geen relevante residuen in planten verwacht. Daarom worden geen residudefinitie, veiligheidstermijn en MRL’s voorgesteld.

 

Conclusie risico volksgezondheid

 

Op grond van bovenstaande gegevens zijn er geen risico’s voor de volksgezondheid te verwachten.

 

 


Etikettering

 

In ECCO 92 is besloten om de werkzame stof ferri fosfaat voorlopig te classificeren als ‘Schadelijk bij opname door de mond’ omdat acute toxiciteitsstudies met de werkzame stof ontbreken en er nog geen nadere argumentatie voor het niet hoeven classificeren is geleverd. De keuze is in het reviewreport voor ferri fosfaat (SANCO/3035/99-rev.4,

d.d. 8 maart 2002) gehandhaafd.

 

Voorstel voor classificatie werkzame stof

 

Symbool:

Xn

met als onderschrift: Schadelijk

 

R-zinnen

R22

Schadelijk bij opname door de mond

 

Voorstel voor classificatie formulering

 

Op basis van bovenstaand profiel van de stof, de geleverde formuleringstoxicologie voor het middel, de eigenschappen van de hulpcomponenten, de wijze van toepassen en de risicoschatting voor de  toepasser wordt voorgesteld het middel als volgt te etiketteren

(conform huidige etikettering):

 

Symbool:

-

met als onderschrift: -

 

R-zinnen

-

-

 

 

S-zinnen

S2

Buiten bereik van kinderen bewaren

 

S13

Verwijderd houden van eet- en drinkwaren en van diervoeder

 

S20/21

Niet eten, drinken of roken tijdens gebruik

 

Naar aanleiding van het “Project heretikettering krachtens Richtlijn 1999/45/EG” wordt in 2004 de etikettering mogelijk aangepast.

 

 

Profiel milieuchemie en -toxicologie

 

Voor de risicobeoordeling van milieu-aspecten is gebruik gemaakt van de definitieve

EU-eindpuntenlijst zoals vastgesteld bij plaatsing van ferri fosfaat op Annex I van gewasbeschermingsrichtlijn 91/414/EEG van 8 maart 2002.

 

De actieve stof is een stabiel, niet-vluchtig anorganisch zout dat praktisch niet oplost in water. IJzer en fosfaat-ionen zijn van nature aanwezig in bodems in concentraties van

0,2 - 5% “Fe” en 0,01 - 0,2 % “P”.

IJzer komt voor in een grote variëteit aan mineralen. In aërobe bodems is ijzer meestal aanwezig in de vorm van niet oplosbare Fe(III)oxides (bijv. goethiet, haematiet, ferrihydriet). Ijzerfosfaten die in de bodem voorkomen zijn bijv. strengiet en vivianiet. De beschikbaarheid van ijzer wordt beïnvloed door pH, redoxpotentiaal en de aanwezigheid van complex vormende stoffen in de bodem. Planten nemen ijzer in het algemeen op als Fe(II).

De primaire bron van fosfaat in de bodem is het mineraal apatiet. In bodems zijn er verschillende mechanismen van immobilisatie van fosfaat-ionen: adsorptie aan anorganische componenten, precipitatie als Ca-, Al- en Fe-fosfaten en chemische binding aan humusdeeltjes.   

IJzer en fosfaat-ionen komen van nature voor in aquatische ecosystemen en zijn essentiële nutriënten voor dieren en planten.

 

Fate and behaviour in the environment

 

Fate and behaviour in soil

 

Definition of the Residues

 

Residues relevant to the environment

None.

 

Route of degradation

 

Aerobic:

 

Mineralization after 100 days:

Not applicable.

Non-extractable residues after 100 days:

Not applicable.

Relevant metabolites above 10 % of applied active substance: name and/or code
% of applied rate (range and maximum)

Not applicable.

 

 

Supplemental studies

 

Anaerobic:

Not applicable.

 

 

Soil photolysis:

Not applicable.

 

 

Remarks:

None.

 

 

Rate of degradation

 

Laboratory studies

 

DT50lab (20 °C, aerobic):

Not applicable.

