Toelatingsnummer 10211 N

Het College voor de Toelating
van Bestrijdingsmiddelen,


gelet op artikel 5 van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 (Stb. 228),

BESLUIT:

Enig artikel

Het besluit tot toelating van het middel SUMICIDIN SUPER onder nr. 10211 N
d.d. 15 februari 1989, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 11 mei 2001 wordt op gronden als in bijlage II dezes vermeld, met ingang van heden gewijzigd als volgt:

In het gestelde onder § IV.2.e. wordt in plaats van "W.11." gelezen: "W.12."

De bijlage I (laatstelijk gewijzigd d.d. 11 mei 2001) van bovengenoemd besluit wordt met ingang van heden vervangen door bijlage I dezes.

Degene wiens belang rechtstreeks bij dit besluit is betrokken kan daartegen op grond van artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht binnen zes weken na de dag waarop dit besluit bekend is gemaakt een bezwaarschrift indienen bij het bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen. Een dergelijk bezwaarschrift dient te worden geadresseerd aan: Het College voor de Toelating van Bestrijdingsmiddelen, Postbus 217, 6700 AE WAGENINGEN.

Wageningen, 21 september 2001

HET COLLEGE VOOR DE TOELATING VAN BESTRIJDINGSMIDDELEN,




(voorzitter)

Aan:

SUMITOMO CHEMICAL AGRO EUROPE S.A.
2, RUE CLAUDE CHAPPE
F-69370 SAINT DIDIER AU MONT D'OR
FRANKRIJK

HET COLLEGE VOOR DE TOELATING VAN BESTRIJDINGSMIDDELEN

BIJLAGE I bij het wijzigingsbesluit van het middel SUMICIDIN SUPER,

toelatingsnummer 10211 N

A.
WETTELIJK GEBRUIKSVOORSCHRIFT

Toegestaan is uitsluitend het gebruik als insectenbestrijdingsmiddel in de teelt van:

a. aardappelen, granen, erwten, stamslabonen, veldbonen, spruitkool, sluitkool, bloemkool, broccoli en koolrabi, met dien verstande dat in de teelt van pootaardappelen op percelen die grenzen aan watergangen gebruik gemaakt dient te worden van een grove dop uit de driftreductieklasse van minimaal 50% in combinatie met luchtondersteuning en een standaard teeltvrije zone òf gebruik gemaakt dient te worden van een zeer grove dop uit de driftreductieklasse van minimaal 75%, zonder luchtondersteuning en met een standaard teeltvrije zone.

b. graszaad en graszoden alsmede in weiland en sportvelden met dien verstande dat:
1. in de grasteelt binnen 2 weken na behandeling geen gras mag worden gemaaid ten behoeve van voederdoeleinden;
2. weiland niet binnen 2 weken na behandeling mag worden beweid;
3. sportvelden niet binnen 5 dagen na behandeling mogen worden betreden.

c. bloembollen met dien verstande dat bij toepassing op percelen die grenzen aan watergangen gebruik dient gemaakt te worden van een zeer grove dop uit de driftreductieklasse van minimaal 90% in combinatie met luchtondersteuning en met een standaard teeltvrije zone, of er dient gebruik gemaakt te worden van een overkapte beddenspuit met een standaard teeltvrije zone.

d. bloemisterijgewassen onder glas.

De toepassing door middel van een vliegtuig is verboden.

Veiligheidstermijnen:

De termijn tussen de laatste toepassing en de oogst mag niet korter zijn dan:

7 dagen voor aardappelen;

7 dagen voor spruitkool, sluitkool, bloemkool, broccoli en koolrabi;

2 weken voor granen;

1 week voor erwten en veldbonen;

10 dagen voor stamslabonen.

B.

GEBRUIKSAANWIJZING

ATTENTIE

Het middel is giftig voor vissen en andere waterorganismen, derhalve het middel zodanig toepassen dat het niet in het oppervlaktewater terecht kan komen.

TOEPASSINGEN

Aardappelen, ter bestrijding van de larven van de Coloradokever.

Het beste tijdstip voor een bestrijding is wanneer jonge larven op het gewas worden aangetroffen. Niet vaker dan 2 maal per jaar toepassen.

Dosering: 0,2 liter per ha.

Aardappelen, ter bestrijding van bladluizen ter voorkoming van zuigschade.

Een behandeling uitvoeren wanneer gemiddeld meer dan 50 bladluizen per samengesteld blad voorkomen. Niet vaker dan 2 maal per jaar toepassen.

Dosering: 0,2 liter per ha.

Pootaardappelen, ter voorkoming van overdracht door bladluizen van het bladrolvirus.

Toepassen zodra 90% van de planten is opgekomen.

De behandeling 14 dagen later herhalen. Niet vaker dan 2 maal per jaar toepassen.

Bij toepassing op percelen die grenzen aan watergangen dient gebruik gemaakt te worden van een zeer grove dop uit de driftreductieklasse van minimaal 50% in combinatie met luchtondersteuning en met een standaard teeltvrije zone, of er dient gebruik gemaakt te worden van een zeer grove dop uit de driftreductieklasse van minimaal 75% zonder luchtondersteuning en met een standaard teeltvrije zone.

Dosering: 0,2 liter per ha.

Pootaardappelen, ter voorkoming van overdracht door bladluizen van het Ynvirus.

Wekelijks toepassen vanaf de opkomst van het gewas tot één week voor de rooidatum.

Dosering:

0,2 liter per ha in combinatie met minerale olie.
Voor de dosering van de minerale olie raadplege men publicaties van o.a. de D.L.V.

Het middel dus uitsluitend toepassen in combinatie met minerale olie.

Bij toepassing op percelen die grenzen aan watergangen dient gebruik gemaakt te worden van een zeer grove dop uit de driftreductieklasse van minimaal 50% in combinatie met luchtondersteuning en met een standaard teeltvrije zone, of er dient gebruik gemaakt te worden van een zeer grove dop uit de driftreductieklasse van minimaal 75% zonder luchtondersteuning en met een standaard teeltvrije zone.

