MINISTERIE VAN LANDBOUW, NATUURBEHEER EN VISSERIJ

Toelatingsnummer 6443 N

DE STAATSSECRETARIS VAN LANDBOUW, NATUURBEHEER EN VISSERIJ,
in overeenstemming met
DE MINISTER VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT,
DE MINISTER VAN VOLKSHUISVESTING, RUIMTELIJKE ORDENING EN MILIEUBEHEER en
DE STAATSSECRETARIS VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID,

beslissende op de aanvraag d.d. 18 november 1998 (aanvraagnummer 98-944 TVA) tot verkrijging van een verlenging van de toelating voor het middel LUXAN MONAM GECONC., toelatingsnummer 6443 N,

gelet op de artikelen 3, 3a, 4, en 5 van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 (Stb. 288),

BESLUIT:

Enig artikel

In zijn besluit van 15 juli 1994 betreffende de toelating van het bestrijdingsmiddel

LUXAN MONAM GECONC.

onder toelatingsnummer 6443 N, wordt het bepaalde onder § 1, onder 2, op gronden als in bijlage 1 dezes vermeld, vervangen door:

"2. De toelating geldt tot 1 september 2000."

Een belanghebbende kan tegen dit besluit een met redenen omkleed bezwaarschrift indienen bij de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij. Als een bezwaarschrift wordt ingediend, moet dit binnen 6 weken na dagtekening van dit besluit worden verzonden naar: Het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, t.a.v. het Bureau bezwaarschriften en geschillen, Postbus 20401, 2500 EK DEN HAAG.

Wageningen, 24 september 1999

DE STAATSSECRETARIS VAN LANDBOUW,
NATUURBEHEER EN VISSERIJ,
voor deze:
HET COLLEGE VOOR DE TOELATING VAN BESTRIJDINGSMIDDELEN,


(plv. voorzitter)

Aan:

LUXAN B.V.
INDUSTRIEWEG 2
6662 PA ELST

MINISTERIE VAN LANDBOUW, NATUURBEHEER EN VISSERIJ

BIJLAGE I behorende bij het besluit tot verlenging van datum dezes van de toelating van het middel LUXAN MONAM GECONC., toelatingsnummer 6443 N

Betreft een aanvraag tot verlenging van de toelating van het middel LUXAN MONAM GECONC. (98-944 TVA) -een middel op basis van de werkzame stof metam-natrium- na
1 december 1999 (einddatum van de werkzame stof metam-natrium). Het middel is toegelaten als:

1. Als grondontsmettingsmiddel ter bestrijding van aaltjes ten behoeve van de teelt in de vollegrond van:

a. consumptieaardappelen, fabrieksaardappelen en pootaardappelen, met dien verstande dat toepassing in een kalenderjaar waarin op de betreffende grond aardappelen worden geteeld niet mag geschieden voor de aanvang van die teelt;

b. suikerbieten en voederbieten;

c. aardbeien;

d. zaaiuien, 1e jaars plantuien, 2e jaars plantuien, zilveruien, picklers en sjalotten;

e. vaste planten.

2. Als grondontsmettingsmiddel ter bestrijding van aaltjes en schimmels ten behoeve van de teelt in de vollegrond van:

a. groenten;

b. bloembollen en bolbloemen;

c. bloemisterijgewassen;

d. boomkwekerijgewassen.

3. Als grondontsmettingsmiddel in de vollegrond ter bestrijding van knolcyperus.

4. Als grondontsmettingsmiddel ten behoeve van de herinplant van boomgaarden

Bij de onder 1 t/m 4 genoemde toepassingen is gebruik in de vollegrond slechts toegestaan in de periode van 16 maart tot en met 15 november, tenzij de toepassing geschiedt ten behoeve van een op die toepassing direct volgende teelt van boomkwekerijgewassen, lelies, gladiolen, Canna, Eremurus, Liatris, Montbretia, Nerine, Paeonia, Ranunculus, Trigidia of een herinplant van boomgaarden.

1. Toepassing in de vollegrond

Het middel alleen toepassen met daartoe bestemde injectie-apparatuur. De injectie-apparatuur moet voorzien zijn van lekvrije doppen, b.v. roestvrijstalen antidrup-doppen of een systeem t.b.v. onderzoeksdoeleinden dat het nadruppen van d espuitdoppen voorkomt door middel van het met perslucht doorblazen van vloeistofleidingen voor het lichten van de scharen (bij. Systeem "Hartenhof"). De apparatuur laden met een lekvrij systeem (onder- of overdrukpomp), Bij het begin van een werkgang dienen eerst de injectiedoppen in de grond geplaatst te worden; pas daarna mag de afgifte worden ingeschakeld. Het middel op tenminste 10 cm diepte inbrengen. De afgifte dient tenminste 1 meter voordat de injectiedoppen uit de grond uit de grond worden gelicht, gestopt te worden.

Na injectie van het middel de grond onmiddellijk aanrollen.

Tijdens alle werkzaamheden ten behoeve van de grondontsmetting en het uitvoeren van de eerste grondbewerking na ontsmetting waarbij huidcontact met het middel kan optreden, doelmatige huidbeschermende kleding, handschoenen met lange schachten en rubberen laarzen dragen.

Verontreinigde kledingstukken onmiddellijk uittrekken. Handschoenen en laarzen die in contact zijn geweest met het middel altijd direct met veel water wassen.

Handschoenen buiten de cabine opbergen. Bij het gereedmaken van de toedieningsapparatuur, het verhelpen van storingen en het inwendig schoonmaken van de apparatuur een volgelaatsmaker dragen met B2-P3-filter, bij voorkeur voorzien van een aanblaaseenheid. Het filter tijdig maar niet later dan 1 maand na ingebruikname vervangen. Indien het filter als gevolg van een calamiteit aan hoge concentraties van het middel in de lucht heeft blootgestaan, deze dan direct vervangen.

Bij alle toepassingen gaat het om grondbehandeling bij buitenteelten, waarbij tot minstens 10 cm diepte wordt geïnjecteerd.

Naar aanleiding van C-27.3.7 d.d. 5 oktober 1994 werd besloten de toelating te verlengen tot 1 december 1999.

In C-27.3.7 d.d. 5 oktober 1994/C-54.3.1.a. d.d. 20 november 1996 werden de volgende verlengingsvoorwaarden vastgesteld.

Effectiviteitgegevens Fusarium bestrijding bij kleinbloemige gladiolen. Drie proeven dienen te worden uitgevoerd te worden onder voor Nederland vergelijkbare klimatologische omstandigheden.

• Omzettingsroute van methylisothiocyanaat in 1 grondsoort volgens G.1.1 van het aanvraagformulier. Indien een omzettingsproduct in de omzettingsstudie wordt gevormd in een gehalte van meer dan 10 % van de opgebrachte hoeveelheid methylisothiocyanaat, dient met dat omzettingsproduct een omzettingsstudie in tenminste 3 grondsoorten volgens G.1.1 van het aanvraagformulier en een schudproef volgens G.1.1 van het aanvraagformulier of een kolomproef met tenminste 3 grondsoorten ter bepaling van de Ks/1 volgens G.1.2 van het aanvraagformulier uitgevoerd te worden.

