MINISTERIE VAN LANDBOUW, NATUURBEHEER EN VISSERIJ

Toelatingsnummer 11754 N

DE MINISTER VAN LANDBOUW, NATUURBEHEER EN VISSERIJ,
in overeenstemming met
DE STAATSSECRETARIS VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT,
DE MINISTER VAN VOLKSHUISVESTING, RUIMTELIJKE ORDENING EN MILIEUBEHEER en
DE STAATSSECRETARIS VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID,

beslissende op de aanvraag d.d. 15 december 1992 (aanvraagnummer 92-452 T) van

DUPONT DE NEMOURS (NEDERLAND) B.V.
AGR.PROD.(ST. 18M), BAANHOEKWEG 22
3313 LA DORDRECHT

tot verkrijging van een toelating als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 (Stb. 288) voor het middel

SAFARI,

gelet op de artikelen 3, 3a, 4 en 5 van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962,

BESLUIT:

§ I. Toelating

1. Het bestrijdingsmiddel SAFARI wordt toegelaten in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962, onder nummer en datum dezes. Voor de gronden waarop dit besluit berust wordt verwezen naar bijlage II dezes.

2. De toelating geldt tot 1 augustus 2001.

§ II. Samenstelling, vorm en afwerking

Onverminderd hetgeen omtrent de samenstelling, vorm en afwerking bij de Regeling samenstelling, indeling, verpakking en etikettering bestrijdingsmiddelen is bepaald, moeten:

a. de samenstelling, vorm en fysische toestand van het middel alsmede de chemische en fysische eigenschappen daarvan overeenkomen met de bij de aanvraag tot toelating verstrekte gegevens, alsmede met het bij de aanvraag tot toelating verstrekte monster.

b.

§ III. Gebruik

Het bestrijdingsmiddel mag slechts worden gebruikt met inachtneming van hetgeen in bijlage I dezes onder A. is voorgeschreven.

§ IV. Verpakking en etikettering

1. De aanduidingen, welke ingevolge artikel 15 van de Regeling samenstelling, indeling, verpakking en etikettering bestrijdingsmiddelen op de verpakking moeten worden vermeld, worden hierbij vastgesteld als volgt:

- aard van het preparaat: water dispergeerbaar granulaat

- werkzame stof(fen): triflusulfuron-methyl

- gehalte(n): 50%

- andere zeer giftige, giftige, bijtende of schadelijke stof(fen):

- toxicologische groep(en): sulfonyl ureum verbinding

- uiterste gebruiksdatum:

2. Behalve de onder 1. bedoelde en de overige bij de Regeling samenstelling, indeling, verpakking en etikettering bestrijdingsmiddelen voorgeschreven aanduidingen en vermeldingen moeten op de verpakking voorkomen:

a. letterlijk en zonder enige aanvulling:

hetgeen in bijlage I dezes onder A. is vermeld.

b. hetzij letterlijk, hetzij naar zakelijke inhoud:

de in bijlage I dezes onder B. opgenomen tekst, met dien verstande, dat niet alle daarin aangegeven toepassingen behoeven te worden vermeld en de inhoud dier tekst slechts mag worden aangevuld met technische aanwijzingen voor een goede bestrijding, mits deze niet met die tekst in strijd zijn.

c. letterlijk en zonder enige aanvulling:

- Bijzondere gevaren:

- Veiligheidsaanbevelingen:
Buiten bereik van kinderen bewaren.
Verwijderd houden van eet- en drinkwaren en van diervoeder.
Niet eten, drinken of roken tijdens gebruik.

d. Overeenkomstig artikel 15 van de Regeling samenstelling, indeling, verpakking en etikettering bestrijdingsmiddelen moet op de verpakking als gevaarsymbool worden aangebracht:
met als onderschrift:

Een belanghebbende kan tegen dit besluit een met redenen omkleed bezwaarschrift indienen bij de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij. Als een bezwaarschrift wordt ingediend, moet dit binnen 6 weken na dagtekening van dit besluit worden verzonden naar: Het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, t.a.v. het Bureau bezwaarschriften en geschillen, Postbus 20401, 2500 EK 's-Gravenhage.

Wageningen, 4 oktober 1996

DE MINISTER VAN LANDBOUW,
NATUURBEHEER EN VISSERIJ,
voor deze:
HET COLLEGE VOOR DE TOELATING VAN BESTRIJDINGSMIDDELEN,


(voorzitter)

MINISTERIE VAN LANDBOUW, NATUURBEHEER EN VISSERIJ

BIJLAGE I bij het toelatingsbesluit van het middel SAFARI,

toelatingsnummer 11754 N

A.

WETTELIJK GEBRUIKSVOORSCHRIFT

Toegestaan is uitsluitend het gebruik als onkruidbestrijdingsmiddel in de teelt van suikerbieten en voederbieten.

B.

GEBRUIKSAANWIJZING

Algemeen

SAFARI is een systemisch bladherbicide ter bestrijding van tweezaadlobbige onkruiden. De groei van de onkruiden wordt snel gestopt, maar de snelheid van afsterven is afhankelijk van de soort, leeftijd en groeiomstandigheden en kan enkele weken duren. De soorten vogelmuur, varkensgras, melganzevoet en zwaluwtong zijn minder gevoelig.

Het middel bij voorkeur spuiten bij groeizaam weer. Niet spuiten bij temperaturen hoger dan 25 °C of als binnen 6 uur regen wordt verwacht.

Hoeveelheid spuitvloeistof 150-300 l/ha.

Voorkom overwaaien van de spuitvloeistof naar gevoelige gewassen.

Toepassingen in de bietenteelt.

Suikerbieten en voederbieten, ter bestrijding van onkruiden in combinatie met het lage doseringssysteem.

Spuiten op zeer jonge onkruiden, kiemblad- tot 2 echte bladstadium. Om een goede werking te verkrijgen dient het middel minimaal tweemaal te worden toegepast.

Dosering: 30 g/ha SAFARI toevoegen aan de standaardmiddelen van het lage doseringssysteem.