Granen, ter bestrijding van bladluizen.

Een bespuiting uitvoeren als tenminste 70% van de halmen met bladluizen is bezet.

Een gecombineerde bestrijding van bladluizen en afrijpingsziekten is verantwoord wanneer bij begin tenminste 30% van de halmen met bladluizen is bezet. Niet vaker dan 2 maal per jaar toepassen.

Dosering: 200 ml per ha.

Suiker- en voederbieten, ter bestrijding van rupsen van de aardappelstengelboorder.

In gebieden waar aantasting is te verwachten vanaf half mei een behandeling uitvoeren en deze maximaal 1x herhalen met een interval van 7 dagen. Niet vaker dan 2 maal per jaar toepassen.

Dosering: 0,45 liter per ha.

Suiker en voederbieten, ter bestrijding van trips.

Een behandeling uitvoeren zodra op de jonge plantjes trips wordt waargenomen. Niet vaker dan 2 maal per jaar toepassen.

Dosering: 0,2 liter per ha

Erwten en veldbonen, ter bestrijding van de bladrandkever.

Zodra vreterij van de bladrandkever aan de blaadjes van de jonge planten wordt waargenomen een behandeling uitvoeren. Niet vaker dan 2 maal per jaar toepassen.

Dosering: 0,2 liter per ha.

Erwten, ter bestrijding van trips.

Een behandeling uitvoeren zodra op de jonge planten aantasting wordt waargenomen. Niet vaker dan 2 maal per jaar toepassen.

Dosering: 0,2 liter per ha.

Stamslabonen, ter bestrijding van trips.

Een behandeling uitvoeren zodra op de jonge planten aantasting wordt waargenomen. Niet vaker dan 2 maal per jaar toepassen.

Dosering: 0,2 liter per ha.

Spruit-, sluit-, bloemkool, broccoli en koolrabi, ter bestrijding van koolrupsen, koolmot en bladrollers; nevenwerking tegen bladluis en bij spruitkool ook tegen late koolvlieg.

Ter bestrijding van de koolgalmug het middel toepassen zodra de eerste eitjes zijn afgezet. De bespuiting zonodig herhalen. Niet vaker dan 2 maal per jaar toepassen.

Dosering: 0,2 liter per ha.

Graszaadteelt, graszodenteelt, weiland en sportvelden, ter bestrijding van de larven van de rouwvlieg.

Bij voorkeur spuiten met veel water; regen kort na de toepassing heeft een gunstige effect op de bestrijding. De bestrijding dient in de herfst te worden uitgevoerd. Om de kans op contact van het middel met de larven te vergroten verdient het aanbeveling weiland eerst te slepen en geen drijfmest kort voor de bespuiting toe te dienen.

Dosering: 0,3 liter per ha.

Tulp, hyacint, iris en gladiool, ter beperking van verspreiding van nonpersistente virussen.

Het middel vanaf de eerste week van mei wekelijks toepassen.

Bij tulpen de bespuitingen voortzetten tot de tweede/derde week van juni, bij hyacinten en irissen tot tien dagen voor het rooien en bij gladiolen tot een week voor de bloei. Bij gladiolen uitsluitend toepassen op virusvrije partijen.

Bij toepassing op percelen die grenzen aan watergangen dient gebruik gemaakt te worden van een zeer grove dop uit de driftreductieklasse van minimaal 90% in combinatie met luchtondersteuning en met een standaard teeltvrije zone, of er dient gebruik gemaakt te worden van een overkapte beddenspuit met een standaard teeltvrije zone.

Dosering: 0,4 liter per ha.

Lelies, ter beperking van verspreiding van non-persistente virussen.

Het middel vanaf de eerste week van mei toepassen; in mei, juni en juli wekelijks toepassen; in augustus/september om de 10 dagen.

Bij toepassing op percelen die grenzen aan watergangen dient gebruik gemaakt te worden van een zeer grove dop uit de driftreductieklasse van minimaal 90% in combinatie met luchtondersteuning en met een standaard teeltvrije zone, of er dient gebruik gemaakt te worden van een overkapte beddenspuit met een standaard teeltvrije zone.

Dosering: 0,4 liter per ha.

Gecombineerd toepassen met minerale olie kan het effect verbeteren.

Voor de dosering van minerale olie raadplege men de voorlichting.

Bloemisterijgewassen onder glas, ter bestrijding van rupsen, bladrollers, witte vlieg, mineervlieg, trips en bladluizen.

Een behandeling uitvoeren zodra aantasting optreedt. Niet vaker dan 2 maal per jaar toepassen.

Volwassen mineervliegen en Floridamotten bestrijden d.m.v. een ruimtebehandeling.

Dosering:

0,05 % (50 ml per 100 liter water).

Bij gebruik van straalmotorspuit 100 ml per 1000 m².

Wageningen, 21 september 2001

HET COLLEGE VOOR DE TOELATING VAN BESTRIJDINGSMIDDELEN,




(voorzitter)

HET COLLEGE VOOR DE TOELATING VAN BESTRIJDINGSMIDDELEN

BIJLAGE II behorende bij het wijzigingsbesluit van datum dezes van de toelating van het middel SUMICIDIN SUPER, toelatingsnummer 10211N.

Het betreft de heroverweging van de besluiten van het College ten aanzien van de beëindiging (bij besluit van 23 juni 2000 en 11 mei 2001) van een aantal toepassingen van het middel SUMICIDIN SUPER op basis van esfenvaleraat.

Motivering van heroverweging

Eerdere besluitvorming door het College

Naar aanleiding van C-97.3.19 (mei 2000) heeft het College het volgende besloten:

Het College besluit de toepassing in de teelt van pootaardappelen (tegen Yn-virus), appels en peren (zowel voor als na 1 mei), prei en uien van het middel op basis van esfenvaleraat te beëindigen per 1 januari 2001. Het College besluit tevens dat het voornemen de toepassing in de teelt van erwten/veldbonen (tegen trips) en diverse koolsoorten te beëindigen per
1 juli 2000 kan komen te vervallen daar deze toepassingen thans voldoen aan de norm voor waterorganismen zoals opgenomen in het Bmb.

