Datum: 14 september 2007

Opsteller: Mari Marinussen

Akkoord secretaris:


Vastgesteld door College

Datum: 1 oktober 2007

Voorzitter:


            (HER)BEOORDELING NIET-GEPRIORITEERDE GEWASBESCHERMINGSMIDDELEN EN BIOCIDEN

                Nemasol, 9635 N

 

Ingevolge het door u op woensdag 13 juni 2007 (C-182.4) vastgestelde Plan van Uitvoering voor de (her)beoordeling van niet-geprioriteerde gewasbeschermingsmiddelen en biociden, zijn reeds toegelaten gewasbeschermingsmiddelen en biociden geëvalueerd. De evaluatie heeft plaatsgevonden conform de werkwijze en procedure die in de notitie “Aanwijzingen (her)beoordeling niet-geprioriteerde gewasbeschermingsmiddelen en biociden is beschreven (11 juli 2007, C-183.5). Bijgaande treft u het beoordelingsrapport aan van het gewasbeschermingsmiddel Nemasol (9635 N).

 

Voor dit gewasbeschermingsmiddel is een aanvraag als bedoeld in artikel 25d Bestrijdingsmiddelenwet 1962 ingediend. Dit middel bevat de werkzame stof metam-natrium. Het voor een beoordeling van dit middel verschuldigde tarief is op 25-07-2007 ontvangen. Uit het beoordelingsrapport volgt dat de effecten van het middel op mens, dier en milieu aanvaardbaar zijn, gelet op het gehanteerde toetsingskader.

 

Uit de beoordeling blijkt dat het middel in beginsel niet geplaatst kan worden op de lijst als bedoeld in artikel 122, lid 1. In overleg met de toelatinghouder wordt voorgesteld om aan het WG/GA de volgende zinnen toe te voegen:

- Dit middel is schadelijk voor niet-doelwit arthropoden. Vermijd onnodige blootstelling.

- Op basis van de regeling grondontsmetting is het gebruik beperkt tot een frequentie van
1 maal in de 5 jaar (op hetzelfde perceel of perceelsgedeelte).

 

Met deze maatregel voldoet het middel alsnog aan de uitgangspunten voor de plaatsing op de lijst als bedoeld in artikel 122, lid. Voorgesteld wordt om in te stemmen met deze wijziging van het gebruiksvoorschrift, zoals verwoord in het hoofdstuk Etikettering en WG/GA van het beoordelingsrapport.

 

Voorgesteld wordt om het middel op te nemen in de lijst als bedoeld in artikel 122, lid 1 Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden.

 

Een parallelle en afgeleide toelating volgt het toelatingsregiem van het gewasbeschermings-middel waar het van is afgeleid. Van het hier beoordeelde gewasbeschermingsmiddel zijn de volgende gewasbeschermingsmiddelen afgeleid dan wel parallel toegelaten:

-          Monam Geconc. (6443 N)

-          Monam CleanStart (6321 N

Van de afgeleide dan wel parallel toegelaten middelen is geen beoordelingsrapport opgesteld. Het toepassingsgebied van deze middelen is maximaal dezelfde als het toepassingsgebied van het middel waarvan de toelating is afgeleid zodat de conclusie in het rapport van het middel waarvan het is afgeleid dezelfde is. Bij de indiening van de aanvraag is het verschuldigde tarief voldaan.

 


Voor de verdere toelating van het middel Nemasol (9635 N) moet een nieuwe toelatingstermijn worden vastgesteld. Gelet op het Europese beoordelingsprogramma voor de beoordeling van werkzame stoffen wordt voorgesteld een periode voor verdere toelating vast te stellen die aansluit op het tempo waarin het Europese beoordelingsprogramma wordt afgerond. Het Ctb stelt de toelatingstermijn daarom vast totdat uiterlijk uitvoering moet zijn gegeven aan de communautaire maatregel met betrekking tot de opname van de werkzame stof in de Bijlage I van de Gewasbeschermingsmiddelenrichtlijn 91/414/EEG.

 

Besluit

 

Het Ctb besluit:

-          Het gewasbeschermingsmiddel Nemasol (9635 N) wordt opgenomen in de lijst als bedoeld in artikel 122, lid 1 Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden;

-          Een nieuw WG/GA vast te stellen conform bijlage 2;

-          Het middel wordt toegelaten voor de termijn die afloopt op de dag dat uiterlijk uitvoering moet zijn gegeven aan de communautaire maatregel betreffende de opname van de werkzame stof metam-natrium in Bijlage I van richtlijn 91/414/EEG.