Opmerkingen.

Onder stresscondities kunnen enkele dagen na toepassing gele vlekjes op het blad verschijnen welke echter weer snel verdwijnen.

De toepassing van SAFARI in de juiste periode heeft geen invloed op een volggewas in en normale rotatie. Desalniettemin wordt, bij gebrek aan informatie, het afgeraden bloemen, sierplanten, heesters of boomkwekerijgewassen te planten na een bietengewas behandeld met SAFARI in een periode van 12 maanden na toepassing.

Attentie

Direct na de behandeling dient de apparatuur uiterst zorgvuldig te worden schoongemaakt met ammonia of chloorbleekloog, daar een residu van het middel aan veel gewassen grote schade kan doen.

Wageningen, 4 oktober 1996

DE MINISTER VAN LANDBOUW,
NATUURBEHEER EN VISSERIJ,
voor deze:
HET COLLEGE VOOR DE TOELATING VAN BESTRIJDINGSMIDDELEN,


(voorzitter)

MINISTERIE VAN LANDBOUW, NATUURBEHEER EN VISSERIJ

BIJLAGE II behorende bij het toelatingsbesluit van het middel SAFARI,

toelatingsnummer 11754 N

Betreft een aanvraag tot toelating voor een onkruidbestrijdingsmiddel in de teelt van suikerbieten en voederbieten.

Het betreft een aanvraag tot toelating voor een middel op basis van de werkzame stof triflusulfuron-methyl (52,3%). In Nederland zijn nog geen middelen toegelaten op basis van de werkzame stof triflusulfuron-methyl. In de EU -in België en Frankrijk- zijn reeds middelen toegelaten als onkruidbestrijdingsmiddel op basis van de werkzame stof triflusulfuron-methyl.

Fysische en chemische eigenschappen

De fysische en chemische eigenschappen zijn samengevat en geëvalueerd.

Triflusulfuron-methyl

Evaluatie van de fysisch-chemische gegevens.

Triflusulfuron-methyl behoort tot de groep van de sulfonyl ureum verbindingen en is een herbicide.

De produktie die mogelijk is langs 2 verschillende synthese routes wordt momenteel uitsluitend volgens het Cyanaat proces gemaakt.

De technisch actieve stof met een minimum gehalte van 94% is een wit kristallijn produkt met een zwakke azijnzure geur.

Het smelttraject van de verbinding is van 155-158oC, maar is enigszins afhankelijk van het kristalliseringsproces. Tijdens en na het smelten treedt er ontleding op. Triflusulfuron-methyl is het slechts oplosbaar in hexaan (<0,0016 mg/ml) en octanol (0,026 mg/ml), beter oplosbaar in tolueen (2 mg/ml), methanol (7 mg/ml), ethylacetaat (27 mg/ml) en acetonitril (80 mg/ml). In gechloreerde koolwaterstoffen is de oplosbaarheid weer iets beter. Chloroform (160 mg/ml) en dichloormethaan 580 mg/ml.

De verbinding is een zwak zuur met pKa 4.4.

Door dit zure karakter is de wateroplosbaarheid pH afhankelijk: pH 3: 1 ppm; pH 5: 2,7 ppm; pH 7: 110 ppm en pH 9: 11.000 ppm. Omgekeerd daalt de Kow bij stijgende pH: pH 5: Kow 220; pH 7: Kow 9,2 en pH 9 Kow 0,86. De pH van een 1% slurry in water van 25oC = 5,7.

De dampspanning van DPX is < 1 x 10-7 mm Hg bij 25oC.

Triflusulfuron-methyl is tenminste stabiel gedurende 2 weken bij 23-54oCen is iets minder stabiel in zonlicht dan in het donker.

De invloed van de toevoeging van ijzer of van het ferri-ion toegevoegd aan de gebufferde oplossing is gering.

De hydrolyse van het product in water van 25oC is pH afhankelijk. De berekende halfwaardetijden zijn onder pH 5/7/9 respectievelijk 3,1/31/36 dagen.

De belangrijkste hydrolyseprodukten zijn triazineamin en methylsaccharin.

Oplossingen van triflusulfuron-methyl bestraalt met UV-licht leveren de volgende fotolytische halfwaardetijden op gemeten t.o.v. oplossingen bepaald in het donker: bij pH 7: 127 dagen en bij pH9 384 dagen.

Bij pH5 is de photolytische degradatie uitermate snel. Ook bij de photochemische omzetting zijn triazinamine en methylsaccharine de belangrijkste omzettingsprodukten.

De omzetting in grond wordt nauwelijks versneld door bestraling met UV-licht.

De omzetting berust op hydrolyse van de sulfonyl uream brug. Na een duurproef van 15 dagen bij 25oC was nog 35 à 40% van de originele verbinding in tact.

Van een groot aantal van de fysisch-chemische eigenschappen zijn geen uitgebreide onderzoeksrapporten aangeleverd.

Verder ontbreken de spectra en onzuiverheidsprofielen van een aantal batches van het technisch produkt en is geen informatie geleverd over de vetoplosbaarheid.

Evaluatie van de analytische methode.

De werkzame stof triflusulfuron-methyl wordt na oplossen en toevoeging van de interne standaard bifenyl bepaald met omgekeerde fase vloeistof chromatografie.

De verbinding wordt geanalyseerd op een Zorbac C8 5 m; 250 x 4,6 mm kolom met een eluens bestaande uit acetonitril/water pH3 met H3PO4 (50:50 v/v).

De doorstroomsnelheid is 2 ml/min, oventemperatuur 40oC en een detectie bij 254 nm.

Er zijn voldoende gegevens over de nauwkeurigheid en de precisie en de afwezigheid van storingen.

De lineariteit is niet gegeven, maar maakt wel deel uit van de methode door 3 inweegniveau's te kiezen.

SAFARI

Evaluatie van de fysisch-chemische eigenschappen.

Het herbicide SAFARI is een water oplosbaar granulaat met een werkzame stof gehalte van ongeveer 50% (gehalte in massa % bedraagt 52,3 met een minimum gehalte zuivere werkzame stof van 94%).