Het College heeft verder het voornemen de toepassing in suiker- en voederbieten, bloembollen (v.g.) en bloemisterijgewassen (o.g.) te beëindigen per 1 juli 2001 gelet op het feit dat niet voldaan wordt aan de norm voor waterorganismen zoals opgenomen in het Bmb.

Naar aanleiding van C-108.3.5 (april 2001) heeft het College als volgt besloten.

Het College besluit het voornemen de toepassing in de teelt van suiker- en voederbieten, bloembollen (v.g. en o.g.) en bloemisterijgewassen van het middel op basis van esfenvaleraat te beëindigen per 1 juli 2001 om te zetten in een definitieve beëindiging per
1 november 2001 daar niet kan worden vastgesteld dat voldaan wordt aan de artikelen 3a en 3 van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 . De genoemde toepassingen voldoen niet aan de norm voor waterorganismen;

Heroverweging

In de reactie van het CTB zoals weergegeven in C-108.3.5 is geconcludeerd dat de norm waaraan de initiële concentratie in het oppervlaktewater wordt getoetst afhangt van de frequentie van de toepassing. Voor toepassingen met een maximale frequentie van 2 is de norm 0,08 µg/L; voor toepassingen met een hogere frequentie is de norm 0,01 µg/L. Deze waarden zijn afgeleid op basis van de nominale initiële concentraties van mesocosmstudies. Derhalve dient de Predicted Initial Environmental Concentration (PIEC) te worden getoetst aan deze norm.

De PIEC-waarden zijn berekend met behulp van TOXSWA, met inachtname van het concept-WG/GA. (scenario ‘b’ volgens C-108.3.5). In het WG/GA worden de volgende wijzigingen opgenomen:

• de toepassingen in de teelt van aardappelen, granen, suiker- en voederbieten, erwten, stamslabonen, veldbonen, spruitkool, sluitkool, bloemkool, , broccoli en koolrabi, worden beperkt tot maximaal 2 toepassingen per jaar

• voor de toepassingen in de teelt van pootaardappelen op percelen die grenzen aan watergangen gelden de volgende restricties:

• er dient gebruik gemaakt te worden van een grove dop uit de drift reductieklasse van minimaal 50%, in combinatie met luchtondersteuning en een standaard teeltvrije zone of

• er dient gebruik gemaakt te worden van een zeer grove dop uit de drift reductieklasse van minimaal 75%, zonder luchtondersteuning en met een standaard teeltvrije zone

• voor de toepassingen in de teelt van bloembollen (v.g.) op percelen die grenzen aan watergangen gelden de volgende restricties:

• er dient gebruik gemaakt te worden van een zeer grove dop uit de drift reductieklasse van minimaal 90% in combinatie met luchtondersteuning en met een standaard teeltvrije zone of

• er dient gebruik gemaakt te worden van een overkapte beddenspuit met een standaard teeltvrije zone

• toepassingen in de teelt van bloemisterijgewassen worden beperkt tot maximaal
2 toepassingen per jaar

• de dosering voor de toepassing in de teelt van suiker- en voederbieten ter bestrijding van rupsen van de aardappelstengelboorder wordt verlaagd van 0,50 tot 0,45 liter per hectare

Voor de toepassingen in de teelt van pootaardappelen en bloembollen (v.g.) zijn de berekende PIEC-waarden gebaseerd op de driftpercentages uit het IMAG-rapport "Spray drift when applying esfenvalerate in potatoes and flower bulbs in the Netherlands" (Nota V2000-63, September 2000). Voor de overige toepassingen wordt uitgegaan van de laatste driftpercentage cijfers, die zijn opgenomen in het Overzicht te hanteren driftpercentages (standaardsituaties) n.a.v. C-91.6.a (22 oktober 1999). De gehanteerde driftpercentages zijn opgenomen in Tabel M.1.

Het CTB heeft bij alle toepassingen abusievelijk gerekend met een emissie van 1%. Dit resulteert voor een aantal toepassingen in een overschatting van de PIEC waarde. Verder is reeds in C-97.3.19 (mei 2000) een fout gemaakt in de afleiding van de KOM-waarde. In de EU-eindpuntentabel zijn geen Kd-waarden voor esfenvaleraat opgenomen, maar wel van fenvaleraat. Fenvaleraat is een racemisch mengel van vier optische isomeren, waarvan esfenvaleraat er één is. Op grond hiervan stelt het CTB dat de Kd-waarde voor fenvaleraat en esfenvaleraat niet van elkaar verschillen. Op basis van de in de EU-eindpuntentabel opgenomen Kd-waarden van fenvaleraat wordt thans een gemiddelde KOM-waarde gevonden van 3103 L/kg (range 6045-6987 L/kg). Eerder was een KOM-waarde van 964 L/kg afgeleid.

In de EU-eindpuntentabel is een waarde voor log KOC opgenomen, waarvan in C-76.3.3 is opgemerkt dat deze waarde minder betrouwbaar wordt bevonden, aangezien deze door middel van HPLC is bepaald. Het resultaat van deze studie is sterk afhankelijk van de gekozen referentiestoffen en als zodanig niet bruikbaar voor het bepalen van de KOC-waarde. Het CTB verkiest daarom de in grond gemeten Kd-waarde van fenvaleraat boven deze log KOC-waarde van esfenvaleraat.

Theoretisch kan een KOC-waarde ook worden berekend op basis van een KOW-waarde, welke voor esfenvaleraat wel beschikbaar is. In het Technical Guidance Document zijn verschillende formule’s opgenomen, welke toegepast zouden kunnen worden. De keuze voor een bepaalde formule hangt af van de aard van het molecuul en de aard van de reactieve groepen. Erg nauwkeurig is deze methode niet, omdat een molecuul zelden precies bij één bepaalde formule past. Het CTB accepteert daarom voor de bepaling van de KOM-waarde alleen gemeten waarden.