 


 

 

(HER)BEOORDELING NIET-GEPRIORITEERDE GEWASBESCHERMINGSMIDDELEN EN BIOCIDEN

 

BEOORDELINGSRAPPORT

 

GEWASBESCHERMINGSMIDDEL

 

 

 

NEMASOL, 9635 N

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

College voor de toelating van bestrijdingsmiddelen

Wageningen


INHOUDSOPGAVE

 

 

Inleiding

Beschrijving van het reeds toegelaten middel

Risico-evaluatie HUMANE TOXICOLOGIE

Risico-evaluatie MILIEU

Eindconclusie

Etikettering en WG/GA

Bijlage 1 GAP tabel

Bijlage 2. Nieuw WG/GA

 

 




INLEIDING

 

In artikel 122 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden is een voorziening getroffen om (toegelaten) een middel met een niet-geprioriteerde werkzame stof op een lijst te plaatsen en de toelating van dat middel te verlengen totdat voldaan moet zijn aan het bepaalde in de communautaire maatregel betreffende de werkzame stof. Om voor deze toelating in aanmerking te komen moet er een aanvraag zijn ingediend op grond van artikel 25d van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 en moet bij de verdere toelating van het middel naar behoren rekening worden gehouden met de effecten van dat middel op de mens, het dier, alsmede op het milieu, op basis van een dossier dat de nodige informatie bevat.

 

In dit kader is een doelmatige en doeltreffende werkwijze en procedure vastgesteld in het Plan van Uitvoering van 13 juni 2007. De beoordeling is uitgewerkt in de notitie “Aanwijzingen voor de (her)beoordeling van niet-geprioriteerde gewasbeschermingsmiddelen en biociden”. De voor dit middel uitgevoerde evaluatie, waarvan in dit beoordelingsrapport verslag wordt gedaan, strekt ertoe zeker te stellen dat de betrokken middelen inderdaad elk afzonderlijk afdoende op hun risico’s zijn beoordeeld.

 

 

BESCHRIJVING REEDS TOEGELATEN MIDDEL EN MEEST KRITISCHE TOEPASSING

Toegestaan is uitsluitend het gebruik

I.

Als grondontsmettingsmiddel ter bestrijding van aaltjes ten behoeve van de teelt in de vollegrond van:

 

a.

consumptie-aardappelen, fabrieksaardappelen en pootaardappelen, met dien verstande dat toepassing in een kalenderjaar waarin op de betreffende grond aardappelen worden geteeld niet mag geschieden voor de aanvang van die teelt;

 

b.

suikerbieten en voederbieten;

 

c.

aardbeien;

 

d.

zaaiuien, 1e-jaars plantuien, 2e-jaars plantuien, zilveruien, picklers en sjalotten;

 

e.

vaste planten.

 

 

 

II.

Als grondontsmettingsmiddel ter bestrijding van aaltjes en schimmels ten behoeve van de teelt in de vollegrond van:

 

a.

groenten;

 

 

b.

bloembollen en bolbloemen;

 

 

c.

bloemisterijgewassen;

 

 

d.

boomkwekerijgewassen.

 

 

 

 

 

III.

Als grondontsmettingsmiddel in de vollegrond ter bestrijding van knolcyperus.

 

 

IV.

Als grondontsmettingsmiddel ten behoeve van de herinplant van boomgaarden.

 

 

De meest kritische toepassing, waarbij het meeste risico verwacht wordt, is de toepassing in gladiolen.

 

 

Plaatsing annex I 91/414

nee

 

Toetsingskader

HTB 0.2

 


RISICO-EVALUATIE HUMANE TOXICOLOGIE

 

TOEPASSINGSGEGEVENS

Toegestaan is uitsluitend het gebruik

I.

Als grondontsmettingsmiddel ter bestrijding van aaltjes ten behoeve van de teelt in de vollegrond van:

 

a.

consumptie-aardappelen, fabrieksaardappelen en pootaardappelen, met dien verstande dat toepassing in een kalenderjaar waarin op de betreffende grond aardappelen worden geteeld niet mag geschieden voor de aanvang van die teelt;

 

b.

suikerbieten en voederbieten;

 

c.

aardbeien;

 

d.

zaaiuien, 1e-jaars plantuien, 2e-jaars plantuien, zilveruien, picklers en sjalotten;

 

e.

vaste planten.

 

 

 

II.