Het granulaire produkt is bruin van kleur en heeft een zwak zoetige geur.

Het produkt is niet explosief en heeft geen oxiderende of reducerende eigenschappen. De bulkdichtheid is 0,5 g/ml en 1% suspensie in water heeft een pH van 8.6.

De houdbaarheid was volgens de beschikbare rapporten nog niet over een lange periode onder magazijn-omstandigheden getest.

Een vermelde duurproef gedurende 14 dagen bij 54oC levert een teruggang van 4% relatief van het gehalte op.

Er is nog geen informatie beschikbaar over de technische eigenschappen van het middel t.a.v. bevochtigbaarheid, zweefvermogen, droge en natte zeef testen, nominale korrelverdeling, stofgehalte en het attritiegedrag, stroomgedrag.

Het is van belang om deze gegevens alsnog te leveren, evenals de resultaten van de proeven over de houdbaarheid, bij voorkeur over een periode van 24 maanden.

Werkzaamheid

Gelet op het feit dat er in Nederland nog geen middelen op basis van de actieve stof triflusulfuron-methyl zijn toegelaten, dienen voor elk te claimen toepassingsgebied in principe 3 geslaagde proeven per jaar, herhaald over minimaal 2 jaar (totaal 6 proeven) geleverd te worden. Geleverd is de rapportage van 20 effectiviteits- en selectiviteitsproeven over een periode van 4 jaar (1992, 1993, 1994 en 1995).

Met de levering van de resultaten van 20 proeven zijn voldoende gegevens overgelegd om de werkzaamheid en de neveneffecten van het middel SAFARI te beoordelen.

In alle proeven is het middel toegepast in het lage doserings-systeem, waarbij het middel wordt gemengd met herbiciden op basis van fenmedifam, chloridazon, metamitron, lenacil (VENZAR) en minerale olie. In de teelt van bieten wordt onkruidbestrijding momenteel volgens het lage doseringssysteem uitgevoerd.

Effectiviteit

SAFARI is een selectief werkend middel, wat vooral werkzaam is tegen guichelheil, knopige duizendknoop, perzikkruid, akkermelkdistel, witte krodde en akker-ereprijs. Het heeft een matige tot slechte werking tegen vogelmuur, melganzevoet, varkensgras en zwaluwtong.

Het middel is voornamelijk getoetst in het -momenteel in de bietenteelt gangbare- lage doseringssysteem-spuitschema. Afhankelijk van de aanwezige onkruiden en probleem-onkruiden is toevoeging van andere selectieve herbiciden noodzakelijk. Hierbij wordt een combinatie van produkten (op basis van o.a. fenmedifam, metamitron, ethofumesaat en/of olie) verschillende malen in een lage dosering toegepast. Beoordeeld is de werking ten opzichte van het gangbare fenmedifam/minerale olie/metamitron/ethofumesaat-spuitprogramma, waarbij ethofumesaat/metamitron en SAFARI een overlappend onkruidbestrijdend spectrum hebben. Vooral op de onkruiden echte kamille, kleefkruid, straatgras en perzikkruid en de probleemonkruiden hondspeterselie en gevleugeld tandzaad heeft SAFARI een beter bestrijdend effect dan ethofumesaat. Deze onkruiden worden in voldoende mate (meer dan 95% bestrijding) bestreden. De combinatie met metamitron of chloridazon is noodzakelijk voor toepassing na het kiembladstadium van de bieteplanten, daar middelen op basis van deze actieve stoffen een beschermend effect hebben met betrekking tot het optreden van fytotoxiciteit. Middelen op basis van chloridazon geven een betere bescherming dan middelen op basis van metamitron.

Concluderend kan gesteld worden dat het middel SAFARI -toegediend in een dosering van 30 g/ha- in voldoende mate werkzaam is ter bestrijding van akkeronkruiden en enkele specifieke probleemonkruiden, indien toegepast in het lage doseringsspuitschema zoals gebruikelijk in de bietenteelt. Het middel SAFARI heeft een meerwaarde ten opzichte van de reeds toegelaten middelen op basis van ethofumesaat en metamitron, daar het in staat is enkele specifieke akker- en probleemonkruiden beter te bestrijden. Afhankelijk van het aanwezige onkruidspectrum zal de meest geschikte combinatie van middelen gekozen dienen te worden.

Landbouwkundige schadelijke nevenwerkingen

Fytotoxiciteit

Fytotoxiciteit werd in nagenoeg alle gevallen waargenomen voornamelijk in de vorm van chlorose, kopvergeling en groeireductie, doch met uitzondering van één waarneming (15% fytotoxiciteit) was deze fytotoxiciteit acceptabel en verdween binnen 2 weken na toepassen. Een hoge temperatuur en een lage luchtvochtigheid bevorderen het optreden van fytotoxiciteit. Toepassing onder deze omstandigheden dient te worden ontraden (opname in gebruiksaanwijzing).

In geen van de experimenten werd een significante beïnvloeding van de opbrengst of de kwaliteit van het geoogste produkt waargenomen. Ten opzichte van het standaard lage doseringsspuitschema (fenmedifam/minerale olie/metamitron) geeft het spuitschema met SAFARI (fenmedifam/minerale olie/triflusulfuron-methyl) een hogere mate van fytotoxiciteit, doch gezien het verdwijnen van de symptomen en het afwezig zijn van een effect op de opbrengst en kwaliteit van de te oogsten bieten, kan dit als acceptabel worden geklassificeerd.

Schade aan volggewassen

Aangezien het middel SAFARI een herbicide is, dat in lage concentratie gedurende langere tijd werkzaam is, zou het gevaar kunnen bestaan dat volgteelten schade kunnen ondervinden van het gebruik van het middel. De aanvrager heeft inzake deze (mogelijke) schade geen gegevens overgelegd, doch in de Gebruiksaanwijzing is een waarschuwing opgenomen met betrekking tot deze mogelijk vorm van schade. De teelt van gevoelige gewassen (sierplanten, heesters en boomkwekerijgewassen) wordt binnen een periode van 12 maanden na toepassen afgeraden. Gezien het momenteel gehanteerde rotatieschema in de akkerbouw levert het niet kunnen telen van deze gewassen geen problemen op.