Voor de risicobeoordeling van milieu-aspecten is gebruik gemaakt van de EU-eindpuntenlijst zoals opgenomen in het ‘review report’ van 30 november 2000. Voor de risicobeoordeling voor waterorganismen is gebruik gemaakt van een Alterra advies van 17 juli 2001. Aanvullingen in de list of endpoints zijn cursief weergegeven.

LIST OF END POINTS: ESFENVALERAAT

2 Fate and behaviour in the environment

2.1 Fate and behaviour in soil

Route of degradation


Aerobic:

13 soils:

6 Japanese soils: 2 (25 °C) + 4 (15 °C)
3 European soils at 20 °C
4 American soils at 25 °C
14C-phenoxyphenyl; 14C-benzylmethyne;
14C-carbonyl; 14C chlorophenyl

Mineralization after 100 days:

58.3 %; 82.4 %; 65.2 % (European soils at 50 % MWHC); 21.5 % (90 d)

Non-extractable residues after 100 days:

5.3 %; 3.3 %; 4.9 % (European soils at 50 % MWHC)

27.5 % (90 d)

35 % - 39.1 % (180 d)

Relevant metabolites above 10 % of applied active substance: name and/or code
% of applied rate (range and maximum)

More than 7 metabolites formed in amounts
< 10 %
CONH2-Fen reached up to 32 % AR (silty clay loam soil in USA after 12 months)



Supplemental studies


Anaerobic:

Study not submitted for esfenvalerate.

14C-chlorophenylfenvalerate in 3 USA soils at 23 °C:
5 - 14 % non-extractable residues after 90 d
4 - 5.2 % CO2 after 90 d
Metabolites formed in amounts < 10 %



Soil photolysis:

2 Japanese soils exposed to natural sunlight for 30 d.

In the dark: DT50 = 14 d; 64 d
With light: DT50 = 1.1 d; 2.5 d
CONH2 - Esf. was found in light (48.4 %)
Dark conditions (61 %)

Other products < 10 %



Remarks:

Esfenvalerate is degraded by cleavage of the ester bond leading to alcohol and acid moieties, ring hydroxylation at the 4’-phenoxy position and hydration of the cyano group to an amide.

Rate of degradation


Laboratory studies

Method of calculation: Linear regression analysis 1st order kinetics; r2 = 0.952 - 0.996

DT50lab (20 °C, aerobic):

28 - 50 d
26.9 - 74 d (25 °C)

DT90lab (20 °C, aerobic):

Not determined. It was not possible to determine the value in the period of examination.

DT50lab (10 °C, aerobic):

39 - 179 d (15 °C); (least square method)

DT50lab (20 °C, anaerobic):




Field studies (USA and UK)


DT50f from soil dissipation studies:

3 sites in USA - Multiple applications on cotton plants:
Not possible to estimate DT50f or DT90f values due to low residue levels in soil

2 sites in UK – bare soil, Summer and Autumn applications
estimated DT50f: 62 - 126 d. after Summer appl.

: 68 – 87 d. after Autumn appl.

estimated DT90f: 206 – 420 d. after Summer appl.

: 227 – 291 d. after Autumn appl.

(DT50f mean values: 70 d. in sandy silt loam and 95 d. in clay soil after Summer application; 75 d. in sandy silt loam and 77 d. in clay soil after Autumn application)

CONH2 Esf. < 0.01 mg/kg in all field dissipation studies

DT90f from soil dissipation studies:


Soil accumulation studies:

No studies have been submitted.
No accumulation is expected

Soil residue studies:

6 Residue trials in Germany
In 4 trials residues < 0.01 mg/kg
In 2 trials residues 0.03 - 0.04 mg/kg (at 0 d)
DT50f: 33 - 35 d (1st order)
DT90f: 109 - 117 d (estimated)

Remarks


e.g. effect of soil pH on degradation rate

The field dissipation studies in USA can be used for Southern part of EU.

Residues not detected below 10 cm of soil layer.

Adsorption/desorption


Kf / Koc:

Kd

pH dependence:

By HPLC: Log KOC 5.8 (5.3 - 6.6 for 95 % confidence ranges)
r2 for reference compounds = 0.93

For fenvalerate kd values:

Sand (pH 4.8, 0.35% o.m.): 4.4

Sandy loam (pH n.d., 1.06% o.m.): 6.4

Silty clay loam (pH 6.4, 2.00% o.m.): 71.3

Sandy clay loam (pH 7.0, 1.50% o.m.): 104.8

no pH dependence

Mobility


Laboratory studies:

No studies have been conducted with esfenvalerate, but only with fenvalerate.

Column leaching:

Fresh soils

Less than 2 % AR in percolates.

No identification has been done.

The majority of AR was recovered from the top soil column and: > 98 % a.s.
or
43 % a.s. and
38 % CONH2-Fen.

Aged residue leaching:

Incubation 30 d

Approximately 1 % AR in percolate of sandy loam soil.

92 % AR in the top soil column: > 90 % a.s.
or
43 % a.s. and
35 % CONH2-Fen

Field studies:


Lysimeter/Field leaching studies:



Remarks:

Although poor information has been submitted for esfenvalerate no mobility of this compound is expected as well as for the metabolites.

2.2 Fate and behaviour in water

Abiotic degradation


Hydrolytic degradation:

DT50 at

pH 4/5: 192 d at 25 °C

pH 7: not calculated due to variability of results

pH 9: 65 d at 25 °C

Relevant metabolites:

Hydrolysis via cleavage of ester bond leading to CPIA

Photolytic degradation:

Natural sunlight at 25 °C:

Distilled water: DT50: 10 d

Artificial sunlight:

Sterilised water: DT50: 6 d

Relevant metabolites:

Esfenvalerate stereoisomerized to RS and SR isomers.