Als grondontsmettingsmiddel ter bestrijding van aaltjes en schimmels ten behoeve van de teelt in de vollegrond van:

 

a.

groenten;

 

 

b.

bloembollen en bolbloemen;

 

 

c.

bloemisterijgewassen;

 

 

d.

boomkwekerijgewassen.

 

 

 

 

 

III.

Als grondontsmettingsmiddel in de vollegrond ter bestrijding van knolcyperus.

 

 

IV.

Als grondontsmettingsmiddel ten behoeve van de herinplant van boomgaarden.

 

GRENSWAARDEN, werkzame stof 1:

Semi-chronische AOEL (systemisch) Metam-natrium

0,63

mg/dag

C-107.3.10

AOELinhalatoir, (systemisch) MITC1

1,7

mg/dag

C-107.3.10

Dermale absorptie

4

%

C-107.3.10

ADI

n.v.t.

mg/kg lg

 

ARfD

n.v.t.

mg/kg lg

 

1Metam-natrium wordt in grond omgezet tot het gasvormige methylisothiocyanaat (MITC).

BEOORDELING

In C-107.3.10 is een beoordeling voor Nemasol (voorheen UCB metam) uitgevoerd.

 

Professionele toepasser

Er zijn geen meetgegevens van dermale blootstelling bij grondontsmetting met metam-natrium. Gelet op de wijze van laden en toepassen zal de dermale blootstelling aan metam-natrium voornamelijk het gevolg zijn van contact met de injectievloeistof op de apparatuur of van contact tijdens het verhelpen van storingen. Omdat verwacht wordt dat de blootstelling behoorlijk lager zal zijn dan de blootstelling bij mengen/laden van een standaard spuitvloeistof is in beginsel uitgegaan van het Nederlands model voor deze situatie, gedeeld door een factor 10.

Inhalatoire blootstelling aan MITC kan plaatsvinden tijdens toepassen, met name tijdens het verhelpen van storingen, bij het betreden van een recent behandeld perceel en bij het bewerken van de grond na de wachtperiode. De inhalatoire blootstelling aan MITC is geschat op basis van veldstudies.

 


Risicobeoordeling voor systemische effecten voor systemische blootstelling aan metam-natrium en MITC bij gebruik van Nemasol via de dermale en inhalatoire route

 

Route

Geschatte blootstelling (mg /dag)a

AOEL

(mg/dag)

Risico-indexc

Grondontsmetting

Machinale toepassing met injectie apparatuur

Toepassen

Inhalatoir (MITC)

1,5

1,7

0,9

Mengen en laden

Dermaal

(metam-natrium)

0,6

0,6

1,0

a             Externe blootstelling is geschat middels het Nederlands model. De biologische beschikbaarheid via de dermale route is 4%, via de inhalatoire route 100%.

c              Ratio van geschatte blootstelling en toelaatbaar geachte blootstelling.

 

Op grond van de arbeidstoxicologische risicobeoordeling worden geen nadelige gezondheidseffecten verwacht als gevolg van dermale blootstelling aan metam-natrium bij grondontsmetting met behulp van injectie-apparatuur (inclusief mengen en laden).

 

Op grond van de arbeidstoxicologische risicobeoordeling worden geen nadelige gezondheidseffecten verwacht als gevolg van inhalatoire blootstelling aan methylisothiocyanaat bij grondontsmetting met behulp van injectie-apparatuur (inclusief mengen en laden).

 

Particuliere toepasser

Nemasol is enkel bedoeld voor beroepsmatige toepassing.

 

Herbetreding en omstander

In C-107.3.10 is het volgende opgenomen over herbetredingswerkzaamheden en omstanders/omwonenden.

Er zijn enkele gegevens over de concentratie methylisothiocyanaat in de lucht, na injectie van metam-natrium in de bodem, beschikbaar. Gedurende de eerste 5 - 7 dagen werden concentraties van 1,6 - 3 µg/m3 gevonden. Voor een voorlopige beoordeling van het risico van omwonenden worden deze waarden vergeleken met de NOAEL uit de subacute inhalatieproef met MITC (5 µg/l). Daar de MOS (Margin of Safety) >1000 is, wordt voorlopig geen risico voor omwonenden direct na injectie van metam-natrium in de bodem verwacht.