Conclusie t.a.v. landbouwkundige nevenwerkingen

Het middel SAFARI geeft, mits toegepast in een lage doseringsspuitschema een zekere mate van fytotoxiciteit, welke als acceptabel wordt geklassificeerd. Hoewel geen gegevens beschikbaar zijn over schade aan volgteelten en naburige gewassen kan -indien de in de gebruiksaanwijzing aangegeven veiligheidsaanbeveling opgevolgd worden- aangenomen worden dat het middel -onder deze omstandigheden- geen onacceptabele schade zal toebrengen aan volg- of naburige gewassen.

Op grond van de overgelegde gegevens kan geconcludeerd worden dat het middel SAFARI in voldoende mate werkzaam is ter bestrijding van onkruiden in de teelt van suiker- en voederbieten en geen onaanvaardbare nevenwerkingen heeft op planten of plantaardige produkten.

Toxicologie

De toxicologie van triflusulfuron-methyl en van het hierop gebaseerde bestrijdingsmiddel SAFARI is samengevat door het RIVM (1995 met een aanvulling in 1996).

Triflusulfuron-methyl wordt na orale toediening binnen enkele dagen uitgescheiden door ratten en geiten. Bij de rat vindt uitscheiding voor 60-75% plaats via de urine en voor 25-40% via de feces. Een galcannulatie studie is niet beschikbaar. Bij de geit is het uitscheidingspatroon vergelijkbaar met een zeer geringe uitscheiding via de melk (0,2-0,5%). Uitscheiding vindt nagenoeg volledig plaats in de vorm van metabolieten.

Stof en middel zijn weinig toxisch na eenmalige orale en dermale blootstelling. SAFARI is eveneens weinig giftig na eenmalige inhalatoire blootstelling. Stof en middel zijn niet irriterend voor huid en oog. Triflusulfuron-methyl is niet sensibiliserend bij cavia’s.

In studies met herhaalde orale blootstelling bij muizen, ratten en honden werden effecten gezien op lichaamsgewicht (daling), lever (gewichtstoename, histologie, klin. chem. parameters), rode bloedbeeld (anemie), nier (gewicht), testes (Leydigcel hyperplasie en adenomen) en hypofyse (hyperplasie), alsmede degeneratie van de nervus ischiaticus. De testesadenomen en de effecten op hypofyse en nervus ischiaticus werden alleen in een chronische studie met de rat waargenomen. Er blijkt een chronische studie met de muis te zijn uitgevoerd, die niet aan het CTB is overgelegd.

Triflusulfuron-methyl was negatief in een genmutatietesten met Salmonella typhymurium en CHO-cellen. In twee van de drie beschikbare in vitro chromosoom aberratie testen was de stof positief in aanwezigheid van een aktiverend systeem. Een UDS test in rattehepatocyten was negatief. Een muis micronucleustest (in vivo chromosoom aberratie) was negatief.

In een 2-generatie reproductie studie met de rat werden geen effecten op de reproductie gevonden. In een teratogeniteitsstudie met het konijn werden geen teratogene effecten gevonden

De firma heeft nader onderzoek geleverd aangaande het mechanisme dat ten grondslag ligt aan het ontstaan van de testes tumoren. De resultaten geven aanwijzingen dat de remming van het enzym aromatase door de stof in de Leydigcellen (en mogelijk ook elders), gepaard gaande met verlaagde oestradiolspiegels en verhoogde LH en FSH productie door de hypofyse, een oorzaak voor het ontstaan van de testes tumoren kan zijn. Het RIVM acht de bewijsvoering echter niet hard.

In combinatie met de negatieve uitslag van de muis micronucleustest kan echter wel worden gesteld dat triflusulfuron-methyl in vivo geen mutagene activiteit heeft en dat voor de risico-evaluatie kan worden uitgegaan van een drempelwaarde.

Overzicht van studies met herhaalde blootstelling

studie

NOAEL (mg/kg lg/d)

LOAEL (mg/kg lg/d)

effecten

90 d oraal muis

4,6

116

rood bloed, lever

90 d oraal rat

6,6

133

lich. gewicht, lever, anemie, nier

90 d oraal hond

3,7

146

lich. gewicht, anemie, lever, nier, testes

chron. oraal rat

3,1

31

lich. gewicht, anemie, lever, testes, hypofyse, nervus ischiaticus

2-gen. reproductie rat

5,8

44

lich. gewicht, pup gewicht, testes

RIVM en TNO nemen voor de risico-evaluaties de NOAEL uit de chronische studie met de rat als uitgangspunt. Uit bovenstaande blijkt dat gezien het grote verschil tussen NOAEL en LOAEL in bovenstaande studies de feitelijke NAEL aanmerkelijk hoger kan liggen.

Vooralsnog wordt echter uitgegaan van een “overall” NOAEL van 3,1 mg/kg lichaams-gewicht/dag.

Risico toepasser

Een risico-evaluatie voor de werkplek voor het middel SAFARI is opgesteld door TNO (1996).

N.B.: Ten tijde van het opstellen van deze risico-evaluatie waren nog niet alle gegevens m.b.t. genotoxiciteit en mechanisme van tumorvorming in de testes van de rat door het RIVM samengevat. TNO maakt derhalve in het huidige advies nog een voorbehoud m.b.t. carcinogeniteit. N.a.v. de laatste versie van de RIVM samenvatting kan de reserve m.b.t. carcinogeniteit echter vervallen.

Gezondheidskundig toelaatbaar geachte blootstelling (Acceptable Operator Exposure Level AOEL)

Voor de berekening van de AOEL is uitgegaan van de NOAEL uit de chronische studie met de rat van 3,1 mg/kg lg/d.