CPIA: 27 % by day 7



Biological degradation


Ready biological degradability:

Not submitted for esfenvalerate.
For fenvalerate: No biological degradability

Water/sediment study:


DT50 water:


DT90 water:

DT50 whole system:

DT90 whole system:

Distribution in water / sediment systems
(active substance)

Distribution in water / sediment systems
(metabolites)

1. Japanese pond and river sediment at 25 °C
2. UK natural aquatic systems at 10 °C

DT50 (water): Esfenvalerate 30.3 % at time 0
Esfenvalerate 2.7 - 3.4 % at 100 d

DT90 < 30 d

DT50 (whole system): 54 - 80 d

DT90 (whole system): 212 - 215 d

Esfenv. 26 – 27% at 100 d

CPIA: 44 – 48% at 100 d
Pbacid: 2 – 13% at 30 d

Accumulation in water and/or sediment:

Not necessary since esfenvenvalerate is not

persistent in aquatic systems.

Recently the article Samsoe-Petersen et al (2001), Fate and effects of esfenvalerate in agricultural ponds. Environmental Toxicology and Chemistry 20: 1570-1578 has become available to CTB.

To make an improved description of the fate of esfenvalerate in natural, small surface waters only the study of Samsoe-Petersen et al (2001) has been evaluated.

The description of the studied system in Samsoe-Petersen et al (2001) and Bügel Mogensen and Stuer-Lauridsen (1996), that both report on the same experiment, was not complete. Therefore lacking data on e.g exact water depth, mass of macroflora present and sediment properties like bulk density, porosity and organic matter content had to be estimated by expert judgement.

The TOXSWA model (TOXic substances in Surface WAter), version 1.2, was used in the calculations. Main limitations of this model with respect to the pond study are:

§ The water column is assumed to be ideally mixed over depth

§ No surface micro layer can be simulated

§ Sorption to suspended solids, macrophytes and sediment is described as an equilibrium process, so, the model cannot describe time-dependant sorption during e.g. the first 24 h after application

No site-specific compound properties were available. For less important properties (e.g. transformation in sediment, vapour pressure, solubility) values from the Monograph of esfenvalerate were used. Next, the three most important properties were estimated by comparing measured concentrations with concentrations calculated by TOXSWA 1.2.

Results

The fate of esfenvalerate in the pond of Samsoe-Petersen et al (2001) is described best by assuming the following values for the physico-chemical properties mentioned below:

Kmp (sorption to macrophytes) : 20000 L/kg

DT50 in water column : 1 d

Kom (sorption to sediment and susp.solids) : 30000 L/kg

DT50 in sediment : 67 d

Degradation in the saturated zone

Not submitted. Not necessary.



Remarks:

No remarks

2.3 Fate and behaviour in air

Volatility


Vapour pressure:

1.17 x 10-9 Pa at 20ºC (estimated)

Henry's law constant:

4.92 x 10-4 Pa·m3·mol-1 (calculated)



Photolytic degradation


Direct photolysis in air:

Not submitted.

Photochemical oxidative degradation in air

DT50:

DT50air: 1.2 days (Atkinson method)

Volatilisation:

Not submitted



Remarks:

Esfenvalerate is considered non-persistent in air.

3 Ecotoxicology

Terrestrial Vertebrates

Acute toxicity to mammals:

LD50 = 7.9 mg a.s./kg bw (Rat - EC formulation)

Acute toxicity to birds:

LD50 = 1312 mg a.s./kg bw (Bobwhite quail)

Dietary toxicity to birds:

LC50 > 5000 ppm (Bobwhite quail/Mallard duck -

fenvalerate)

Reproductive toxicity to birds:

NOEC: 125 ppm (Bobwhite quail – fenvalerate)

25 ppm (Mallard duck – fenvalerate)

Short term oral toxicity to mammals:

LD50 = 88.5 mg/kg bw (Rat – technical
esfenvalerate)

Aquatic Organisms

Acute toxicity fish:

LC50 = 0.1 µg/l

Long term toxicity fish:

NOEC = 0.25 µg/l (mesocosm studies)

Bioaccumulation fish:

BCF: 2850 – 3650

Acute toxicity invertebrate:

EC50 = 0.9 µg/l

Chronic toxicity invertebrate:

NOEC = 0.052 µg/l;

From mesocosm studies:

EAC = 0.08 µg/l (overall conclusion from 3 mesocosm studies; long term effects were not observed for microcrustaceans);

NOEC(community) = 0.01 µg/l (very slight effects)

Acute toxicity algae:

EbC50 = 6.5 µg/l; ErC50 = 10.0 µg/l

Chronic toxicity sediment dwelling organism:

Covered by mesocosm studies.

Honeybees

Acute oral toxicity:

0.21 µg a.s./bee (EC formulation)

Acute contact toxicity:

0.06 µg a.s./bee; 0.07 µg a.s./bee (EC formulation)

Semi-Field/Field studies:

Cage tests, tunnel cage tests and a field trial on oil seed rape were conducted.

On the basis of the results it can be concluded that applications up to 30 g a.s./ha will not pose an unacceptable risk to honey bees. A high dose of 60 g a.s./ha was also tested with similar results concerning bee mortality of those observed with 15 and 30 g a.s./ha.

Repellency was observed for 1 – 5 h, depending on the tested concentration.

Other arthropod species

Liniphiid spiders

Mortality: 100 % effects on adults
(0.0125 kg a.s./ha, EC 50 g/l)

T.pyri (ext-lab)

overall effects(mortal./reprod.) of 10%, 48.8%, 46.3%, 58.9% and 90.7% resp. for 0.015, 0.027, 0.047, 0.084 and 0.15 g a.s./ha.

C. carnea

Mortality: 10 % effect on larvae
(0.0125 kg a.s./ha, EC)

P. cupreus

Lethal/sublethal effects: 3.3 % in adults
(0.0125 kg a.s./ha, EC)

Field study in cereals, summer application

EC form. 50 g s.a./l, two applications at 7.5 and 15 g s.a./ha.