• omzettingssnelheid en omzettingsroute van methylisothiocyanaat in tenminste 2 water/sediment systemen volgens G.2.1 van het aanvraagformulier.

• Een studie naar de acute toxiciteit van het omzettingsproduct methylisothiocyanaat voor algen volgens H.2.1 van het aanvraagformulier (OECD-richtlijn 201).

• Een studie naar de acute toxiciteit van methylisothiocyanaat voor kreeftachtigen volgens H.2.2 van het aanvraagformulier (OECD-richtlijn 202).

Een studie naar de acute toxiciteit van methylisothiocyanaat voor vissen volgens H.2.2 van het aanvraagformulier (28-d juvenile growth test - OECD concept 1994).

Een studie naar de acute toxiciteit van methylisothiocyanaat voor regenwormen volgens H.2.4 van het aanvraagformulier ( OECD richtlijn 207).

• Een studie naar de chronische toxiciteit van het omzettingsproduct methylisothiocyanaat voor algen volgens H.2.1 van het aanvraagformulier (OECD-richtlijn 201).

• Een studie naar de chronische toxiciteit van methylisothiocyanaat voor kreeftachtigen volgens H.2.2 van het aanvraagformulier (OECD-richtlijn 202).

• Een studie naar de chronische toxiciteit van methylisothiocyanaat voor vissen volgens H.2.2 van het aanvraagformulier (28-d juvenile growth test - OECD concept 1994).

Alle verlengingsvoorwaarden betreffende de milieuaspecten zijn beantwoord.

Omdat de aanvrager geen bestrijding meer claimt voor de Fusarium bestrijding in gladiolen, vervalt dus de beoordeling op dit punt.

Bij brieven d.d. 10 en 20 augustus 1999 zijn nadere gegevens overgelegd omtrent de genotoxiciteit en de carcinogeniteit van metam-natrium. Zoals uit de onderhavige beoordeling blijkt, zijn deze gegevens noodzakelijk voor een goede beoordeling van het risico voor de mens als gevolg van blootstelling aan metam-natrium.

Deze gegevens zullen nu op korte termijn beoordeeld worden om opheldering te verkrijgen omtrent het aspect van genotoxiciteit.

Toxicologie

De toxicologie van metam-natrium is voor het laatst in het College besproken in C-27.3.7. Hierbij werden geen aanvullende vragen gesteld m.b.t. humane toxicologie. Wel zijn nadien door het RIVM enige nog niet eerder samengevatte oudere studies samengevat (1996). Zowel in het rapport van TNO (1994) betreffende het risico voor de toepasser als in de aanvullende samenvatting van het RIVM wordt gewezen op de onzekerheid die bestaat ten aanzien van eventuele clastogene effecten van metam-natrium. De stof veroorzaakt chromosoomaberraties in in vitro testen met humane lymphocyten en met CHO-cellen. In een in vivo chromosoom aberratie test in hamsters werd bij mannnetjes een geringe, maar statistisch sinificante toename van het aantal chromosoomaberraties gevonden bij een zeer hoge dosering
(600 mg/kg lg/d). Bij 150 en 300 mg/kg lg/d werd geen effect gevonden. Door de auteurs van het desbetreffende rapport wordt gesteld dat deze verhoging van het aantal chromosoomaberraties voor de totale groep (mannetjes plus vrouwtjes) binnen de historische controle range en daarom niet als een effect moet worden beschouwd. De betreffende historische controle waarden waren echter niet beschikbaar. Daarom beschouwt het RIVM in 1996 metam-natrium vooralsnog als genotoxisch in vivo.

Voor een goede beoordeling van het risico voor de mens als gevolg van blootstelling aan metam-natrium dienen de historische controle waarden geleverd en beoordeeld te worden. Indien dan de eindconclusie is dat metam-natrium in vivo niet genotoxisch is, hoeft de eerder opgestelde risico-beoordeling voor de toepasser van metam-natrium niet te worden bijgesteld.

Bij een conclusie dat metam-natrium in vivo genotoxisch is, zal levering van een carcinogeniteitsstudie noodzakelijk zijn om na te gaan of het genotoxisch effect daadwerkelijk leidt tot een verhoogd risico voor tumorvorming.

Opgemerkt wordt hierbij dat ook het degradatieproduct van metam-natrium, MITC in vitro chromosoomaberraties veroorzaakte, maar dit in vivo niet doet. Carcinogeniteitsstudies in rat en muis met MITC (overigens alleen als samenvatting beschikbaar) leverden geen verhoogde tumorincidentie op.

Van de aanvrager werden bij brieven 10 en 20 augustus 1999 studies met betrekking tot genoemde genotoxiciteit en tevens carcinogeniteit ontvangen. Genoemde studies worden nu met voorrang samengevat en beoordeeld.

Profiel milieuchemie en -toxicologie

Voor de risicobeoordeling van milieu-aspecten is gebruik gemaakt van een RIVM-adviesrapport van 20 augustus 1999.

Conform Art. 2 sub d van het Besluit milieutoelatingseisen bestrijdingsmiddelen is het Bmb niet van toepassing op de op het tijdstip van inwerkingtreding van het Bmb toegelaten gewasbeschermingsmiddelen die metam-natrium bevatten en waarop het Besluit regulering grondontsmettingsmiddelen van toepassing is.

Gezien het feit dat geen ander toetsingskader beschikbaar is heeft toetsing nu toch plaatsgevonden aan Bmb met inachtneming van hetgeen gesteld is in het Besluit regulering grondontsmettingsmiddelen aangaande de toepassingsfrequentie (per perceel mag een grondontsmettingsmiddel tot het jaar 2001 eens in de vier jaar gebruikt worden).

Bovendien staat in de toelichting op artikel 2 van het Besluit milieutoelatingseisen bestrijdingsmiddelen het volgende: "Door de in het besluit (regulering grondontsmettingsmiddelen) opgelegde beperking van de frequentie van grondontsmetting…. met deze middelen, wordt er vooralsnog van uitgegaan dat er daarmee wordt voldaan aan de milieukwaliteitseisen. Dit zal echter worden geëvalueerd.".

In het kader van de bovengenoemde evaluatie heeft de Stuurgroep Bestrijdingsmiddelenbeleid het College ook verzocht nader te bekijken of de onderhavige toelatingen voldoen aan de normen van het Besluit milieutoelatingseisen bestrijdingsmiddelen.

Gedrag in grond

Omzettingssnelheid en omzettingsroute in grond

Metam-natrium is goed afbreekbaar in de bodem tot mI (methylisothiocyanaat) en
1,3-dimethylthioureum (mII).

In aërobe laboratoriumexperimenten zijn de volgende DT50-waarden gevonden voor metam-natrium:

Tabel M.1 Overzicht omzettingssnelheid metam-natrium

grond

dosering

[mg/kg]

pH

T

[°C]

pF

DT50

[d]

DT50 20 °C

[d]

opmerkingen

silty loam

48-3200

8.4

20

-

<0.02

<0,02

geen

loam

-

7.6

5

-

0.01

0.003

geen

loam

-

7.6

25

-

0.0035

0.005

geen

Voor de risicobeoordeling worden voor metam-natrium de DT50’s van <0.02, 0.003 en 0.005 dagen gebruikt (gemiddelde 0.009 dagen; standaardafwijking 0.009 dagen).