Er zijn nog onvoldoende gegevens om het risico m.b.t. inhalatoire blootstelling aan MITC tijdens de eerste grondbewerking voor de toepasser (re-entry) en voor omwonenden te kunnen vaststellen. Na injectie van het middel dient de grond na 1 tot 3 weken te worden losgemaakt. Er zijn geen gegevens van de luchtconcentratie MITC tijdens en na deze eerste grondbewerking beschikbaar. Het is mogelijk dat de luchtconcentratie op dit moment hoger is dan tijdens het injecteren van het middel. De eerste grondbewerking in de aardappelteelt vindt in het late najaar plaats. Bekend is dat dan nog enige tientallen procenten MITC in de grond aanwezig kunnen zijn. Er van uitgaande dat het resterende materiaal MITC is en in zijn geheel vrij komt en als gevolg van het betrekkelijk hoge soortelijk gewicht enige tijd in de zone tot
2-3 m boven het veld aanwezig zal zijn, is de potentiële blootstelling aan MITC van toepassers (re-entry) en omwonenden niet te verwaarlozen. Daarom dienen gegevens over de luchtconcentratie MITC tijdens de eerste grondbewerking en enkele dagen daarna te worden geleverd. Om het risico voor omwonenden te kunnen inschatten dienen ook gegevens over de luchtconcentratie op enige afstand van het veld te worden geleverd (50-100 meter).

 


C-107.3.10 is om gegevens van methylisothiocyanaat (MITC) gevraagd:

·       Er dienen gegevens over de luchtconcentratie van MITC tijdens de eerste grondbewerking (1 tot 3 weken na de behandeling) en enkele dagen daarna te worden geleverd. Om het risico voor omwonenden te kunnen inschatten worden ook gegevens over de luchtconcentratie op enige afstand van het veld gevraagd (50-100 meter).

 

De toelatingshouder heeft bij de verlengingsaanvraag geen aanvullende gegevens geleverd. Derhalve kunnen de mogelijke risico’s bij herbetreding en voor omwonenden als gevolg van inhalatoire blootstelling aan MITC niet worden vastgesteld.

 

Volksgezondheid

In het verleden is geen risicobeoordeling voor de volksgezondheid opgesteld.

 

Metam-natrium en MITC zijn goed afbreekbaar in de bodem (gemiddeld 0,009 dagen voor metam-natrium en 6 dagen voor MITC). In het WG/GA is een wachtperiode van 3 tot 6 weken opgenomen. Op basis van beide gegevens kan worden aangenomen dat de concentraties metam-natrium en MITC in bodem zeer laag zullen zijn bij het planten van gewassen. Tevens kan worden opgemerkt dat gezien de werking van Nemasol, de aanwezigheid van metam-natrium en MITC in de bodem bij het planten van gewassen niet wenselijk wordt geacht, aangezien de gewassen zouden afsterven. Derhalve kan worden aangenomen dat geen residuen van metam-natrium en MITC worden verwacht in eetbare gewassen.

Op basis van bovenstaande wordt het risico voor de volksgezondheid verwaarloosbaar geacht.

 

CONCLUSIE

Risico professionele toepasser

Vastgesteld is dat er geen onaanvaardbare effecten te verwachten zijn

Risico particuliere toepasser

n.v.t.

Risico herbetreding

Niet is vastgesteld dat er geen onaanvaardbare effecten te verwachten zijn

Risico omstanders

Niet is vastgesteld dat er geen onaanvaardbare effecten te verwachten zijn

Risico volksgezondheid

Vastgesteld is dat er geen onaanvaardbare effecten te verwachten zijn

 

GERAADPLEEGDE BRONNEN / MODELLEN

Eindpunten

C-107.3.10

Blootstelling professionele toepasser

Nederlands model, C-107.3.10

Blootstelling particulier toepasser

n.v.t.

Blootstelling herbetreding

C-107.3.10

Blootstelling omstanders

C-107.3.10

Blootstelling volksgezondheid

Aanname

 

 

Reactie toelatinghouder (per brief d.d. 10 september 2007):

De toelatinghouder reageert op bovenstaande beoordeling met de volgende opmerkingen:

 

Op basis van een nieuw ingediende studie waarbij MITC concentraties werden bepaald tijdens de 1e grondbewerking na toepassing van metam-natrium wordt vastgesteld dat er geen onaanvaardbare effecten te verwachten zijn bij herbetreding, noch voor omstanders.