Transient and short lived effects on Lycosiidae, Hybotidae (Diptera) and Aphidiinae. No significant effects on Carabidae and Staphylinidae beatles.

Recovery after three weeks.

Field study in Orchards (South of France), summer application

EC form. 50 g s.a./l; three applications at two week intervals at 1.5 (10% Max. Field Rate corresp. to drift at 5 m), 7.5 and 15 g s.a./ha (MFR). Observations before 1st application until 114DA3T.

No treatment related effects on predatory mites or other beneficials at 1.5 g a.s./ha.

At 7.5 g a.s./ha, 25 to 35% reduction of mite abundance was observed after treatments. Dose related effects were also observed on aphid predators and parasitoids.

At 15 g a.s./ha 22 to 43% reduction of mite abundance was observed after treatments. Dose related effects were also observed on aphid predators and parasitoids. Other predators showed reduction only for this dose.

Recovery was evident at 30DA3T for all species studied for both 7.5 and 15.0 g a.s./ha.

Earthworms

Acute toxicity:

212.5 mg formulation/kg substrate

(10.6 mg a.s./kg substrate)

Reproductive toxicity:

No data submitted. No long term effects expected.

Soil micro-organisms

Nitrogen mineralization:

No permanent adverse effect up to 1.28 kg/ha

Dehydrogenase activity:

Considered acceptable test for assessing effects on biomass of soil microflora.

No permanent adverse effect up to 1.28 kg/ha.

Risicobeoordeling waterorganismen

Het risico voor waterorganismen voor de verschillende toepassingen van esfenvaleraat wordt ingeschat met behulp van berekeningen van de concentraties in het oppervlaktewater (sloot van 30 cm diepte) die ontstaan door overwaaien. Het overwaaipercentage is afhankelijk van de toepassing.

De concentratie in het oppervlaktewater wordt getoetst aan de normen voor waterorganismen gebaseerd op mesocosmstudies. Voor toepassingen met een maximale frequentie van 2 is de norm 0,08 µg/L; voor toepassingen met een hogere frequentie is de norm 0,01 µg/L. Deze waarden zijn afgeleid op basis van de nominale initiële concentraties van mesocosmstudies. Derhalve dient de Predicted Initial Environmental Concentration (PIEC) te worden getoetst aan deze norm.

De concentraties in het oppervlaktewater worden berekend m.b.v. het model TOXSWA, waarbij voor de werkzame stof de volgende gegevens worden ingevoerd:

TOXSWA:

DT50 voor afbraaksnelheid in water bij 20°C: 67 dagen

DT50 voor afbraaksnelheid in sediment bij 20°C: 10.000 dagen

Kom voor zwevend organische stof: 3103 L/kg

Kom voor sediment: 3103 L/kg

Verzadigde dampspanning: 1,17 × 10-9 Pa (20°C)

Oplosbaarheid in water: 1 × 10-6 g/L (temperatuur afhankelijk)

Molecuulmassa: 419,9 g/mol

Overige parameters: standaard instelling TOXSWA

Aangezien er nog geen standaard methode is om de afzonderlijke afbraaksnelheden in water en sediment uit de water/sedimentstudie te bepalen, wordt voorlopig de DT50 systeem in de waterfase ingevuld. Deze methode komt overeen met de methode zoals gebruikt in SLOOTBOX, er is als zodanig geen aanpassing van het toetsingskader. Dit heeft geresulteerd in de concentraties opgenomen in tabel M.1. In deze tabel is tevens de normoverschrijding weergegeven.

Tabel M.1: Overzicht berekende concentraties esfenvaleraat in oppervlaktewater*

Toepassing

max.

dosering

[kg w.s./ha]

max

freq.

Int.

[dgn]

Emissie

[%]

PIEC

[µg/L]

norm

[µg/L]

PIEC/

norm

1) appel/peren (april) (v.g.)

0,01

1

14

17

0,79

0,08

9,9

2) appels (mei-aug) (v.g.)

0,0113

2

14

7

0,57

0,08

7,2

3) peren (mei-aug)(v.g.)

0,009

2

14

7

0,46

0,08

5,7

4) uien (v.g.)

0,005

2

5

1

0,039

0,08

0,49

5a) koolsoorten (v.g.)

0,005

2

7

1

0,038

0,08

0,48

5b) koolsoorten (o.g.)

0,005

2

7

0,1

0,0038

0,08

0,05

6) erwten/veldbonen/stamslabonen (v.g.)

0,005

2

7

1

0,038

0,08

0,51

7) prei (v.g.)

0,005

2

5

1

0,039

0,08

0,49

8) aardappel/pootaardappel (v.g.)

0,005

2

7

1

0,038

0,08

0,48

9) pootaardappel (Yn-virus) (v.g.)

0,005

12

7

0,25

0,023

0,01

2,3

10) granen (v.g.)

0,005

1

n.v.t.

1

0,023

0,08

0,29

11) suikerbieten/voederbieten (v.g.)

0,01125

2

7

1

0,085

0,08

1,06

12) graszaad en graszodenteelt, weiland, sportvelden (v.g.)

0,0075

1

n.v.t.

1

0,035

0,08

0,44

13a) bloembollen: gladiool (v.g.)

0,01

10

7

0,11

0,019

0,01

1,9

13b) bloembollen: gladiool (o.g.)

0,01

10

7

0,1

0,017

0,01

1,7

14a) bloembollen: hyacint, iris, tulp (v.g.)

0,01

7

7

0,11

0,018

0,01

1,8

14b) bloembollen: hyacint, iris, tulp (o.g.)

0,01

7

7

0,1

0,016

0,01

1,6

15a) bloembollen: lelie (v.g.)

0,01

20

7

0,11

0,021

0,01

2,1

15b) bloembollen: lelie (o.g.)

0,01

20

7

0,1

0,019

0,01

1,9

16) bloemisterijgewassen o.g.