In theorie kan 56,6 (massa)% van de toegevoegde dosis metam-natrium worden omgezet in mI. In laboratoriumstudies met 7 gronden bedroeg de DT50 8-40 min. Onder anaerobe omstandigheden (inundatie) verloopt de degradatie langzamer: DT50 15-600 min, evenals bij lagere temperaturen: 15 min. bij 5 ºC. In enkele experimenten bleek ca. 85% van de max. theoretische hoeveelheid mI te worden gevormd. Naast mI werd 1,3-dimethylthioureum (mII) aangetoond.

Methylisothiocyanaat (mI) is goed afbreekbaar in de bodem.

In aerobe laboratoriumexperimenten zijn de volgende DT50-waarden gevonden voor methylisothiocyanaat:

Tabel M.2 Overzicht omzettingssnelheid methylisothiocyanaat

grond

dosering

[mg/kg]

pH

T

[°C]

pF

DT50

[d]

DT50 20 °C

[d]

opmerkingen

loam

140

7.6

18

-

10

8.5

geen

loam

140

7.6

18

-

4

3.4

geen

silty loam

400

8.4

20

-

5.0

5.0

geen

-

400

8.2

20

-

5.0

5.0

geen

-

400

7.7

20

-

3.3

3.3

geen

-

400

7.5

20

-

4.1

4.1

geen

-

400

7.9

20

-

4.6

4.6

geen

-

400

6.8

20

-

9.9

9.9

geen

Voor de risicobeoordeling van methylisothiocyanaat worden DT50’s van 8.5, 3.4, 5.0, 5.0, 3.3, 4.1, 4.6, en 9.9 dagen gebruikt (gemiddelde 6 dagen; standaardafwijking 2 dagen).

In laboratoriumstudies in gesloten systemen met 11 grondsoorten (% o.s. 0.5-5; pH 5.0-8.4) bedroeg de DT50 van methylisothiocyanaat 3.3-11 dagen bij een temperatuur van 18-22 ºC. De degradatie volgt waarschijnlijk een eerste orde kinetiek hoewel bij lagere concentraties afwijkingen optreden. In een studie uitgevoerd bij 15 ºC treedt na 4-18 dagen een versnelling van de degradatie op, vermoedelijk als gevolg van adaptatie van microorganismen. Bij een temperatuur van 4 ºC werden DT50-waarden gevonden van >21 dagen. In kwetsbare gronden met extreem lage org. stofgehalten en watergehalten (loamy sand en sand: % o.s. 0-0.2) of extreem hoge org. stofgehalten en watergehalten (veen: % o.s. 50) bedroeg de DT50 >20 dagen. In een andere grond met 0.1% o.s. werd een DT50 van 4.6 dagen gevonden. De afbraak in 4 steriele gronden verliep eveneens langzamer dan onder niet-steriele omstandigheden: DT50: 11->21 dagen. Vervluchtiging is de belangrijkste verdwijningsroute: in open systemen vervluchtigde 75-97% van de toegediende activiteit binnen enkele dagen. In goed uitgevoerde studies waarbij gewerkt is met afdoende maatregelen om vervluchtiging tegen te gaan (gesloten systemen, diep inbrengen van de uitgangsstof, en goed aanstampen van de toplaag) bleek de verdwijnsnelheid 10-30 keer lager te liggen in vergelijking met genoemde open systemen.

In minder betrouwbare laboratoriumstudies bleek de DT50 op grondsoorten (% o.s. 2.5-18; pH 4.0-7.4) waarbij niet eerder grondontsmetting had plaatsgevonden beduidend hoger te zijn dan op grondsoorten, waarbij dit wel een of meer malen had plaatsgevonden: de DT50-waarden van de eerstgenoemde groep waren meestal niet hoger dan enkele dagen, die van laatstgenoemde konden oplopen tot 17 dagen. Het verschil werd verklaard door snelle microbiële adaptatie. Op twee niet eerder ontsmette grondsoorten was de DT50 van methylisothiocyanaat echter 24 en 35 dagen. Dan bleek ook de afbraak op eerder ontsmette grondsoorten — op dezelfde locatie — traag te verlopen (40-80% methylisothiocyanaat nog aanwezig na 20 dagen). Een duidelijke verklaring hiervoor was er niet.

In een betrouwbare laboratoriumstudie — gesloten systeem, gelabeld metam-natrium toegediend door druppelen, duur 127 dagen — met sand (% o.s. 0.2; pH 6.9) was binnen de eerste 24 uur 82% van de activiteit vervluchtigd als methylisothiocyanaat (mI). In de bodem bevond zich in de extraheerbare fractie nog slechts 3.4% (na 1 dag), die vervolgens verder afnam tot 0.3% na 127 dagen. De hoeveelheid methylisocyanaat in deze fractie nam af van
ca. 0.20 mg/kg d.w. (na 1 dag) tot 0.02 mg/kg d.w. na 21 dagen (i.e. de detectielimiet). Daarnaast werden in deze fractie 1,3-dimethylureum (mIV) (c. 0.40 mg/kg d.w. na 1 dag, afnemend tot 0.08 mg/kg d.w. na 60 dagen) en een onbekende metaboliet (0.24 mg/kg d.w. na 1 dag, afnemend tot 0.17 mg/kg d.w. na 60 dagen) aangetoond. Hierbij moet worden opgemerkt dat de gevormde hoeveelheden metabolieten elk weliswaar minder dan 10% van de toegediende activiteit vormen, maar dat de absolute concentraties in de grond nog altijd aanzienlijk kunnen zijn, blijkbaar door de hoge dosering (i.e. 126 mg metam-natrium/kg d.w.). De max. hoeveelheden grondgebonden residu en CO2 waren in deze studie resp. 6.8% (na
1 dag) en c. 9.0% (na 60 dagen). Aan het einde van de studie waren deze percentages resp. 1.6% en 8.7%.

In een minder goed uitgevoerde studie met 2 gronden met 14C-gelabeld methylisothiocyanaat en met dichloorpropeen als oplosmiddel werd op de dag van toepassing nog 70% als methylisothiocyanaat teruggevonden. In de ene grond nam de omzettingssnelheid bij lagere concentraties sterk af (ca. 19% als methylisothiocyanaat na 14 en 30 dagen), in de andere grond resteerde respectievelijk 51 en 44%. Het grondgebonden residu nam snel toe: na 21-30 dagen werden plateauwaarden van 25-60% bereikt, in enkele gevallen werd na deze periode een lichte daling van het grondgebonden residu waargenomen. Het grondgebonden residu is voornamelijk geassocieerd met de organische fractie. Niet geidentificeerde polaire metabolieten werden in lage gehalten aangetoond (4-6%), de gehalten aan vrij sulfaat bedroegen 10-35% gedurende de volledige testperiode van 22 dagen.

In veldstudies met drie grondsoorten (% o.s. 0.8-3.1; temperatuur 7-15 ºC en neerslag 0-54 mm) bedroeg de DT50 4 dagen. In een potexperiment onder veldcondities uitgevoerd (% o.s. 2.5; temperatuur 1.5-15 ºC) bedroeg de DT50 30 dagen. Uitspoeling en neerwaartse diffusie hadden geen noemenswaardige invloed op het verdwijningsproces.