Verder zijn de volgende assessmentfactoren toegepast:

biologische beschikbaarheid via de orale route : 60%

Laagste beschikbare waarde voor uitscheiding

via de urine na orale toediening.

biologische beschikbaarheid via de dermale route : 10%

Er zijn geen experimentele gegevens m.b.t.

dermale penetratie beschikbaar. Gezien het

molecuulgewicht van 492 wordt 10% als een

reasonable worst case beschouwd.

biologische beschikbaarheid via de inhalatoire route : 100%

worst case

gewicht toepasser : 70 kg

extrapolatie rat Þ mens o.b.v. calorische behoefte : 4

overige interspecies verschillen : 1

De NOAEL’s voor muis, rat en hond liggen in

dezelfde orde van grootte en worden bepaald
door overeenkomstige effecten. Daarom wordt
de factor 3 die normaliter wordt toegepast nu
niet gebruikt.

intraspecies verschillen : 3

kwaliteit dossier : 1

Dit levert een AOEL-intern op van:

3,1 x 0,6 x 70/(4x3)= 11 mg/persoon/werkdag

De AOEL-dermaal wordt dan 109 mg/persoon/werkdag en de AOEL-inhalatoir 11 mg/persoon/

werkdag.

Schatting van de blootstelling

SAFARI is een granulaat (dry flowable) o.b.v. 50% triflusulfuron-methyl. Het wordt toegepast voor onkruidbestrijding in de teelt van bieten in een dosering van 30 g/ha, in combinatie met reeds toegelaten middelen o.b.v. een drietal andere werkzame stoffen (fenmedifam, chloridazon, metamitron).

De inhalatoire en dermale blootstelling is geschat met het Nederlands model neerwaarts volvelds spuiten met een poedervormig middel, waarbij is aangenomen dat het granulaat 1% poeder bevat.

Geschatte blootstelling toepasser (mg/werkdag):

inhalatoir dermaal

mengen/laden 0,075 10

toepassen 0,015 3

totaal 0,09 13

Berekeningen volgens het Duitse en UK-model leiden niet tot andere conclusies.

N.B.: In het oorspronkelijke TNO-advies is de dermale blootstelling geschat o.b.v. de Nederlandse veldstudie met een vloeibaar middel. Nader contact met TNO leerde dat momenteel wel onderzocht wordt of het gedrag van een dry flowable formulering bij mengen/laden voldoende overeenkomt met het gedrag van een vloeistof om de Nederlandse veldstudie als uitgangspunt te kunnen nemen. Een definitief oordeel hieromtrent is nog niet gevormd. Daarom is in de onderhavige risico-evaluatie uitsluitend uitgegaan van het Nederlands model neerwaarts volvelds spuiten met een granulaat waarin 1% van de massa als poeder voorkomt.

Beoordeling toelaatbaarheid

De geschatte inhalatoire en dermale blootstelling blijven ruim onder de inhalatoire en dermale AOEL’s. Vanuit arbeidstoxicologisch oogpunt bestaat dan ook geen bezwaar tegen toelating van het middel SAFARI bij gebruik volgens het wettelijk gebruiksvoorschrift en gebruiksaanwijzing.

De werkzame stoffen die in combinatie met SAFARI moeten worden gebruikt (fenmedifam, chloridazon en metamitron) zijn alle drie in de teelt van bieten toegelaten in doseringen die voor elke individuele stof kan oplopen tot meer dan 10 x de dosering die voor de combinatie met SAFARI wordt voorgeschreven. In vergelijking met het reeds toegelaten gebruik zijn er bij het gebruik van SAFARI dan ook geen extra risico’s te verwachten voor de toepasser

Gedetailleerde risico-evaluaties (toxicologische samenvatting en/of arbeidstoxicologische risico-evaluatie) voor de stoffen fenmedifam, chloridazon en metamitron zullen tijdens de verleende verlengingstermijn worden opgesteld. Definitieve uitspraken over het al dan niet aanvaardbaar zijn van verdere toelating van middelen op basis van fenmedifam, chloridazon en metamitron kunnen thans dan ook niet worden gedaan. Dit zal gebeuren bij de beoordeling van de verlenging van de betreffende stoffen. Ook zal in 1996 de samenvatting en evaluatie van fenmedifam in het kader van richtlijn 91/414/EEG (eerste prioriteitenlijst) worden afgerond.

Voorwaarde voor verlenging

Voorgesteld wordt als voorwaarde voor verlenging het verschaffen van de volgende gegevens te stellen:

• levering van de uitgevoerde 18 maanden studie met de muis;

• levering van een teratogeniteitsstudie met de rat;

• levering van gegevens betreffende de biologische beschikbaarheid via de dermale route.

De dermale route is de belangrijkste blootstellingsroute. Het is gewenst van werkzame stoffen in bestrijdingsmiddelen de biologische beschikbaarheid via deze route te kennen, ook als de kans klein is dat er via deze route gezondheidsproblemen kunnen ontstaan bij gebruik van het desbetreffende bestrijdingsmiddel. Bovendien is in de onderhavige risico-evaluatie een dermale penetratie van 10% aangenomen, uitsluitend o.b.v. molecuulgewicht.

Etikettering

Het middel betreft een granulaat (dry flowable) o.b.v. 50% werkzame stof. Het middel wordt met water verdund en in combinatie met andere bestrijdingsmiddelen gebruikt als onkruidbestrijdingsmiddel in de teelt van suikerbieten en voederbieten.

Bij het etiketteringsvoorstel is gebruik gemaakt van toxicologische gegevens van de formulering SAFARI en van de werkzame stof triflusulfuron-methyl.

Bij het opstellen van het etiketteringsadvies wordt waar nodig gebruik gemaakt van de rekenregels van de Algemene Preparaten Richtlijn (APR).

Etiketteringsvoorstel:

Symbool: -

R-zinnen: -

S-zinnen: 2, 13, 20/21

Risico volksgezondheid

residuanalysemethode

Er zijn door de aanvrager twee rapporten geleverd met beschrijvingen van residuanalysemethoden.