0,025

2

7

0,1

0,019

0,08

0,24

* Het voorjaarsscenario, berekend volgens TOXSWA op basis van maximale dosering en maximale frequentie.

Op basis van bovenstaande gegevens kan geconcludeerd worden dat de toepassingen in pootaardappel (Yn-virus), suikerbieten/voederbieten en bloembollen niet voldoen aan de toepassingen voldoen aan de acute norm voor toxiciteit waterorganismen zoals opgenomen in het UB.

Omzettingssnelheid esfenvaleraat

Op basis van de EU-eindpuntentabel is in de voorgaande beoordelingen gerekend met een DT50-waarde 67 dagen. In de mesocosm-studie waaruit de norm voor toxiciteit waterorganismen is afgeleid is in de waterfase een DT50 van <1 dag waargenomen. Dit betreft echter een dissipatie DT50-waarde. De DT50 in sediment is onbekend.

Daarnaast is recent een pondstudie omtrent het gedrag van esfenvaleraat beschikbaar gekomen voor het CTB [Samsoe-Petersen et al (2001), Fate and effects of esfenvalerate in agricultural ponds. Environmental Toxicology and Chemistry 20: 1570-1578]. Hierin is tevens een DT50 in het sediment bepaald. Conform bijlage VI van de Regeling uitvoering milieutoelatingseisen bestrijdingsmiddelen 2000 (Rumb 2000) kan de berekende blootstellingsconcentratie bijgesteld worden aan de hand van aanvullend onderzoek aangaande de lotgevallen van de werkzame stof in representatieve aquatische (model)ecosystemen.

Gezien het feit dat de DT50-waarden afkomstig uit de pondstudie dissipatiewaarden betreffen en geen afbraakwaarden kunnen deze waarden niet direct als invoer voor TOXSWA dienen. In TOXSWA dienen enkel afbraak DT50-waarden ingevoerd te worden. Daarnaast zijn de dimensies van de pond uit het experiment niet overeenkomstig met het Nederlandse standaardscenario. In het Alterra rapport Estimating transformation tares of pesticides, to be used in the TOXSWA model, from water-sediment studies is een methode beschikbaar om aquatische (model)ecosystemen te simuleren en hieruit de juiste invoerparameters voor de TOXSWA berekening te genereren. De gehanteerde procedure is in dit rapport voor water-sediment studies beschreven. De procedure is echter identiek voor andere aquatische (model)ecosystemen.

Voor de pond-studie heeft een dergelijke parametrisatie plaatsgevonden. Naast het reeds genoemde artikel zijn tevens de artikelen Bügel Mogensen and Stuer-Lauridsen (1996) gebruikt waarin hetzelfde experiment is beschreven.

Een korte beschrijving van de parametrisatie is hieronder in het Engels weergegeven:

Estimation of compound properties of esfenvalerate with the aid of the pond study of Samsoe-Petersen et al (2001)

The description of the studied system in Samsoe-Petersen et al (2001) and Bügel Mogensen and Stuer-Lauridsen (1996), that both report on the same experiment, was not complete. Therefore lacking data on e.g exact water depth, mass of macroflora present and sediment properties like bulk density, porosity and organic matter content had to be estimated by expert judgement.

The TOXSWA model TOXic substances in Surface WAter), version 1.2, was used in the calculations. Main limitations of this model with respect to the pond study are:

§ The water column is assumed to be ideally mixed over depth

§ No surface micro layer can be simulated

§ Sorption to suspended solids, macrophytes and sediment is described as an equilibrium process, so, the model cannot describe time-dependant sorption during e.g. the first 24 h after application

No site-specific compound properties were available. For less important properties (e.g. transformation in sediment, vapour pressure, solubility) values from the Monograph of esfenvalerate were used. Next, the three most important properties were estimated by comparing measured concentrations with concentrations calculated by TOXSWA 1.2.

Results

The fate of esfenvalerate in the pond of Samsoe-Petersen et al (2001) is described best by assuming the following values for the physico-chemical properties mentioned below:

Kmp (sorption to macrophytes) : 20000 L/kg

DT50 in water column : 1 d

Kom (sorption to sediment and susp.solids) : 30000 L/kg

DT50 in sediment : 67 d

Note that the value of Kom is of minor importance for the correct estimation of the exposure concentration in the water column. It does have importance for the correct estimation of the exposure concentration in the sediment.

Conclusion and recommendation

The use of (semi-)field experiments in small surface waters leads to an improved description of the behaviour of esfenvalerate in natural, small surface waters, that can be used to calculate exposure concentrations in higher tier risk assessments.

Het CTB kan akkoord gaan met de gehanteerde procedure. De uitkomsten zijn derhalve gehanteerd voor een aanpassing van de risicoschatting.

De concentraties in het oppervlaktewater zijn wederom berekend m.b.v. het model TOXSWA, waarbij voor de werkzame stof de volgende gegevens worden ingevoerd:

TOXSWA:

DT50 voor afbraaksnelheid in water bij 20°C: 1 dagen

DT50 voor afbraaksnelheid in sediment bij 20°C: 67 dagen

Kom voor zwevend organische stof: 30000 L/kg

Kom voor sediment: 30000 L/kg

Verzadigde dampspanning: 1,17 × 10-9 Pa (20°C)

Oplosbaarheid in water: 1 × 10-6 g/L (temperatuur afhankelijk)

Molecuulmassa: 419,9 g/mol

Overige parameters: standaard instelling TOXSWA

Dit heeft geresulteerd in de concentraties opgenomen in tabel M.2. In deze tabel is tevens de normoverschrijding weergegeven.

Tabel M.2: Overzicht berekende concentraties esfenvaleraat in oppervlaktewater*

Toepassing

max.

dosering

[kg w.s./ha]

max

freq.

Int.

[dgn]

Emissie

[%]

PIEC

[µg/L]

norm

[µg/L]

PIEC/norm

1) appel/peren (april) (v.g.)

0,01

1

14

17

0,66

0,08

8,2

2) appels (mei-aug) (v.g.)