In een studie met drie ondergrond materialen uitgevoerd onder anaerobe condities bij 10 ºC werden DT50-waarden gevonden van 2-9 dagen (DT50,20 ºC 0.9-4.0 dagen). Langzamere omzetting van methylisothiocyanaat werd vastgesteld in een betrouwbare laboratoriumstudie met vier geinundeerde zandgronden, waarbij de DT50,20 ºC varieerde van 3 tot 16 dagen. Deze studie geeft derhalve aan dat onder bepaalde omstandigheden, waarbij de microbiële activiteit beperkt is, methylisothiocyanaat in waterverzadigde grond langzamer wordt afgebroken. Een DT50 van 16 dagen duidt echter nog altijd op een goede afbreekbaarheid. De degradatie kan vaak met een eerste orde kinetiek worden beschreven. In twee grondsoorten nam de omzettingssnelheid sterk af nadat <10% van de dosering resteerde. In een vierde ondergrond bedroeg de DT50 70 dagen. Een verklaring voor deze hoge DT50-waarde ontbreekt. In de grond trad na 70 dagen mogelijk een versnelde afbraak op, gezien de DT90 van 115 dagen.

Mineralisatie en gebonden residu

In een aërobe, betrouwbare laboratoriumstudie was de max. hoeveelheid grondgebonden residue 6.8% (na 1 dag). Dit percentage daalde tot 1.6% (na 127 dagen). In een andere aërobe, maar minder betrouwbare studie werd door het grondgebonden residu na 21-30 dagen een plateauwaarde van 25-60% bereikt. In dezelfde studie bedroeg het maximale vormingspercentage CO2 9,0%.

Mobiliteit

Metam-natrium is op grond van schudproeven immobiel in de bodem. Zie voor een overzicht van de mobiliteitsgegevens tabel M.3.

Tabel M.3 Overzicht mobiliteit metam-natrium

bodem

% OS

Ks/l

(dm3/kg)

1/n

Kom

(dm3/kg)

Opmerkingen

rivier-sediment

2.3

2.5

1.2

109

no info on recovery and LOD; incubation time maybe too short

sloot-sediment

2.9

6.6

1.0

228

no info on recovery and LOD; incubation time maybe too short

Voor de risicobeoordeling van metam-natrium wordt een Kom-waarde van 228 dm3/kg gebruikt (De 1/n-waarde bij het riviersediment is te hoog).

Methylisothiocyanaat is op grond van schudproeven mobiel tot zeer mobiel in de bodem. Zie voor een overzicht van de mobiliteitsgegevens tabel M.4.

Tabel M.4 Overzicht mobiliteit methylisothiocyanaat

bodem

% OS

Ks/l

(dm3/kg)

1/n

Kom

(dm3/kg)

Opmerkingen

sand

3.1

0.12

-

3.9

1/n niet bekend

loamy sand

1.4

0.03

-

2.2

1/n niet bekend

loam

2.3

0.04

-

1.9

1/n niet bekend

Voor de risicobeoordeling van methylisothiocyanaat worden Kom-waarden gebruikt van 3.9, 2.2 en 1.9 dm3/kg (gemiddelde 3 dm3/kg; standaardafwijking 1 dm3/kg).

Methylisothiocyanaat is op grond van een kolomstudie met verouderd metam-natrium mobiel tot zeer mobiel in de bodem. In deze minder betrouwbare kolomstudie werden de volgende Kom-waarden gevonden (zie tabel M.5).

Tabel M.5 Overzicht mobiliteit methylisothiocyanaat in kolomstudies

bodem

% OM

% uitspoeling

Ks/l

(dm3/kg)

Kom

(dm3/kg)

Opmerkingen

sand

0.3

63

0.021

7.0

onvolledige rapportage; waterflux te hoog

sand

0.9

62

0.045

5.0

idem

loamy sand

1.1

63

0.084

7.6

idem

sandy clay loam

2.3

57

0.080

3.5

idem

Deze Kom-waarden zijn niet voor de risicobeoordeling gebruikt.

Aanzienlijke uitspoeling van methylthioisocyanaat is eveneens vastgesteld in een minder betrouwbare kolomstudie, waarbij in zand 0-18% van de activiteit uitspoelde binnen een periode van 15 dagen. Uit deze studie bleek dat hogere vochtgehalten in de bodem samengaan met hogere uitspoelingspercentages.

Gedrag in water

Omzettingssnelheid en omzettingsroute in water

Water sedimentsystemen

Metam-natrium is goed afbreekbaar in water/sediment systemen.

In een aëroob water/sediment systeem werd voor metam-kalium een DT50-waarde (20 °C) gevonden van 0,013 dagen voor zowel het water als het systeem. In het gesloten systeem van deze betrouwbare studie werd de hoogste concentratie van methylisothiocyanaat (mI) gemeten aan het einde van de test: 74% na 8 uren (vanaf het begin een regelmatige toename). De hoogste concentratie van 1,1’-dimethylthiuramdisulfide (mIII) werd eerder gemeten: 29% na
2 uren. Na 8 uren werd laatstgenoemde metaboliet niet meer aangetoond. Andere metabolieten waren: 1,3-dimethylureum (mIV), 1,3-dimethylthioureum (mII), en mogelijk methylcarbamo(dithioperoxo)thioaat. Daarnaast werden twee onbekende metabolieten aangetoond. De hoeveelheden van de vijf voornoemde metabolieten overschreden nooit de 5%. De meeste activiteit werd teruggevonden in de vluchtige fase: 43-64% na 2-8 uren. 14CO2 is tijdens de incubatie niet aangetoond. De hoeveelheid sedimentgebonden residu nam gedurende de incubatie af van ca. 25-30% (na 2 uren) tot 14% aan het einde van de test.

Hydrolyse

Metam-natrium is redelijk tot zeer goed hydrolyserend.

DT50-waarden voor de hydrolyse van metam-natrium zijn 1.0, 7.5 en 1.9 dagen bij pH’s van
resp. 5, 7 en 9. In waterige ongebufferde oplossingen (pH 9.5) kan elementair zwavel, H2S (mVI), methylamine (mV) en methylisothiocyanaat (mI) worden gevormd. In gebufferde oplossingen (pH 5-6) ontstaat naast een niet geïdentificeerd neerslag H2S (mVI), CS2 (mVII) 1,1’-dimethylthiuramdisulfide (mIII) en methylisothiocyanaat (mI). Verschillende metabolieten ontstaan door onderlinge reacties waarvoor de aanwezigheid van zuurstof vereist is. Onder anaerobe omstandigheden worden alleen geringe hoeveelheden van methylisothiocyanaat (mI) gevormd.

Methylisothiocyanaat (mI) is goed tot matig hydrolyserend.

Voor methylisothiocyanaat (mI) zijn DT50-waarden voorhanden bij 25 ºC en pH’s 5, 7, en 9: 2.1-3.4, 11-20 en 1.0-7.4 dagen. Hierbij wordt methylamine (mV) en 1,3-dimethylthioureum (mII) gevormd. De hydrolysesnelheid is afhankelijk van de aanwezigheid van sporenelementen en kan bovendien worden bepaald door het buffertype.

Fotodegradatie

Metam-natrium is zeer goed afbreekbaar onder invloed van zonlicht: bij een bestraling van waterige oplossingen met UV-licht wordt na een lag-fase van 90-120 min. 92% van de stof afgebroken binnen 150 min.