DT90lab (20 °C, aerobic):

Not applicable.

DT50lab (10 °C, aerobic):

Not applicable.

DT50lab (20 °C, anaerobic):

Not applicable.

 

 

Field studies (country or region)

 

DT50f from soil dissipation studies:

Not applicable.

DT90f from soil dissipation studies:

Not applicable.

Soil accumulation studies:

Not applicable.

Soil residue studies:

Not applicable.

 

 

Remarks:

e.g. effect of soil pH on degradation rate

None.

 



Adsorption/desorption

 

Kf / Koc:

Kd

pH dependence:

Not applicable.

 

 

Mobility

 

Laboratory studies:

 

Column leaching:

Not applicable.

Aged residue leaching:

Not applicable.

 

 

Field studies:

 

Lysimeter/Field leaching studies:

Not applicable.

 

 

Remarks:

None.

 

 Fate and behaviour in water

 

Abiotic degradation

 

Hydrolytic degradation:

Not applicable.

Relevant metabolites:

Not applicable.

Photolytic degradation:

Not applicable.

Relevant metabolites:

Not applicable.

 

 

Biological degradation

 

Readily biodegradable:

Not applicable.

Water/sediment study:

DT50 water:
DT90 water:
DT50 whole system:
DT90 whole system:

Distribution in water / sediment systems
(active substance)

Distribution in water / sediment systems
(metabolites)

Not applicable.

Accumulation in water and/or sediment:

Not applicable.

 

 

 


 


Degradation in the saturated zone

Not applicable.

 

 

Remarks:

None.

 

 Fate and behaviour in air

 

Volatility

 

Vapour pressure:

Non-volatile.

Henry's law constant:

Not applicable.

 

 

Photolytic degradation

 

Direct photolysis in air:

Not applicable.

Photochemical oxidative degradation in air

DT50:

Not applicable.

Volatilisation:

Not applicable.

 

 

Remarks:

None.

 

 Ecotoxicology

 

 

Definition of the Residues

 

Residues of ecotoxicological relevance

None.

 

 Terrestrial Vertebrates

 

Acute toxicity to mammals:

LD50 >5000 mg/kg bw (formulation Ferramol Schneckenkorn)

Acute toxicity to birds:

LD50 >2000 mg/kg bw (formulation Ferramol Schneckenkorn)

Dietary toxicity to birds:

No data provided.
Not required.

Reproductive toxicity to birds:

No data provided.
Not required.

Short term oral toxicity to mammals:

52 mg FePO4 per day (18 month, children)

 

 


Aquatic Organisms

 

Acute toxicity fish:

LC50 >100 mg/L, NOEC > 100 mg/L (96 h; Oncorhynchus mykiss)

Long term toxicity fish:

Not required.

Bioaccumulation fish:

Not relevant.

Acute toxicity invertebrate:

EC50 > 100 mg/L, NOEC > 100 mg/L (48 h; Daphnia magna)

Chronic toxicity invertebrate:

Not required.

Acute toxicity algae:

EC50>100 mg/L, NOEC > 100 mg/L (72 h; Scenedesmus subspicatus)

Chronic toxicity sediment dwelling organism:

Not required.

 

  Honeybees

 

Acute oral toxicity:

Not required.

Acute contact toxicity:

Not required.

 

  Other arthropod species

 

Test species

% Effect

Aphidius rhopalosiphi

0 % mortality, 52.2 % parasitisation
[adults; 1 kg as/ha; Ferramol Schneckenkorn

(10 g as/kg)]

Typhlodromus pyri

6.6 % mortality, 0 % fertility
[life cycle; 1 kg as/ha; Ferramol Schneckenkorn (10 g as/kg)]

Aleochara bilineata

5.5 % parasitisation
[life cycle; 1 kg as/ha; Ferramol Schneckenkorn (10 g as/kg)]

Poecilus cupreus

3.3 % mortality, 16.25 % food uptake
[adults; 1 kg as/ha; Ferramol Schneckenkorn

(10 g as/kg)]

 

  Earthworms

 

Acute toxicity:

LC50 > 10 mg as/kg soil

LC50 > 1000 mg Ferramol Schneckenkorn/kg soil

Reproductive toxicity:

NOEC reproduction Eisenia fetida 5 g/m2 Ferramol Schneckenkorn

NOEC weight Lumbricus terrestris 50 g/m2 Ferramol Schneckenkorn

 

 


Soil micro-organisms

 

Nitrogen mineralisation:

Not required.