Het eerste rapport betreft een HPLC-methode voor uitsluitend de moederstof en is voldoende gedocumenteerd. De geleverde prestatiekenmerken, alsmede de bruikbaarheid voor handhaving zijn voldoende. Op grond van dit rapport wordt als ondergrens voorgesteld:

triflusulfuron-methyl, als triflusulfuron-methyl, voor alle eet- en drinkwaren 0,02 mg/kg. Deze waarde is in lijn met de eerder voor andere sulfonylurea herbiciden vastgestelde ondergrenzen.

De tweede methode betreft een GC/MS methode voor een drietal metabolieten met een triazinering. Vooralsnog geven de resultaten van de metabolisme studie in de plant, alsmede het toxicologisch profiel van de stof geen aanleiding tot het opnemen van deze drie metabolieten in de residudefinitie.

residugegevens

De residugegevens voor deze aanvraag zijn door het RIVM samengevat en geëvalueerd (adviesrapport 4155).

Uit de plantmetabolisme gegevens in suikerbieten bleek dat het residu triflusulfuron-methyl na 14 dagen < 0.01 mg/kg was. Op verschillende tijdstippen na de behandeling werden metabolieten aangetroffen, in afnemende concentraties naarmate de periode na behandeling langer was. Tijdens de oogst was de concentratie van metabolieten < 0.01 mg/kg.

De residudefinitie luidt: triflusulfuron-methyl, geen metabolieten, uitgedrukt als triflusulfuron-methyl (opgemerkt wordt dat wanneer er een uitbreiding in produkten wordt aangevraagd waarin reële residuen verwacht worden, het mogelijk is dat de residudefinitie gewijzigd moet worden).

Het metabolisme voor deze stof in landbouwhuisdieren (geit) is vergelijkbaar met het metabolisme in de rat en in de plant (suikerbiet).

In de 5 ingediende residuproeven uitgevoerd in Frankrijk (1991) werden geen residuen in de knol en het loof aangetroffen (<0.005 mg/kg triflusulfuron-methyl).

Voorstel detectie limiet: 0.02 mg/kg.

Volksgezondheid

De stof is matig giftig na acuut orale opname. Uit kort- en langdurend onderzoek kwam naar voren dat de stof effecten op de lever en rodebloedcel parameters veroorzaakt. De stof is niet teratogeen en heeft geen effecten op de reproduktie. In chronisch carcinogeniteits- onderzoek werden benigne tumoren in de testes van de rat gevonden bij de hoogste dosering (65 mg/kg lg). Triflusulfuron-methyl is genotoxisch in vitro.

Er kon geen overall NOAEL worden vastgesteld, vanwege de onzekerheid over het al dan niet genotoxische en tumorinducerende karakter van de stof in vivo.

Hierdoor kon ook geen ADI worden vastgesteld.

De consument zou in theorie blootgesteld kunnen worden aan triflusulfuron-methyl residuen, tijdens het eten van produkten gemaakt van behandelde suikerbieten, of tijdens het eten/drinken van produkten afkomstig van landbouwhuisdieren, gevoederd met behandeld loof/bieten. Uit de residugegevens blijkt echter dat er geen residuen (moederstof of metabolieten) in het loof of de biet werden gevonden na behandeling met SAFARI volgens het WG, waardoor de consument in de praktijk niet zal worden blootgesteld aan

residuen van triflusulfuron-methyl.

Voorstel residutolerantie

Residutolerantie triflusulfuron-methyl, geen metabolieten, uitgedrukt als triflusulfuron-methyl:

-alle: 0.02* mg/kg

Milieuaspecten

De milieuevaluatie van de stof triflusulfuron-methyl is door het RIVM opgesteld (rapport nr. 3864).

De aanvraag tot toelating is volledig verklaard vóór 31 januari 1995. Derhalve dient het oude stelsel van criteria toegepast te worden en dient het risico voor organismen in het milieu te worden ingeschat.

Waterorganismen

Gedrag in water

In twee minder betrouwbare water/sediment systemen werden voor triflusulfuron-methyl DT50-waarden gevonden van 30 en 18 dagen voor de waterfase en 38 en 20 dagen voor het gehele systeem (gemiddelde van 29 dagen, standaardafwijking 12,7). Bij de omzetting van triflusulfuron-methyl werden de metabolieten methyl saccharin (max. 38,4% na 100 dagen in de waterfase en 11,2% na 100 dagen in het sediment), triazine amine (max. 42% na 61 dagen voor het gehele systeem), het vrije zuur van triflusulfuron-methyl (19,7% na 61 dagen in het sediment en 25,7% na 61 dagen in de waterfase) en N-desmethyl triazine amine (14,8% na 100 dagen in het gehele systeem) gevonden.

Triflusulfuron-methyl is afhankelijk van de pH goed tot slecht hydrolyserend. Voor de hydrolyse van triflusulfuron-methyl bij 25 ºC en een pH van 5, 7 en 9 zijn DT50-waarden gevonden van resp. 3, 31 en 36 dagen. De metabolieten methyl saccharin (max. 27,7% na 15 dagen) en triazine amine (max. 28,8% na 15 dagen) werden gevonden.

Voor de fotodegradatie van triflusulfuron-methyl bij kunstmatig zonlicht werden DT50-waarden gevonden van 14 dagen bij 25 ºC en pH 7.

Toxiciteit voor waterorganismen

• algen: zeer giftig: 72-uurs EbC50 = 0,5 mg/l en 72-uurs NOEbC = 0,13 mg/l (1 soort).

• kreeftachtigen: acuut en chronisch zeer weinig giftig: 48-uurs EC50 = 460 mg/l en 21-dagen NOEC = 11 mg/l (1 soort). Een formulering met 50% a.s. is chronisch zeer weinig giftig voor kreeftachtigen: 21-dagen NOEC = 32 mg/l (= 16 mg a.s./l).

• vissen: acuut zeer weinig giftig: 96-uurs LC50 = 730, 760 en > 880 mg/l (3 soorten).