Methylisothiocyanaat is redelijk tot mogelijk matig afbreekbaar onder invloed van zonlicht: bij bestraling van waterige oplossingen met kunstmatig zonlicht wordt methylisothiocyanaat omgezet met een DT50 >> 190 uren.

Adsorptie in water

Minder betrouwbare schudproeven met metam-natrium wijzen op een sterke sorptie aan sediment (zie 7.1.2 Bodemadsorptie). Gegevens omtrent de adsorptie van metam-natrium aan slibdeeltjes zijn niet beschikbaar. Voor de berekeningen met USES 2.0 kunnen de gegevens voor bodem worden gebruikt.

Bioconcentratie

Gegevens over de bioaccumulatie van metam-natrium zijn niet bekend, maar worden gezien de snelle omzetting niet relevant geacht. Methylisothiocyanaat is weinig accumulerend. Op grond van de Kow kan een BCF-waarde van 2,6 worden berekend.

Gedrag in lucht

Omzettingssnelheid en omzettingsroute in lucht

Geen gegevens voorhanden.

Toxicologie

Toxiciteit voor aquatische organismen

• algen:
Voor metam-natrium zijn geen gegevens inzake de toxiciteit voor algen voorhanden.

Methylisothiocyanaat is zeer giftig voor algen. Zie voor een overzicht van de algentoxiciteit tabel M.6.

Tabel M.6 Overzicht algentoxiciteit

Teststof

Organisme

72-uurs ErC50 [mg/L]

72-uurs EbC50 [mg/L]

72-uurs NOEC [mg/L]

Opmerkingen

methylisothiocyanaat

Pseudokirchneriella subcapitata

0,58

0,28

0,041

actuele, initiële concentraties

• kreeftachtigen:
Voor metam-natrium zijn geen gegevens inzake de toxiciteit voor kreeftachtigen voorhanden. Deze worden gezien de snelle omzetting in methylisothiocyanaat ook niet noodzakelijk geacht.

Methylisothiocyanaat is acuut zeer giftig voor kreeftachtigen. Zie voor een overzicht van de acute toxiciteit voor kreeftachtigen tabel M.7.

Tabel M.7 Overzicht acute toxiciteit voor kreeftachtigen

Teststof

Organisme

48-uurs LC50 [mg/L]

Opmerkingen

methylisothio-cyanaat

Daphnia magna

0,055

nominaal

Methylisotiocynaat is chronisch zeer giftig voor kreeftachtigen: Zie voor een overzicht van de chronische toxiciteit voor kreeftachtigen tabel M.8.

Tabel M.8 Overzicht chronische toxiciteit voor kreeftachtigen

Teststof

Organisme

21-dagen NOEC [mg/L]

Opmerkingen

methylisothio-cyanaat

Daphnia magna

0,016

nominaal

• vissen:

Metam-natrium en methylisothiocyanaat zijn acuut zeer giftig voor vissen: Zie voor een overzicht van de acute toxiciteit voor vissen tabel M.9.

Tabel M.9 Overzicht acute toxiciteit voor vissen

Teststof

Organisme

96-uur LC50 [mg/L]

Opmerkingen

metam-natrium

Oncorhynchus mykiss

0,079

nominaal

methylisothio-cyanaat

Oncorhynchus mykiss

0,090

nominaal

Voor de chronische toxiciteit van metam-natrium voor vissen zijn geen gegevens voorhanden. Deze worden gezien de snelle omzetting in methylisothiocyanaat ook niet noodzakelijk geacht.
Methylisothiocyanaat is chronisch zeer giftig voor vissen. Zie voor een overzicht van de chronische toxiciteit voor vissen tabel M.10.

Tabel M.10 Overzicht chronische toxiciteit voor vissen

Teststof

Organisme

28-dagen NOEC [mg/L]

Opmerkingen

methylisothio-cyanaat

Oncorhynchus mykiss

0,005

nominaal

Toxiciteit voor terrestrische organismen

vogels:
Gegevens over de acute orale, kortdurende en chronische toxiciteit van metam-natrium en methylisothiocyanaat voor vogels zijn niet voorhanden, maar worden gezien de wijze van toediening niet relevant geacht. Ook het risico via doorvergiftiging is gering gezien het feit dat metam-natrium en methylisothiocyanaat weinig bioaccumulerend zijn.

bijen en hommels:
Inzake de toxiciteit van metam-natrium en methylisothiocyanaat voor bijen zijn geen gegevens voorhanden. Deze worden gezien de toepassingswijze echter niet noodzakelijk geacht (blootstelling wordt niet verwacht).

niet-doelwit arthropoden:
Inzake de toxiciteit van metam-natrium en methylisothiocyanaat voor niet-doelwit arthropoden zijn geen gegevens voorhanden. Blootstelling van bodemkruipers wordt wel verwacht. Derhalve dienen gegevens omtrent de effecten van metam-natrium en methylisothiocynaat op tenminste twee relevante bodemkruipers te worden geleverd.

regenwormen:
Er zijn geen laboratoriumgegevens over de acute toxiciteit van producten met metam-natrium of methylisothiocyanaat voorhanden.
In een minder betrouwbare veldstudie met dazomet — dat evenals metam-natrium in de grond snel metaboliseert tot o.a. methylisothiocyanaat — werden proefvelden op akkers zowel ontsmet en mechanisch bewerkt als alleen mechanisch bewerkt (grondbehandeling). Doordat als gevolg van de geringe regenwormdichtheden na de behandelingen en de niet homogene verspreiding van de regenwormen over de proefvelden de testresultaten niet statistisch bewerkt konden worden, is het moeilijk om het effect van de chemische grondbewerking te scheiden van de mechanische bewerking. Op grond van de testresultaten lijkt het verschil niet groot. Tijdelijke reducties van regenwormpopulaties door chemische grondontsmetting op zich kunnen echter niet op voorhand worden uitgesloten.

• bodemmicro-organismen:
In een minder betrouwbaar veldonderzoek met 152 kg metam-natrium/ha is een toename van de NH4+-N gevonden. De grondontsmetting veroorzaakt sterfte van microorganismen waardoor de nitrificatie afneemt en extra substraat beschikbaar komt. De concentratie kan oplopen tot 50 kg NH4+-N/ha, de toename is onder meer afhankelijk van weersomstandigheden en toedieningstijdstip.

Na toediening van 40 en 80 mg/kg van een formulering met 20% methylisoyhiocyanaat aan 3 grondsoorten werden in sommige gevallen bij de hoge doseringen toenamen gemeten van 140-500% van de populaties microorganismen (fungi en bacteriën, waaronder niet-symbiontische stikstoffixerende stammen). Na een zelfde behandeling van 2 grondsoorten werd een geringe (0-40%) beinvloeding van de dehydrogenase-, fosfatase- en urease-activiteit gevonden. De fosfatase-activiteit vertoonde in 1 grondsoort een dosis-afhankelijke afname, voor de beide andere enzymen werd geen dosis-effect relatie gevonden.