Carbon mineralisation:

Not required.

 

 

Beoordeling van het risico voor het milieu

 

Persistentie en uitspoeling

 

Persistentie in de bodem

 

Specifieke data met betrekking tot afbraakroute en afbraaksnelheid zijn niet geleverd. De actieve stof is een stabiel, niet-vluchtig anorganisch zout dat praktisch niet oplost in water. IJzer en fosfaat-ionen zijn van nature aanwezig in bodems in concentraties van 0,2 - 5%
“Fe” en 0,01 - 0,2 % “P”. Deze hoeveelheden zijn een factor 500 - 50000 hoger dan de hoeveelheid die door toepassing wordt toegevoegd. In de EU is overeengekomen dat een dergelijke toevoeging ten opzichte van de natuurlijke aanwezige hoeveelheid voor ijzer aanvaardbaar is, hoewel dit geen generieke benadering is. Derhalve is er geen risico van ophoping in de bodem als gevolg van de toepassing te verwachten en voldoet de onderhavige toepassing op basis van ferri fosfaat aan de norm voor persistentie in de bodem volgens de Uniforme Beginselen (UB).

 

Uitspoeling naar het ondiepe grondwater

 

Specifieke data met betrekking tot adsorptie/desorptie en mobiliteit zijn niet geleverd. Gezien het feit dat de actieve stof vrijwel niet oplost in water en gelet op het gegeven dat zowel ijzer- als fosfaat-ionen overvloedig voorkomen in bodems in hoeveelheden die veel groter zijn dan de toegepaste dosering is er geen risico van uitspoeling naar het grondwater als gevolg van de toepassing te verwachten. Derhalve voldoet de onderhavige toepassing op basis van
ferri fosfaat aan de norm voor uitspoeling naar het ondiepe grondwater volgens de UB.

 

Risicobeoordeling voor aquatische organismen

 

Risicobeoordeling voor waterorganismen

 

Aangezien het middel een granulaat is dat wordt toegepast met de hand of een granulaatstrooier kan blootstelling van oppervlaktewater via drift worden uitgesloten.
De werkzame stof is vrijwel niet oplosbaar in water, zodat de enig mogelijke emissieroute naar aangrenzende wateren het afspoelen van bodemdeeltjes bij hevige regenval is. De maximale concentratie die in de waterfase kan worden verwacht komt overeen met de oplosbaarheid van ferri fosfaat van 1,86 x 10-12 g/L. De niet oplossende fractie komt terecht in het sediment en zal bijdragen aan het natuurlijke gehalte van ijzer en fosfaat in het sediment. Afspoeling naar een aangrenzend water van 0,5% van de toegediende hoeveelheid resulteert in een extra belasting van het sediment van 1,9
mg/kg Fe en 3,2 mg/kg PO43-. Genoemde concentraties zijn zeer gering, zowel in verhouding tot de NOEC voor waterorganismen (kreeftachtige, alg en vis) van > 100 mg/L als in vergelijking met natuurlijke achtergrondgehalten. Derhalve voldoet onderhavige toepassing aan de normen voor toxiciteit waterorganismen volgens de UB.

 

Meetgegevens

Fosfaat komt van nature voor in oppervlaktewateren. Er is daarnaast sprake van grootschalige emissie van antropogene oorsprong met bemesting als belangrijkste bron. Gemeten concentraties in oppervlaktewater liggen in de range van 0,2 - 0,8 mg/L (CIW/CUWVO Landelijke Watersysteemrapportage 1996).