0,0113

2

14

7

0,37

0,08

3,8

3) peren (mei-aug)(v.g.)

0,009

2

14

7

0,24

0,08

3,0

4) uien (v.g.)

0,005

2

5

1

0,02

0,08

0,25

5a) koolsoorten (v.g.)

0,005

2

7

1

0,02

0,08

0,25

5b) koolsoorten (o.g.)

0,005

2

7

0,1

0,02

0,08

0,25

6) erwten/veldbonen/stamslabonen (v.g.)

0,005

2

7

1

0,02

0,08

0,25

7) prei (v.g.)

0,005

2

5

1

0,02

0,08

0,25

8) aardappel/pootaardappel (v.g.)

0,005

2

7

1

0,02

0,08

0,25

9) pootaardappel (Yn-virus) (v.g.)

0,005

12

7

0,25

0,005

0,01

0,5

10) granen (v.g.)

0,005

1

n.v.t.

1

0,02

0,08

0,25

11) suikerbieten/voederbieten (v.g.)

0,01125

2

7

1

0,05

0,08

0,63

12) graszaad en graszodenteelt, weiland, sportvelden (v.g.)

0,0075

1

n.v.t.

1

0,04

0,08

0,50

13a) bloembollen: gladiool (v.g.)

0,01

10

7

0,11

0,004

0,01

0,4

13b) bloembollen: gladiool (o.g.)

0,01

10

7

0,1

0,004

0,01

0,4

14a) bloembollen: hyacint, iris, tulp (v.g.)

0,01

7

7

0,11

0,004

0,01

0,4

14b) bloembollen: hyacint, iris, tulp (o.g.)

0,01

7

7

0,1

0,004

0,01

0,4

15a) bloembollen: lelie (v.g.)

0,01

20

7

0,11

0,004

0,01

0,4

15b) bloembollen: lelie (o.g.)

0,01

20

7

0,1

0,004

0,01

0,4

16) bloemisterijgewassen o.g.

0,025

2

7

0,1

0,01

0,08

0,1

* Het voorjaarsscenario, berekend volgens TOXSWA op basis van maximale dosering en maximale frequentie.

Conclusie milieu

Op grond van de berekende PIEC-concentraties in het oppervlaktewater uit Tabel M.2 blijkt dat alle onderhavige toepassingen -met uitzondering van de toepassing in appels en peren- thans voldoen aan de norm voor toxiciteit waterorganismen zoals opgenomen in het Bmb.

Eindconclusie

Op basis van bovenstaande berekening kan worden geconcludeerd dat uitsluitend de toepassing van het middel SUMICIDIN SUPER in de teelt van appels en peren niet voldoet aan de norm voor waterorganismen. Deze toepassing is reeds naar aanleiding van C-97.3.19 beëindigd.

De overige beëindigde toepassingen - in de teelt van pootaardappelen (tegen Yn-virus), prei en uien, suiker- en voederbieten, bloembollen (v.g. en o.g.) en bloemisterijgewassen - voldoen nu wel aan de norm voor waterorganismen. De eerder genomen besluiten van het College naar aanleiding van C-97.3.19 en C-108.3.5 dienen derhalve te worden herroepen. Dit betreft de besluiten van 23 juni 2000 en 8 december 2000.

Besluit

Het College besluit de eerder genomen besluiten van 23 juni 2000 en 8 december 2000 ten aanzien van beëindiging van toepassingen van het middel SUMICIDIN SUPER op basis van esfenvaleraat te herroepen naar aanleiding van het beschikbaar komen van nieuwe literatuurgegevens en een herberekening van de concentratie in het oppervlaktewater.

Er is vast komen te staan dat uitsluitend de toepassingen in appels en peren (reeds beëindigd naar aanleiding van het besluit van 23 juni 2000) niet voldoen aan de norm voor waterorganismen.

Het College besluit de toepassingen in de teelt van pootaardappelen (tegen Yn-virus), suiker- en voederbieten, bloembollen (v.g. en o.g.) en bloemisterijgewassen weer op te nemen in het Wettelijk gebruiksvoorschrift daar deze thans voldoen aan de norm voor waterorganismen.

Verder besluit het College -op verzoek van de toelatinghouder- de volgende wijzigingen in het Wettelijk gebruiksvoorschrift/gebruiksaanwijzing op te nemen:

• de toepassingen in de teelt van aardappelen, granen, suiker- en voederbieten, erwten, stamslabonen, veldbonen, spruitkool, sluitkool, bloemkool, broccoli en koolrabi worden beperkt tot maximaal 2 toepassingen per jaar

• voor de toepassingen in de teelt van pootaardappelen op percelen die grenzen aan watergangen gelden de volgende restricties:

• er dient gebruik gemaakt te worden van een grove dop uit de drift reductieklasse van minimaal 50%, in combinatie met luchtondersteuning en een standaard teeltvrije zone of

• er dient gebruik gemaakt te worden van een zeer grove dop uit de drift reductieklasse van minimaal 75%, zonder luchtondersteuning en met een standaard teeltvrije zone

• voor de toepassingen in de teelt van bloembollen (v.g.) op percelen die grenzen aan watergangen gelden de volgende restricties:

• er dient gebruik gemaakt te worden van een zeer grove dop uit de drift reductieklasse van minimaal 90% in combinatie met luchtondersteuning en met een standaard teeltvrije zone of

• er dient gebruik gemaakt te worden van een overkapte beddenspuit met een standaard teeltvrije zone

• toepassingen in de teelt van bloemisterijgewassen worden beperkt tot maximaal 2 toepassingen per jaar

• de dosering voor de toepassing in de teelt van suiker- en voederbieten ter bestrijding van rupsen van de aardappelstengelboorder wordt verlaagd van 0,50 tot 0,45 liter per hectare

Wageningen, 21 september 2001

HET COLLEGE VOOR DE TOELATING VAN BESTRIJDINGSMIDDELEN,





(voorzitter)