In een minder betrouwbare kasstudie werden aan 2 grondsoorten een formulering met metam-natrium of met methylisothiocyanaat toegediend: resp. Vapam en Trapex. Bodemmonsters werden geanalyseerd op het voorkomen van bodemfungi, voor en vlak na en vervolgens 1, 3 en 12 maanden na de grondontsmetting. Voor hooguit een maand waren de bodemfungi geremd in hun groei. Daarna herstelden de populaties zich. De meest abundante bodemfungi — Penicillium sp. — leken minder door methylisothiocyanaat in de groei te zijn geremd dan door metam-natrium.

In een minder betrouwbare laboratoriumstudie met een granulaire formulering (980 g metam-natrium/kg) werd in vier grondsoorten zowel de hydrolyse van urea (max. –25%, na 1 dag; geen remming meer na 7 dagen) als de nitrificatie (max.-100%, na 7 dagen; -51— -100%, na 21 dagen, einde incubatie) geremd. De remming van de nitrificatie werd derhalve niet opgeheven. Uit deze studie kan een voorlopige EC50 (over 7 dagen) worden afgeleid van 1 mg methylisothiocyanaat/kg d.w. (worst-case).

Beoordeling van het risico voor het milieu

Persistentie en uitspoeling

Persistentie in de bodem

Voor metam-natrium zijn de volgende DT50-waarden beschikbaar: <0.02, 0.003 en 0.005 dagen (gemiddelde 0.009 dagen). Derhalve is de DT50-waarde kleiner dan de norm van
90 dagen. Tevens kan met voldoende zekerheid worden uitgesloten dat na 100 dagen er meer dan 70% grondgebonden residu van de begindosis in combinatie met minder dan 5% CO2 van de begindosis zal zijn gevormd.

Voor methylisothiocyanaat zijn de volgende DT50-waarden beschikbaar: 8.5, 3.4, 5.0, 5.0, 3.3, 4.1, 4.6, en 9.9 dagen gebruikt (gemiddelde 6 dagen; standaardafwijking 2 dagen).

Gezien bovenstaande wordt voldaan aan de normen voor persistentie zoals opgenomen in Besluit milieutoelatingseisen bestrijdingsmiddelen (Bmb).

Uitspoeling naar het ondiepe grondwater

De risico’s van de toepassing van metam-natrium voor het ondiepe grondwater worden berekend volgens de standaardscenario’s van het PESTRAS 3.2 model (voor- en najaar) (zie tabel M.11).

Tabel M.11: Berekening van uitspoeling

metam-natrium

DT50

(d)

Kom

(L/kg)

percentage

uitspoeling

(%)

concentratie

grondwater

(µg/L)

gemiddeld

0.009

228

<<0.001

<<0.001

minimum

0.003

228

<<0.001

<<0.001

maximum

0.018

228

<<0.001

<<0.001

Op grond van deze standaardberekeningen voldoet metam-natrium aan de norm voor uitspoeling zoals opgenomen in het Bmb (concentratie grondwater <0.001 µg/L).

De risico’s van de toepassing van methylisothiocyanaat voor het ondiepe grondwater worden berekend volgens de standaardscenario’s van het PESTRAS 3.2 model (voor- en najaar) (zie tabellen M.12 en M.13). De berekeningen voor de uitspoeling van methylisothiocyanaat betreffen een dosering van 300 kg metam-natrium/ha (injectie op 10 cm diepte), een Henry-coëfficiënt van 0.0068, een omzettingsfactor van 0.9 en een vormingsfactor van 0.57.

Tabel M.12: Berekening van uitspoeling in het voorjaar

methylisothio-cyanaat

DT50

(d)

Kom

(dm3/kg)

percentage

uitspoeling

(%)

concentratie

grondwater

(µg/l)

gemiddeld

6

3

<0.01

4

minimum

4

4

<0.01

0.15

maximum

8

2

0.03

30

Tabel M.13: Berekening van uitspoeling in het najaar

methylisothio-cyanaat

DT50

(d)

Kom

(dm3/kg)

percentage

uitspoeling

(%)

concentratie

grondwater

(µg/l)

gemiddeld

6

3

1.8

960

minimum

4

4

1.2

207

maximum

8

2

2.5

2200

Op grond van deze standaardberekeningen voldoet methylisothiocyanaat niet aan de norm voor uitspoeling zoals opgenomen in het Bmb.

Meetgegevens in grondwater

Een analyse van 117 waarnemingen in het ondiepe grondwater van percelen die met metam-natrium ontsmet zijn laat zien dat het 90% percentiel beneden de detectielimiet ligt (deze was meestal 0.05 µg/liter) en dat op 3 van de 117 waarnemingen (het gaat hierbij om 3 van de
21 bemonsterde locaties) de concentraties boven de detectielimiet liggen (Noteboom, J. et al., 1999). De maximale gemeten concentratie in het ondiepe grondwater in deze referentie is
2.5 µg/liter. In 1988 zijn in het ondiepe grondwater van zandgronden met bollenteelt concentraties methylisothiocyanaat gemeten van 0.08-0.25 µg/liter (dosering: 150 kg metam-natrium/ha) (RIVM, 1990). Experimenten van het Staring Centrum wijzen op vrij hoge omzettingspercentages van methylisothiocyanaat in waterverzadigde grond, en dit zou de overschatting met bovengenoemde modelberekeningen kunnen verklaren (pers. meded. van der Linden, RIVM/LBG). Snelle omzettingssnelheden in waterverzadigde lagen zijn ook eerder vastgesteld met DT50-waarden tussen 3 en 16 dagen bij 20 ºC (Boesten et al., 1991). In deze referentie wordt verondersteld dat methylisothiocyanaat na 10 jaar of meer in het diepere grondwater (bijv. op 40 meter diepte) te kunnen komen. Mede gezien deze tijd in verhouding tot de tijd waarin methylisothiocyanaat hydrolyseert (DT50 max. 20 dagen, (RIVM, 1990)) worden derhalve lage concentraties in het diepe grondwater verwacht. Dit lijkt in overeenstemming met de bevindingen van de VEWIN die van 1992 tot 1995 in het diepe grondwater geen methylisothiocyanaat aan hebben kunnen tonen (Noteboom et al., 1999). Het lijkt ook in overeenstemming met de slechts incidenteel hoge concentraties in het ondiepe grondwater.

Op grond van bovenstaande meetgegevens kan worden geconcludeerd dat het risico voor uitspoeling van methylisothiocyanaat naar het diepe grondwater gering is. Derhalve wordt vooralsnog voldaan aan de norm voor uitspoeling zoals opgenomen in het Bmb. Het is echter van groot belang beschikbaar komende meetgegevens van het diepe grondwater nauwkeurig te blijven volgen.

Risicobeoordeling voor aquatische organismen

Risicobeoordeling voor waterorganismen

Uitgaande van het injecteren van de formulering met metam-natrium tot minstens 10 cm in de grond is contaminatie van oppervlaktewater via drift niet te verwachten. Contaminatie van oppervlaktewater door de afvoer via drains kan niet op voorhand worden uitgesloten. Op dit moment bestaat er echter geen model om de blootstelling van het oppervlaktewater via deze route in te schatten.