Risicobeoordeling voor bioconcentratie

 

Zowel ijzer- als fosfaat-ionen komen overvloedig voor in bodems en natuurlijke wateren. Derhalve behoeft het risico van bioconcentratie geen nadere beoordeling en voldoet de onderhavige toepassing op basis van ferri fosfaat aan de norm voor bioconcentratie volgens de UB.

 

 

Risicobeoordeling voor terrestrische organismen

 

Risicobeoordeling voor vogels

 

Vogels kunnen worden blootgesteld aan de werkzame stof via granulaat en ten gevolge van doorvergiftiging.

 

Granulaat

Slakkenpellets kunnen door vogels worden opgenomen als voedsel of als grit. In de EU draft monograph is als worst case voor een kleine vogel van 25 g een opname van 25 pellets aangenomen. Gegeven dat een enkele pellet 10 mg  weegt,  volgt  hieruit een totale opname van 250 mg ofwel 10000 mg geformuleerd product/kg lichaamsgewicht (corresponderend met 100 mg w.s./kg lichaamsgewicht). Deze dosis is hoger dan de hoogste dosering die in de toxiciteitstest met Colinus virgianus is getest. Niettemin wordt op basis van het volledig ontbreken van effecten bij doseringen tot 2000 mg product/kg lichaamsgewicht, alsmede toxiciteitsgegevens voor zoogdieren geconcludeerd dat het middel geen risico voor vogels oplevert. Het CTB heeft in het commentaar op de draft monograph opgemerkt dat het de vraag is of 25 pellets gegeten door een vogel van 25 g als worst case kan worden gezien, de samenstelling van het middel in aanmerking genomen (suiker en meel). Voor een vogel van
25 g kan een dagelijkse voedselopname van 5 g worden aangenomen. Een limit test tot een dosering van 5000 mg/kg en bij voorkeur ook een test met de werkzame stof wordt wenselijk geacht.

De notifier heeft mede op grond van commentaar van Nederland aanvullende publicaties geleverd. Deze zijn opgenomen in het addendum van 31 augustus 2000 en het Backgroud Document C van 8 november 2001 behorende bij het Review Report van Ferric Phosphate.

Publications by Ramsey et al. (1954) and Planas et al. (1961) on certain aspects of iron metabolism in birds compared to mammals: The authors show that birds and mammals obviously have the same basic serum transport mechanism; however, female birds were observed to elevate the serum iron level during egg laying. This is regarded as a response to compensate for iron loss that is due to transfer of iron to the eggs.

 

A publication by Firman (1993): The author reports on the feed requirements in chicken turkey breeding; the table states a concentration of 50 mg/kg as recommended iron content in the diet (that would be equivalent to 1.8 % "Ferramol" in the diet).

 

A publication by Taylor et al. (1965) on avian physiology concluding that there are no indications that iron interferes with the calcium metabolism and egg shell formation, but iron deficiency may affect egg laying.

 

A paper by Gemmeke (1999) who reports that colouring of a material generally reduces the attractivity to birds.

 

Nederland kan met de conclusie dat er geen risico bestaat voor vogels zoals voorgesteld door de Rapporteur Member State Duitsland instemmen, omdat de LD50 voor zoogdieren van 5000 mg/kg lichaamsgewicht aan de openstaande vraag invulling geeft. Derhalve wordt een gering risico voor vogels verondersteld en voldoet de toepassing op basis van ferri fosfaat aan de norm voor vogels volgens de UB. 


 

Doorvergiftiging

Zowel ijzer als fosfaat-ionen komen overvloedig voor in bodems en natuurlijke wateren. Derhalve behoeft het risico van bioconcentratie geen nadere beoordeling en voldoet de onderhavige toepassing op basis van ferri fosfaat aan de norm voor bioconcentratie volgens de UB.