 


Reactie CTB n.a.v. reactie toelatinghouder:

De toelatingshouder levert een studie waarin MITC concentraties bepaald zijn tijdens de eerste grondbewerking na toepassing van metam-natrium op verschillende tijdstippen in het najaar, in Nederlandse omstandigheden. In 3 situaties werd de 1e grondbewerking uitgevoerd
14-17 dagen na de toepassing, en in 3 andere op 21-33 dagen na de toepassing, Tevens werd de MITC concentratie in de omgeving (50 en 100 m) gemeten tot 28 uur na de
1e grondbewerking. De hoogste concentratie MITC voor de werker/uitvoerder van de grondbewerking was 4,62 μg/m3, bij een grondbewerking 14 dagen na de toepassing. De concentratie MITC in de omgeving (50 en 100 m) gemeten tot 28 uur na de 1e grondbewerking was op de meeste punten kleiner dan de LOQ, met een maximale gemeten concentratie van 8,88 μg/m3, 50 m benedenwinds op dag 14.

 

Het is voor het CTB niet mogelijk om deze studie in het kader van 25d volledig te beoordelen.

 

Uitgaande van een ademvolume van 1,25 μg/m3 en een blootstellingsduur van 8 uur voor re-entry en 24 uur voor omwonenden, is de theoretische maximale blootstelling bij re-entry 4,62 x 1,25 x 8 = 46,2 μg/dag en voor omwonenden 8,88 x 1,25 x 24 = 266 μg/dag. Dit is ruim onder de AOEL van 1.7 mg/dag. Derhalve kan worden geconcludeerd dat er geen risico wordt verwacht tijdens herbetreding en voor omwonenden, bij gebruik van metam-natrium volgens het huidige WG/GA.

 

Eindbevinding

Vastgesteld is dat er geen onaanvaardbare effecten te verwachten zijn.

 

 

 

RISICO-EVALUATIE MILIEU

 

TOEPASSINGSGEGEVENS

Gladiolen, onbedekte teelt, grondbehandeling, injectie-apparatuur 10 cm diep.

510 kg w.s./ha.

1 x toepassing in maart-april

 

 

KWALITATIEVE BEOORDELING

Persistentie bodem

Voldoet aan UB.

Grondwater

Voldoet aan UB.

Oppervlaktewater (drinkwatercriterium)

Uit de algemene wetenschappelijke kennis die het CTB heeft achterhaald over het middel en de werkzame stof is het CTB van oordeel dat er in dit geval geen concrete aanwijzingen zijn voor zorg omtrent de gevolgen van dit middel bij gebruik conform het gebruiksvoorschrift voor oppervlaktewater waaruit drinkwater wordt gewonnen. In het licht van deze benadering verwacht het CTB geen overschrijding van de drinkwaternorm. Er wordt voldaan aan de norm voor oppervlaktewater bestemd voor de bereiding van drinkwater zoals opgenomen in Bubg.

Zoogdieren

Voldoet aan UB

Vogels

Voldoet aan UB

Waterorganismen

Uitgaande van injectie in de bodem is blootstelling oppervlaktewater niet te verwachten. Wanneer desalniettemin de normen voor acute blootstelling worden vergeleken met de meetgegevens dan blijkt dat de normen niet worden overschreden. Voldoet aan UB.

Bioaccumulatie

Op grond van de Kow kan een BCF-waarde van 2,6 L/kg worden berekend. Voldoet aan UB.

Bijen en hommels

Geen blootstelling aan bijen en hommels.

Niet-doelwitarthropoden

Er wordt alleen blootstelling verwacht aan bodemkruipers. Er zijn geen gegevens beschikbaar.

Regenwormen

Er is sprake van herstel van de populatie na 15 maanden. Het middel wordt echter wel 1 x per 2 jaar toegepast volgens de GAP. Er is derhalve een acceptabel risico voor wormen.

Bodemmicro-organismen

In 2002 hebben een aantal externe experts naar de geleverde veldstudie gekeken met als uiteindelijke eindconclusie (C-124.3.12):

Eindconclusie

De aanvullende beoordeling -tegen de achtergrond van het gebruik als grondontsmettingsmiddel, met in achtneming van hetgeen is gesteld in het Besluit regulering grondontsmettingsmiddelen aangaande de toepassingsfrequentie (per perceel mag een grondontsmettingsmiddel tot 2001 eens in de vier jaar worden toegepast, na dat jaar eens in de vijf jaar) - laat zien dat er na 1 jaar geen effect meer is van metam-natrium op bodemademhaling en stikstofomzetting in de bodem. Daarmee is aangetoond dat er herstel van de microbiële populatie optreedt. Op basis van de geleverde gegevens is aangetoond dat dat er onder veldomstandigheden geen onaanvaardbare effecten op de microbiële activiteit zijn na toepassing van het grondontsmettingsmiddel volgens de voorgestelde gebruiksaanwijzing, rekening houdend met het voortplantingsvermogen van de micro-organismen

Het college heeft de conclusie van voldoende herstel getrokken op basis van de wisselende adviezen die de experts toenterijd hebben uitgebracht met inachtneming van de frequentie van eens in de 5 jaar toepassen.