Meetgegevens in oppervlaktewater

Methylisothiocyanaat is op enkele locaties in Nederland in het oppervlaktewater aangetoond (Phernambucq A.J.W., 1996). In de regio rivieren en meren is methylisothiocyanaat in 1993 slechts 1 keer aangetoond op 44 waarnemingen: 0.1 µg/liter bij het gemaal Westland. Dit kan te maken hebben met het gebruik van metam-natrium in de bollenteelt. In datzelfde jaar is methylisothiocyanaat 3 keer aangetoond — op 16 waarnemingen — langs de Noordzeekust en in de Zeeuwse wateren (max. 0.4 µg/liter) en is het 2 keer aangetoond — op 44 waarnemingen — in de Waddenzee (max. 0.2 µg/liter). In regionaal zoetwater is methylisothiocyanaat van 1992 tot en met 1996 op 6-34 locaties gemeten (Van der Geest, G.M., 1999). Hierbij werd het in 1992 op 11 locaties aangetoond (concentraties niet gerapporteerd). In latere jaren werd het op een veel geringer aantal locaties aangetoond. Overigens noemt het CIW metam-natrium (en hiermee ook methylisothiocyanaat) een potentiële probleemstof, waarvan op grond van de omvang van het gebruik, het gebruik in algemene teelten en de giftigheid wordt verwacht dat het op landelijke schaal een probleem voor de waterkwaliteit vormt, maar waarvoor te weinig metingen beschikbaar zijn om dit vermoeden te ondersteunen.

Normstelling

Uitgegaan wordt van methylisothiocyanaat omdat metam-natrium in de bodem zeer snel wordt omgezet in deze stof en blootstelling van het oppervlaktewater met name via het grondwater zal plaatsvinden.

De normen voor acute blootstelling zijn 0,01 maal de L(E)C50-waarde (kreeftachtigen en vissen) en 0,1 de laagste NOEC-waarde voor algen. Per organisme wordt de laagste waarde als norm genomen. De normen voor chronische blootstelling zijn 0,1 maal de laagste NOEC-waarde voor zowel kreeftachtigen als vissen. Per organisme wordt de laagste waarde als norm genomen. In tabel M.14 staat het overzicht van de afgeleide normen.

Tabel M.14 Overzicht normen

Organisme

Laagste

Veiligheidsfactor

Norm


L(E)C50 [mg/L]

NOEC [mg/L]


[mg/L]

[µg/L]

Acuut






Alg


0,041

10

0,0041

4,1

Kreeftachtigen

0,055


100

0,00055

0,55

Vissen

0,090


100

0,00090

0,9

Chronisch






Kreeftachtigen


0,016

10

0,0016

1,6

Vissen


0,005

10

0,0005

0,5

Worden de bovengenoemde beschikbare meetgegevens vergeleken met de normen dan blijkt dat de normen net niet worden overschreden. De hoeveelheid meetgegevens zijn echter zodanig summier dat duidelijke conclusies op dit moment niet kunnen worden getrokken. Vooralsnog wordt voldaan aan de norm voor waterorganismen zoals opgenomen in het Bmb.

Risicobeoordeling voor bioconcentratie

Gezien het feit dat zowel metam-natrium als methylisothiocynaat weinig bioaccumulerend zijn wordt voldaan aan de norm voor bioconcentratie zoals opgenomen in het Bmb.

Risicobeoordeling voor terrestrische organismen

Risicobeoordeling voor vogels

Gezien de wijze van toepassing zijn de risico’s voor vogels middels directe blootstelling naar verwachting gering. Ook het risico voor vogels middels doorvergiftiging zijn naar verwachting gering, gezien het feit dat metam natrium en methylisothiocyanaat weinig bioaccumulerend zijn. Derhalve wordt voldaan aan de norm voor vogels zoals opgenomen in de Uniforme Beginselen (UB).

Risicobeoordeling voor zoogdieren

Gezien de wijze van toepassing zijn de risico’s voor zoogdieren middels directe blootstelling naar verwachting gering. Ook het risico voor zoogdieren middels doorvergiftiging zijn naar verwachting gering, gezien het feit dat metam natrium en methylisothiocyanaat weinig bioaccumulerend zijn. Derhalve wordt voldaan aan de norm voor zoogdieren zoals opgenomen in de UB.

Risicobeoordeling voor bijen en hommels

Gezien de wijze van toepassing wordt het risico voor bijen en hommels gering geacht. Derhalve wordt voldaan aan de norm voor bijen en hommels zoals opgenomen in de UB.

Risicobeoordeling voor niet-doelwit arthropoden

Gezien het feit dat geen gegevens beschikbaar omtrent de effecten van metam-natrium en methylisothiocyanaat is het risico voor deze organismen onbekend. Gezien de toepassing zijn alleen bodemkruipers relevant. Vooralsnog wordt niet voldaan aan de norm voor niet-doelwit arthropoden zoals opgenomen in de UB.

Risicobeoordeling voor regenwormen

Op grond van een veldstudie met dazomet (dat evenals metam-natrium in de grond snel metaboliseert tot o.a. methylisothiocyanaat) waarbij proefvelden op akkers ontsmet en mechanisch bewerkt werden zijn vergeleken met proefvelden die alleen mechanisch bewerkt werden kan worden geconcludeerd dat tijdelijke reducties van regenwormpopulaties door chemische grondontsmetting niet kunnen worden uitgesloten. Gezien de aard van het middel was dit ook de verwachting. Echter, na 15 maanden (de duur van de studie) was er nauwelijks een verschil meer tussen de ontsmette en mechanisch bewerkte proefvelden en de proefvelden die alleen mechanisch bewerkt waren. Dit duidt op een herstel van de regenwormpopulaties. Gezien het feit dat het middel niet jaarlijks op hetzelfde toegepast mag worden wordt het risico voor populaties van regenwormen als gevolg van het gebruik van het middel aanvaardbaar geacht. Derhalve wordt voldaan aan de norm voor regenwormen zoals opgenomen in de UB.

Risicobeoordeling voor bodemmicro-organismen

Uit een studie naar de effecten van metam-natrium op de nitrificatie met als resultaat een remming van 100% na 7 dagen en 51 - 100% na 21 dagen (einde incubatie) kan worden geconcludeerd dat vooralsnog niet wordt voldaan aan de norm voor bodemmicroörganismen zoals opgenomen in de UB. Derhalve dient een adequate risico-evaluatie te worden geleverd die aantoont dat er, onder veldomstandigheden, geen onaanvaardbare effecten op de microbiële activiteit zijn na toepassing van het gewasbeschermingsmiddel volgens de voorgestelde gebruiksaanwijzing, rekening houdend met het voortplantingsvermogen van de micro-organismen.

Conclusie m.b.t. milieu

Geconcludeerd kan worden dat:

1. metam-natrium voldoet aan de norm voor persistentie zoals opgenomen in het Besluit milieutoelatingseisen bestrijdingsmiddelen (Bmb).

2. de metaboliet methylisothiocyanaat voldoet aan de norm voor persistentie zoals opgenomen in het Besluit milieutoelatingseisen bestrijdingsmiddelen (Bmb).

3. alle onderhavige toepassingen op basis van metam-natrium voldoen aan de normen voor uitspoeling naar het ondiepe grondwater zoals opgenomen in het Besluit milieutoelatingseisen bestrijdingsmiddelen (Bmb).

4. alle onderhavige toepassingen op basis van de metaboliet methylisothiocyanaat vooralsnog voldoen aan de normen voor uitspoeling naar het grondwater zoals opgenomen in het Besluit milieutoelatingseisen bestrijdingsmiddelen (Bmb). Beschikbaar komende meetgegevens dienen nauwkeurig bekeken te worden.