Risicoschatting voor waterorganismen

Het risico voor waterorganismen bij diverse toepassingen van triflusulfuron-methyl wordt ingeschat met behulp van berekeningen van de concentraties in het oppervlaktewater (sloot van 25 cm diepte) die ontstaan door overwaaien van triflusulfuron-methyl. Het overwaaipercentage is afhankelijk van de toepassing. In onderstaande tabel is voor triflusulfuron-methyl per toepassingsgebied het overwaaipercentage en de berekende concentratie in het oppervlaktewater aangegeven na drie toepassingen. Tevens is in de tabel aangegeven of er en zo ja, in welke mate, overschrijding plaatsvindt van de norm voor waterorganismen. Deze norm is 0,1 x de laagste L(E)C50-waarde. Uit bovenstaande toxiciteitsgegevens blijkt dat de 72-uurs EbC50-waarde van 0,5 mg/l voor algen de laagste L(E)C50-waarde is. De norm is derhalve 0,05 mg/l (= 50 µg/l).

toepassing

dosering (kg a.s./ha)

emissie (%)

conc. opp.water (µg/l)*

overschrijding norm

suikerbieten

0,016

1

0,105

0,002

* berekend volgens Slootbox

Op grond van de bovenstaande gegevens worden de volgende risico's verwacht:

- algen: risico gering;

- kreeftachtigen: risico gering;

- vissen: risico gering.

Wanneer de concentraties in het oppervlaktewater vermeld in bovenstaande tabel in ogenschouw worden genomen blijkt dat de toepassingen in suikerbieten de norm van 50 µg/l niet overschrijdt.

Combinatietoxiciteit

Triflusulfuron-methyl kan gebruikt worden in combinatie met andere herbiciden in een tankmix. Het betreft de herbiciden fenmedifam, chloridazon, lenacil en metamitron. In onderstaande tabel zijn de laagste L(E)C50-waarden van deze stoffen voor de verschillende waterorganismen vermeld. Deze waarden zijn afkomstig uit de milieuevaluaties van de betreffende herbiciden.

metamitron

lenacil

chloridazon

fenmedifam

algen

(EC50)

0,2

0,014

1,9

1,4

kreeftachtigen (48-uurs EC50)

100

33

0,18

6,5

vissen

(96-uurs LC50)

440

100

34,0

3,7

Alle waarden zijn uitgedrukt in mg/l.

Voor de omzetting in water/sediment systemen (gehele systeem) gelden de volgende waarden:

• metamitron: 21 dagen;

• lenacil: geen waarde beschikbaar; voor hydrolyse geldt 296 dagen;

• chloridazon: > 56 dagen;

• fenmedifam: 70 dagen.

Risicoschatting voor waterorganismen van de tankmixen

Bij berekening van de combinatietoxiciteit wordt er vanuit gegaan dat de effekten van de stof additief zijn. De volgende formule kan worden gehanteerd:

1

----------------------------------------

P1 P2 Pn

------- + -------- + --------

TOX1 TOX2 TOXn

P = fractie van stof in bestrijdingsmiddel

TOX = toxicologisch eindpunt LD50, LC50 of NOEC

De combinatietixiciteit voor algen, kreeftachtigen en vissen voor de verschillende tankmixen staat vermeld in onderstaande tabel.

tankmix (triflu-sulfuron-methyl +

toep. freq.

dosering (kg a.s./ha)

EC50 algen (mg/l)

EC50 Daphnia (mg/l)

LC50 vissen (mg/l)

fenmedifam

3

0,12

1,12

7,54

4,31

metamitron

3

0,35

0,21

103,63

448,43

chloridazon

3

0,33

1,70

0,19

35,49

lenacil

3

0,16

0,015

35,59

107,30

Het risico voor waterorganismen bij de toepassingen van de verschillende tankmixen in suikerbieten wordt ingeschat met behulp van berekeningen van de concentraties in het oppervlaktewater (sloot van 25 cm diepte) die ontstaan door overwaaien van de werkzame stoffen in elke tankmix . Het overwaaipercentage is afhankelijk van de toepassing. In onderstaande tabel is voor de combinatie van beide werkzame stoffen zoals zij voorkomen in de verschillende tankmixen het overwaaipercentage en de berekende concentratie in het oppervlaktewater aangegeven voor de toepassing in suikerbieten. Tevens is in de tabel per tankmix aangegeven of er en zo ja, in welke mate, overschrijding plaatsvindt van de norm voor waterorganismen. Deze norm is 0,1 x de laagste L(E)C50-waarde. Uit bovenstaande toxiciteitsgegevens kunnen de normen voor waterorganismen voor de verschillende tankmixen worden bepaald:

• triflusulfuron-methyl + fenmedifam: norm is 0,1 x EC50-waarde voor algen = 0,112 mg/l (= 112 µg/l);

• triflusulfuron-methyl + metamitron: norm is 0,1 x EC50-waarde voor algen = 0,021 mg/l (= 21 µg/l);

• triflusulfuron-methyl + chloridazon: norm is 0,1 x EC50-waarde voor kreeftachtigen = 0,019 mg/l (= 19 µg/l);

• triflusulfuron-methyl + lenacil: norm is 0,1 x EC50-waarde voor algen = 0,0015mg/l (= 1,5 µg/l).

tankmix (triflu-sulfuron-methyl +

emissie (%)

concentratie opp. water (µg/l)

overschrijdingsfaktor norm

fenmedifam

2

0,742

0,007

metamitron

2

2,33

0,11

chloridazon

2

2,49

0,13

lenacil

2

1,333

0,89

Wanneer de concentraties in het oppervlaktewater vermeld in bovenstaande tabel in ogenschouw worden genomen dan blijkt dat de toepassing van de verschillende tankmixen in suikerbieten de normen voor waterorganismen niet overschrijdt.

Vogels

Triflusulfuron-methyl is acuut oraal weinig giftig voor vogels: LD50 > 2250 mg/kg lich. gew. In een 8-daagse dieetstudie werd een LC50 van > 5620 mg/kg voer gevonden (2 soorten). In een 8-daagse dieetstudie met een formulering (50% a.s.) werd een LC50 van > 5620 mg/kg voer gevonden (2 soorten).