Het CTB heeft reeds aangegeven dat als de frequenties komt te vervallen geen toelating mogelijk is vanwege lucht, uitspoeling? en bodemorganismen.

Terrestrische planten

Actief slib RWZI’s

nvt

Overige opmerkingen

geen

 

CONCLUSIE

 

voldoetaanUB*

Persistentiebodem

Ja

Uitspoelinggrondwater

Ja

Oppervlaktewater (drinkwatercriterium)

Ja

Risico zoogdieren

Ja

Risico vogels

Ja

Risico waterorganismen

Ja

Risico Bioaccumulatie

Ja

Risico bijen en hommels

Ja

Risico niet-doelwit arthropoden

Ja, mits waarschuwingszin

Risico regenwormen

Ja

Risico bodem micro-organismen

Ja

Risico terrestrische planten

Ja

Risico actief slib (RWZI)

Ja

* vermeld: nvt (indien compartiment niet bereikt wordt), ja, of nee.

 

Bevinding

Vastgesteld is dat er geen onaanvaardbare effecten te verwachten zijn, mits een waarschuwingszin voor niet-doelwit arthropoden op het etiket wordt geplaatst

 

GERAADPLEEGDEBRONNEN

CTB dossier

C-124.3.12 van 5 augustus 2002 en bezwaarfase.

EC Monografie

 

 

REACTIE TOELATINGHOUDER

 

De aanvrager stelt voor om de waarschuwingszin voor niet-doelwitarthropoden op het etiket te vermelden.

 

Daarnaast sturen ze de GAP-tabel zoals opgesteld door de PD mee met enkele wijzigingen en correcties (gewassen toegevoegd en/of verder uitgeschreven, toepassingstijdstip aangepast, gebruik beperkt tot frequentie van 1 x per 5 jaar i.v.m. regeling grondontsmettingsmiddelen).

 

Ook verwijzen ze naar hun brief van 16 juli 2007; hierin hebben ze ook al voorgesteld om voor de beperking van de toepassingsfrequentie tot 1x per 5 jaar een zin te vermelden op het etiket.

 

Reactie CTB:

Aangezien het middel beoordeeld moet worden conform HTB0.2, voldoet het met een waarschuwingszin voor niet-doelwitartropoden. Dus voorstel firma is akkoord.

 

Het WGGA moet aangepast (opnemen waarschuwingszin). Als de voorstellen van de aanvrager in de GAP acceptabel zijn, moet het WGGA ook daaraan worden aangepast.

 

 

EINDCONCLUSIE

Vastgesteld is dat er geen onaanvaardbare effecten te verwachten zijn.

 

 

ETIKETTERING EN WG/GA

De huidige etikettering wordt gehandhaafd.

 

Aan het het WG/GA worden de volgende zinnen toegevoegd:

Dit middel is schadelijk voor niet-doelwit arthropoden. Vermijd onnodige blootstelling.

 

Op basis van de regeling grondontsmetting is het gebruik beperkt tot een frequentie van 1 maal in de 5 jaar (op hetzelfde perceel of perceelsgedeelte).
Bijlage 1 GAP tabel

 




Bijlage 2 WG/GA Nemasol (9635 N), Monam Geconc. (6443 N) en Monam CleanStart (6321 N)

 

A.

WETTELIJK GEBRUIKSVOORSCHRIFT

Toegestaan is uitsluitend het gebruik

I.

Als grondontsmettingsmiddel ter bestrijding van aaltjes ten behoeve van de teelt in de vollegrond van:

 

a.

consumptie-aardappelen, fabrieksaardappelen en pootaardappelen, met dien verstande dat toepassing in een kalenderjaar waarin op de betreffende grond aardappelen worden geteeld niet mag geschieden voor de aanvang van die teelt;

 

b.

suikerbieten en voederbieten;

 

c.

aardbeien;

 

d.

zaaiuien, 1e-jaars plantuien, 2e-jaars plantuien, zilveruien, picklers en sjalotten;

 

e.

vaste planten.

 

 

 

II.

Als grondontsmettingsmiddel ter bestrijding van aaltjes en schimmels ten behoeve van de teelt in de vollegrond van:

 

a.

groenten;

 

b.

bloembollen en bolbloemen;

 

c.

bloemisterijgewassen;

 

d.

boomkwekerijgewassen.

 

 

 

III.