 

Risicobeoordeling voor zoogdieren

 

Zoogdieren kunnen worden blootgesteld aan de werkzame stof via granulaat en ten gevolge van doorvergiftiging

 

Granulaat

Slakkenpellets kunnen door graanetende zoogdieren worden opgenomen als voedsel gelet op de samenstelling van het middel (suiker en meel). In de EU draft monograph is als worst case voor een zoogdier van 25 g een opname van 25 pellets aangenomen. Gegeven dat een enkele pellet 10 mg  weegt,  volgt  hieruit een totale opname van 250 mg ofwel 10.000 mg geformuleerd product/kg lichaamsgewicht (corresponderend met 100 mg w.s./kg lichaamsgewicht). Deze dosis is hoger dan de hoogste dosering die in de toxiciteitstest met ratten is getest. Niettemin wordt op basis van het volledig ontbreken van effecten bij doseringen tot 5000 mg product/kg lichaamsgewicht, alsmede toxiciteitgegevens voor zoogdieren geconcludeerd dat het middel geen risico voor zoogdieren oplevert. Een dosis van 100 mg w.s./kg lichaamsgewicht komt overeen met 28 mg Fe/kg lichaamsgewicht. In zoogdieren wordt een dosis van 20 mg Fe/kg lichaamsgewicht als niet toxisch beschouwd. Een dosis van 20-60 mg Fe/kg lichaamsgewicht geeft geringe tot matige intoxicatie te zien.
Dit heeft echter betrekking op oplosbare vormen van ijzer, terwijl ferri fosfaat slecht oplosbaar en in geringere mate zal worden geabsorbeerd. Derhalve wordt een gering risico voor zoogdieren verondersteld en voldoet de toepassing op basis van ferri fosfaat aan de norm voor zoogdieren volgens de UB. 

 

Doorvergiftiging

Zowel ijzer als fosfaat-ionen komen overvloedig voor in bodems en natuurlijke wateren. Derhalve behoeft het risico van bioconcentratie geen nadere beoordeling en voldoet de onderhavige toepassing op basis van ferri fosfaat aan de norm voor bioconcentratie volgens de UB.

 

Risicobeoordeling voor bijen en hommels

 

Er zijn geen acute toxiciteitsgegevens voor bijen beschikbaar. Het betreft een niet-systemisch middel en aangenomen wordt dat de blootstelling van bijen nihil zal zijn. Het risico voor bijen wordt gering geacht. De onderhavige toepassingen op basis van ferri fosfaat voldoen hiermee aan de norm voor bijen en hommels zoals opgenomen in de UB.

 

Risicobeoordeling voor niet-doelwit arthropoden

 

Op grond van laboratoriumgegevens is het middel bij twee maal de maximale enkelvoudige praktijkdosering niet schadelijk voor de kevers Poecilus cupreus en Aleochara bilineata en de roofmijt Typhlodromus pyri. In laboratoriumstudies naar de effecten van twee maal de maximale enkelvoudige praktijkdosering op Aphidius rhopalosiphi trad geen verhoogde sterfte op maar nam de parasiteringsgraad af met 52%.

Op basis van deze test kan twee maal de maximale praktijkdosering (2 x D) als LR50 waarde genomen worden. De MAF factor voor de onderhavige toepassingen is 3,4.


De Hazard Quotient voor in-field (maximale enkelvoudige dosering 50 kg middel/ha), berekend als dosering x MAF / LR50, bedraagt daarmee D x 3,4 / 2 x D = 1,7. 
Daarmee wordt de norm (HQ = 2) niet overschreden. Derhalve voldoen de onderhavige toepassingen aan de norm voor niet-doelwit arthropoden zoals opgenomen in de UB.

 

Risicobeoordeling voor regenwormen

 

Gezien het feit dat de actieve stof vrijwel niet oplost in water en gelet op het gegeven dat zowel ijzer als fosfaat-ionen overvloedig voorkomen in bodems in hoeveelheden die veel groter zijn dan de toegepaste dosering wordt het risico van het middel voor regenwormen gering geacht. Derhalve voldoen de onderhavige toepassingen aan de norm voor regenwormen zoals opgenomen in de UB.

 

Risicobeoordeling voor bodemmicro-organismen

 

Gezien het feit dat de actieve stof vrijwel niet oplost in water en gelet op het gegeven dat zowel ijzer als fosfaat-ionen overvloedig voorkomen in bodems in hoeveelheden die veel groter zijn dan de toegepaste dosering wordt het risico van het middel voor bodemmicro-organismen gering geacht. Derhalve voldoen de onderhavige toepassingen aan de norm voor bodemmicro-organismen zoals opgenomen in de UB.