5. alle onderhavige toepassingen op basis van metam-natrium voorlopig voldoen aan de normen voor toxiciteit waterorganismen zoals opgenomen in het Besluit milieutoelatingseisen bestrijdingsmiddelen (Bmb).

6. alle onderhavige toepassingen op basis van de metaboliet methylisothiocyanaat voorlopig voldoen aan de normen voor toxiciteit waterorganismen zoals opgenomen in het Besluit milieutoelatingseisen bestrijdingsmiddelen (Bmb).

7. metam-natrium en de metaboliet methylisothiocyanaat voldoen aan de normen voor bioconcentratie zoals opgenomen in het Besluit milieutoelatingseisen bestrijdingsmiddelen (Bmb).

8. alle onderhavige toepassingen op basis van metam-natrium voldoen aan de norm voor vogels zoals opgenomen in de Uniforme Beginselen (UB).

9. alle onderhavige toepassingen op basis van metam-natrium voldoen aan de norm voor zoogdieren zoals opgenomen in de Uniforme Beginselen (UB).

10. alle onderhavige toepassingen op basis van metam-natrium voldoen aan de norm voor bijen en hommels zoals opgenomen in de Uniforme Beginselen (UB).

11. alle onderhavige toepassingen op basis van metam-natrium vooralsnog niet voldoen aan de norm voor niet-doelwit arthropoden zoals opgenomen in de Uniforme Beginselen (UB).

12. alle onderhavige toepassingen op basis van metam-natrium voldoen aan de norm voor regenwormen zoals opgenomen in de Uniforme Beginselen

13. alle onderhavige toepassingen op basis van metam-natrium vooralsnog niet voldoen aan de norm voor bodemmicro-organismen zoals opgenomen in de Uniforme Beginselen (UB). Er dient een adequate risico-evaluatie te worden geleverd die aantoont dat er, onder veldomstandigheden, geen onaanvaardbare effecten op de microbiële activiteit zijn na toepassing van het gewasbeschermingsmiddel volgens de voorgestelde gebruiksaanwijzing, rekening houdend met het voortplantingsvermogen van de micro-organismen.

Gegevens van de volgende aspecten ontbreken

• neveneffecten van de werkzame stof metam-natrium op niet-doelwit arthropoden volgens H.3.2 van het aanvraagformulier. Gezien de toepassing dienen gegevens inzake de effecten op twee bodemkruipers te worden geleverd.

Referenties

• Boesten J.J.T.I., Van der Pas L.J.T. , Smelt J.H. & Leistra M. (1991) Transformation rate of methyl isothiocyanate and 1,3-dichlorpropene in water-saturated sandy subsoils. Neth. J. Agric. Sci. 39: 179-190.

• Noteboom J., Verschoor A., van der Linden A., van de Plassche E. & Reuther C. (1999) Pesticides in groundwater: occurrence and ecological impacts. RIVM Report no. 601506002 (in press).

• Phernambucq A.J.W. (1996) Speuren naar Sporen III. Verkennend onderzoek naar milieuschadelijke stoffen in de zoete en zoute watersystemen van Nederland. Metingen 1993. RIZA Rapport nr. 96.035/RIKZ Rapport nr. 96.016.

• RIVM (18-01-1990) Adviesrapport over methylisothiocyanaat (laatste aanpassing E. Panman en J. Linders,
28-09-1989) en het bijbehorende RIVM Milieufiche.

• Van der Geest, G.M. (1999), Bestrijdingsmiddelenrapportage 1998. Het voorkomen van bestrijdingsmiddelen in het Nederlandse oppervlaktewater in de periode 1992 t/m 1996. Uitgave CIW.

Verlengingstermijn

Gezien het feit dat er nu onvoldoende tijd beschikbaar is om voor 1 september 1999 een goede beoordeling van het risico voor de mens als gevolg van blootstelling aan metam-natrium op te stellen, is het niet mogelijk om vóór 1 september 1999 een integrale beoordeling van de stof metam-natrium voor het College te agenderen.

Ten behoeve van de afronding van de besluitvorming, i.c. een volledige beoordeling van het risico voor de mens als gevolg van blootstelling aan metam-natrium, wordt de volgende termijn noodzakelijk geacht:

• tijd benodigd voor het opstellen van samenvattingen en inhoudelijke beoordeling van het dossier op het aspect genotoxiciteit/risico voor de mens als gevolg van blootstelling aan metam-natrium: 3 maanden;

• tijd benodigd voor agendering voor het College en administratieve afhandeling van het besluit van het College: 3 maanden.

• eventuele voornemens tot beëindiging, incl. hoorprocedure: 4 maanden;

• definitieve besluitvorming: 2 maanden.

Totale benodigde tijd voor de afronding van de besluitvorming: 12 maanden.

Derhalve wordt besloten om de stof metam-natrium op basis van art. 5, eerste lid Bmw 1962 jo. art, 7, vijfde lid Rtb 1995 te verlengen met 12 maanden ten behoeve van afronding van de besluitvorming, waarbij agendering zo spoedig mogelijk zal plaatsvinden nadat de samenvattingen en beoordelingen zijn opgesteld.

In een uitspraak van het College van Beroep voor het Bedrijfsleven van 15 juli 1999 is geconcludeerd dat volgens opgave van verweerder met de beoordeling van de gegevens van metam-natrium -gerekend vanaf 1 september 1998- een periode van 12 maanden is gemoeid hetgeen een verlenging tot 1 september 1999 rechtvaardigt in plaats van een verlenging tot 1 december 1999. Hieraan is inmiddels uitvoering gegeven. Op grond hiervan treedt de ingangsdatum van het onderhavige besluit met terugwerkende kracht in op
1 september 1999.

Definitieve besluitvorming door het College omtrent verdere toelaatbaarheid is echter nog niet afgerond, zodat de toelatingen nog voor een korte termijn dienen te worden verlengd op basis van art. 5, eerste lid Bestrijdingsmiddelenwet 1962, jo. art. 7, vijfde lid Regeling toelating bestrijdingsmiddelen 1995.

Besluit

Het College besluit -op basis van art. 5, eerste lid Bestrijdingsmiddelenwet 1962, jo. art. 7, vijfde lid Regeling toelating bestrijdingsmiddelen 1995- de toelating van het middel LUXAN MONAM GECONC. op basis van metam-natrim te verlengen.

Als expiratiedatum wordt 1 september 2000 (= nieuwe einddatum metam-natrim) vastgesteld op basis van de bovengenoemde argumentatie.

Tijdens de verleende verlengingstermijn zal de beoordeling worden afgerond omtrent genotoxiciteit, alsmede de beoordeling van het risico voor de mens als gevolg van blootstelling aan metam-natrium.

Besluitvorming zal zo spoedig mogelijk geschieden nadat samenvattingen en risico-beoordelingen zijn opgesteld.

Wageningen, 24 september 1999

DE STAATSSECRETARIS VAN LANDBOUW,
NATUURBEHEER EN VISSERIJ,
voor deze:
HET COLLEGE VOOR DE TOELATING VAN BESTRIJDINGSMIDDELEN,


(plv. voorzitter)