Als grondontsmettingsmiddel in de vollegrond ter bestrijding van knolcyperus.

 

 

IV.

Als grondontsmettingsmiddel ten behoeve van de herinplant van boomgaarden.

Bij de onder I t/m IV genoemde toepassingen is gebruik in de vollegrond slechts toegestaan in de periode van 16 maart tot en met 15 november, tenzij de toepassing geschiedt ten behoeve van een op die toepassing direct volgende teelt van boomkwekerijgewassen, lelies, gladiolen, Canna, Eremurus, Liatris, Montbretia, Nerine, Paeonia, Ranunculus, Trigidia of een herinplant van boomgaarden.

 

Dit middel is schadelijk voor niet-doelwit arthropoden. Vermijd onnodige blootstelling.

 

Middelen op basis van metam-natrium mogen met ingang van 1 januari 2006 slechts eenmaal in een periode van 5 jaren op hetzelfde perceel of perceelgedeelte worden toegepast.

 

De doseringen zoals aangegeven onder ‘B. GEBRUIKSAANWIJZING’ mogen niet worden overschreden.

 

I.

Toepassing in de vollegrond

Het middel alleen toepassen met daartoe bestemde injectie-apparatuur.

De injectie-apparatuur moet voorzien zijn van lekvrije doppen, b.v. roestvrijstalen antidrup-doppen of een systeem t.b.v. onderzoeksdoeleinden dat het nadruppen van de spuitdoppen voorkomt door middel van het met perslucht doorblazen van vloeistofleidingen voor het lichten van de scharen (bijv. systeem ”Hartenhof”). De apparatuur laden met een lekvrij systeem (onder- of overdrukpomp). Bij het begin van een werkgang dienen eerst de injectiedoppen in de grond geplaats te worden; pas daaarna mag de afgifte worden ingeschakeld.
Het middel op tenminste 10 cm diepte inbrengen.

De afgifte dient tenminste 1 meter voordat de injectiedoppen uit de grond worden gelicht, gestopt te worden.

Na injectie van het middel de grond onmiddellijk aanrollen.

Tijdens alle werkzaamheden ten behoeve van de grondontsmetting en het uitvoeren van de eerste grondbewerking na ontsmetting waarbij huidcontact met het middel kan optreden, doelmatige huidbeschermende kleding, handschoenen met lange schachten en rubberen laarzen dragen.
Verontreinigde kledingstukken onmiddellijk uittrekken.
Handschoenen en laarzen die in contact zijn geweest met het middel altijd direct met veel water wassen.
Handschoenen buiten de cabine opbergen.

Bij het gereedmaken van de toedieningsapparatuur, het verhelpen van storingen en het inwendig schoonmaken van de apparatuur een volgelaatsmasker dragen met B2-P3-filter, bij voorkeur voorzien van een aanblaaseenheid. Het filter tijdig maar niet later dan 1 maand na ingebruikname vervangen. Indien het filter als gevolg van een calamiteit aan hoge concentraties van het middel in de lucht heeft blootgestaan, deze dan direct vervangen.

B.

GEBRUIKSAANWIJZING

 

Algemeen

Grondontsmettingsmiddel ter bestrijding van aaltjes, schimmels en knolcyperus. De grond moet voor of tijdens de behandeling zaai- of plantklaar worden gemaakt en moet dus de daarvoor geschikte vochtigheid bezitten; ze moet echter vooral niet te nat zijn.
Het middel bij voorkeur toepassen bij een bodemtemperatuur (gemeten op 15 cm diepte) tussen ongeveer 7 en 16 ºC. Hoe lager de bodemtemperatuur des te langer het middel in de grond aanwezig blijft en des te groter de kans op schade door het middel is. Voor toepassing in de vollegrond geldt een ‘gesloten-periode’, waarin geen grondontsmetting mag worden uitgevoerd.
Het middel onverdund toepassen.
De grond na de behandeling 1 tot 3 weken ongestoord laten liggen. Om resten van het middel sneller te laten verdwijnen de grond vervolgens los maken.
Alvorens te planten of te zaaien na de besmetting een wachtperiode in acht nemen van 3 tot 6 weken.
Onder ongunstige omstandigheden (b.v. hoog vochtgehalte van de grond, lage temperatuur, sterk absorberende grondsoort) kan deze periode veel langer zijn. In die situatie verdient het aanbeveling het einde van de wachtperiode vast te stellen met behulp van de tuinkerstest.