 

Conclusie met betrekking tot milieu

 

Concluderend kan worden gesteld dat:

 

1.        ferri fosfaat voldoet aan de norm voor per­sis­tentie zoals opgenomen in de Uniforme Beginselen (UB);

2.        alle onderhavige toepassingen op basis van ferri fosfaat voldoen aan de normen voor uitspoeling naar het ondiepe grondwa­ter zoals opgenomen in de Uniforme Beginselen (UB);

3.        alle onderhavige toepassingen op basis van ferri fosfaat voldoen aan de normen voor toxiciteit waterorganismen zoals opgenomen in de Uniforme Beginselen (UB);

4.        alle onderhavige toepassingen op basis van ferri fosfaat voldoen aan de norm voor vogels zoals opgenomen in de Uniforme Beginselen (UB);

5.        alle onderhavige toepassingen op basis van ferri fosfaat voldoen aan de norm voor zoogdieren zoals opgenomen in de Uniforme Beginselen (UB);

6.        alle onderhavige toepassingen op basis van ferri fosfaat voldoen aan de norm voor bijen en hommels zoals opgenomen in de Uniforme Beginselen (UB);

7.        alle onderhavige toepassingen op basis van ferri fosfaat voldoen aan de norm voor niet-doelwit arthropoden zoals opgenomen in de Uniforme Beginselen (UB);

8.        alle onderhavige toepassingen op basis van ferri fosfaat voldoen aan de norm voor regenwormen zoals opgenomen in de Uniforme Beginselen (UB);

9.        alle onderhavige toepassingen op basis van ferri fosfaat voldoen aan de norm voor bodemmicro-organismen zoals opgenomen in de Uniforme Beginselen (UB);

10.    ferri fosfaat voldoet aan de normen voor bioconcentratie zoals opgenomen in de Uniforme Beginselen (UB).


 

Conclusie

 

Bij gebruik volgens het Wettelijk Gebruiksvoorschrift en Gebruiksaanwijzing is het middel Ferramol Ecostyle slakkenkorrels, op basis van de werkzame stof ferri fosfaat, voldoende werkzaam en heeft het geen schadelijke uitwerking op de gezondheid van de mens en het milieu (artikel 3 en 3a Bestrijdingsmiddelenwet 1962).

 

In de Gebruiksaanwijzing dient opgenomen te worden: “De ondergronds, verborgen levende slakken (zoals de kielslak) worden niet bestreden. “

 

De huidige beoordeling en besluitvorming zijn overeenkomstig de in bijlage VI bij
Richtlijn 91/414/EEG vastgelegde uniforme beginselen op basis van een dossier dat beantwoordt aan de eisen van bijlage III bij die richtlijn.

 

Te leveren gegevens voor toekomstige beoordeling

 

Fysisch chemische eigenschappen

 

Onderzoeksrapporten van 2 jaar houdbaarheidsproeven voor het middel in de opgegeven handelsverpakking (uitgevoerd volgens GIFAP 17).

 

Besluit:

 

·       Het College besluit de aanvraag tot uitbreiding van de toelating van het bestrijdingsmiddel Ferramol Ecostyle slakkenkorrels, 20020588 UG, op basis van ferri fosfaat, als slakkenbestrijdingsmiddel in de teelt van alle gewassen, te honoreren op grond van artikel 3 en 3a van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962.

·       In de Gebruiksaanwijzing dient opgenomen te worden: “De ondergronds, verborgen levende slakken (zoals de kielslak) worden niet bestreden. “

 

 

 

Wageningen, 3 september 2004

 

 

HET COLLEGE VOOR DE TOELATING VAN BESTRIJDINGSMIDDELEN,





(voorzitter)

 

 



[1] Onder siergewassen wordt ook het particulier gebruik gerekend, met bloemisterijgewassen wordt uitsluitend de professionele toepassing beoogd.