 

Toepassingen

 

Consumptie-aardappelen, fabrieksaardappelen en pootaardappelen, ter bestrijding van aardappelcysteaaltjes (Globodera rostochiensis, Globodera pallida), wortelknobbelaaltjes (Meloidogyne spp), stengelaaltjes (Ditylenchus dipsaci), vrijlevende wortelaaltjes (Trichodoridae) en wortellesieaaltjes (Pratylenchus penetrans).
Dosering: 300 liter per ha

Suikerbieten en voederbieten, ter bestrijding van bietecysteaaltjes (wit bietecysteaaltje Heterodera schachtii en geel bietecysteaaltje Heterodera trifolii f.sp. betae), wortelknobbelaaltjes (Meloidogny spp), stengelaaltjes (Ditylenchus dipsaci) en vrijlevende wortelaaltjes (Tri
chodoridae).
Dosering: 300 liter per ha.


Aardbeien in de vollegrond
, ter bestrijding van wortellesieaaltjes (Pratylenchus penetrans) en vrijlevende wortelaaltjes (Trichodoridae) ter voorkoming van zwart wortelrot.
Dosering: 6-7,5 liter per are.

 

Groenteteelt in de vollegrond, ter bestrijding van wortellesieaaltjes (Pratylenchus penetrans), vrijlevende wortelaaltjes (Trichodoridae), wortelknobbelaaltjes (Meloidogyne spp), peenmoeheid en zgn. sigaartjes (veroorzaakt door vrijlevende wortelaaltjes (Trichodoridae), bij schorseneren.
Dosering: 6-7,5 liter per are.

Zaaiuien, 1e-jaars plantuien, 2e-jaars plantuien, zilveruien, picklers en sjalotten, ter bestrijding van wortelknobbelaaltjes (Meloidogyne spp), stengelaaltjes (kroef) (Ditylenchus dipsaci), vrijlevende wortelaaltjes (Trichodoridae), en wortellesieaaltjes (Pratylenchus penetrans)

Dosering: 300 liter per ha.

 

Vaste planten in de vollegrond, ter bestrijding van door wortellesieaaltjes (Pratylenchus penetrans) en vrijlevende wortelaaltjes (Trichodoridae) veroorzaakt wortelrot bij Convallaria, Dianthus barbatus, Doronicum, Iberis, Pyrethrum, Trollius en Viola.

Dosering: 6-7,5 liter per are

 

Bloembollenteelt en bolbloementeelt, ter bestrijding van schimmels, wortellesieaaltjes (Pratylenchus penetrans) en vrijlevende wortelaaltjes (Trichodoridae) ten behoeve van de teelt van onder andere hyacint, tulp, iris, gladiool, lelies en krokus ter voorkoming van wortelrot en virusoverbrenging.

Bij het zgn. ‘van de wortel gaan’ bij hyacinten en irissen is in aansluiting op de grondontsmetting een aanvullende behandeling met formaline nodig volgens het hiervoor geldende advies. De bollen dienen vóór het planten op de gebruikelijke wijze te worden ontsmet.

Dosering: 6-7,5 liter per are

                 Voor de bestrijding van droogrot (Stromatinia) bij kleinbloemige gladiolen 10 liter         per are, en bij grootbloemige gladiolen 7,5 liter per are toepassen.

 

Bloemisterijgewassen in de vollegrond, ter bestrijding van wortellesieaaltjes (Pratylenchus penetrans), vrijlevende wortelaaltjes (Trichodoridae) en enkele door schimmels veroorzaakte bodemziekten en omvalziekte bij kiemplanten (o.a. Pythium).
Dosering: 6-7,5 liter per are

 

Boomkwekerijgewassen in de vollegrond, ter bestrijding van door wortellesieaaltjes (Pratylenchus penetrans) en andere vrijlevende aaltjes (Trichodoridae) en/of schimmels veroorzaakte ziekteverschijnselen als ‘bodemmoeheid’ en omvalziekten op zaaibedden.

Dosering: 6-7,5 liter per are.

 

Bestrijding van knolcyperus

Toepassen als grondontsmettingsmiddel, dus op dezelfde wijze als voor bestrijding van aaltjes en schimmels is aangegeven.

Dosering: 7 liter per are.

 

Aanvullende bestrijding (pleksgewijs) met een daartoe geschikt onkruidbestrijdingsmiddel zal veelal noodzakelijk zijn.

 

Herinplant van boomgaarden, ter bestrijding van bodemmoeheid veroorzaakt door wortellesieaaltjes (Pratylenchus penetrans), al of niet samen met schimmels.
Dosering: 6-7,5 liter per are.