Op grond van bovenstaande gegevens wordt een gering risico voor vogels verwacht bij gebruik van triflusulfuron-methyl alleen. Bij gebruik van triflusulfuron-methyl met andere herbiciden in een tankmix worden eveneens geen grote risico’s voor vogels verwacht omdat deze herbiciden acuut oraal weinig giftig zijn voor vogels zoals blijkt uit de volgende gegevens:

• metamitron: LD50 > 1000 mg/kg lich. gew.;

• lenacil: LD50 > 5620 mg/kg lich. gew.; LC50 dieet = 2300 mg/kg voer;

• chloridazon: LD50 > 2000 mg/kg lich. gew.; LC50 dieet = 4260 mg/kg voer;

• fenmedifam: LD50 = 2100 mg/kg lich. gew. LC50 dieet > 10000 mg/kg voer.

Regenwormen

Triflusulfuron-methyl is zeer weinig giftig voor regenwormen: 14-dagen LC50 > 1000 mg/kg grond (1 soort). Derhalve is een gering risico te verwachten voor regenwormen bij gebruik van triflusulfuron-methyl alleen. Bij gebruik van triflusulfuron-methyl met andere herbiciden in een tankmix worden eveneens geen grote risico’s voor regenwormen verwacht omdat deze herbiciden acuut oraal zeer weinig giftig zijn voor regenwormen zoals blijkt uit de volgende gegevens:

• metamitron: LC50 = 1000 mg/kg droge grond;

• lenacil: LC50 = 8400 mg/kg droge grond;

• chloridazon: geen LC50-waarde beschikbaar. In potten waarbij regenwormen werden blootgesteld aan 2 maal de normale dosis werd na 6 maanden geen verschil gevonden tussen de controle en de behandelde potten (minder goed beschreven studie).;

• fenmedifam: LC50 = 15000 mg/kg droge grond.

Bijen

Triflusulfuron-methyl is zeer weinig giftig voor bijen: orale LD50 > 800 µg/bij (1 soort). Gezien de verhouding tussen dosering en toxiciteit is er een gering risico voor bijen te verwachten bij gebruik van triflusulfuron-methyl alleen. Voor de tankmixen gelden de volgende combinatietoxiciteitswaarden voor bijen (berekend en uitgaande van additiviteit:

• + fenmedifam: LD50 oraal = 11,34 µg/bij

• + metamitron: LD50 oraal = onbekend (geen bijentox gegevens bekend van metamitron);

• + chloridazon: LD50 oraal = 41,74 µg/bij;

• + lenacil: LD50 oraal = 172,56 µg/bij

De verhouding dosering (g a.i./ha) en toxiciteit (µg/bij) is in alle gevallen lager dan 50 en derhalve is er een gering risico voor bijen.

Bodemmicroörganismen

Bij toepassing van triflusulfuron-methyl in normale en 10-voudige doseringen werd na 29 dagen bij 25 ºC geen significant effect op de bodemademhaling en de nitrificatie (en ammonificatie) waargenomen. Derhalve is er een gering risico voor bodemmicroörganismen te verwachten.

Daar ook de overige herbiciden die in de tankmixen worden gebruikt weinig of geen effecten vertonen op bodemmicroörganismen (voor zover bekend) is eveneens een gering risico in het geval van de tankmixen te verwachten.

Conclusie milieuhygiëne

De normen voor waterorganismen en overige organismen in het milieu worden niet overschreden bij gebruik van triflusulfuron-methyl volgens de gebruiksaanwijzing. Dit geldt eveneens voor de combinatie van triflusulfuron-methyl met andere herbiciden in tankmixen.

De volgende gegevens ontbreken en dienen bij een eventuele toelating als voorwaarde voor verlenging te worden gesteld:

• pKa van de volgende metabolieten:
- methyl saccharine
- triazine amine
- N-desmethyl triazine amine
- N,N-bis-desmethyl triazine amine

• een verklaring voor de relatie van de wateroplosbaarheid en de pH enerzijds en de pKa-waarde van 4,4 anderzijds voor de werkzame stof triflusulfuron-methyl.

• omzettingssnelheid van de metaboliet methyl saccharin in tenminste 2 grondsoorten volgens G.1.1 van het aanvraagformulier;

• schudproef of een kolomproef met de metaboliet methyl saccharin met tenminste 2 grondsoorten ter bepaling van de Ks/l volgens G.1.2 van het aanvraagformulier. Indien de pKa-waarde van de werkzame stof ligt tussen 2 en 6 dienen sorptiegegevens geleverd te worden in tenminste 3 grondsoorten met pH 7 - 8.

• omzettingssnelheid van de metaboliet triazine amine in tenminste 2 grondsoorten volgens G.1.1 van het aanvraagformulier;

• schudproef of een kolomproef met de metaboliet triazine amine met tenminste 3 grondsoorten ter bepaling van de Ks/l volgens G.1.2 van het aanvraagformulier. Indien de pKa-waarde van de werkzame stof ligt tussen 2 en 6 dienen sorptiegegevens geleverd te worden in tenminste 3 grondsoorten met pH 7 - 8.

• omzettingssnelheid van de metaboliet N-desmethyl triazine amine in tenminste 3 grondsoorten volgens G.1.1 van het aanvraagformulier;

• schudproef of een kolomproef met de metaboliet N-desmethyl triazine amine met tenminste 3 grondsoorten ter bepaling van de Ks/l volgens G.1.2 van het aanvraagformulier. Indien de pKa-waarde van de werkzame stof ligt tussen 2 en 6 dienen sorptiegegevens geleverd te worden in tenminste 3 grondsoorten met pH 7 - 8.

• omzettingssnelheid van de metaboliet N,N-bis-desmethyl triazine amine in tenminste 3 grondsoorten volgens G.1.1 van het aanvraagformulier;

• schudproef of een kolomproef met de metaboliet N,N-bis-desmethyl triazine amine met tenminste 3 grondsoorten ter bepaling van de Ks/l volgens G.1.2 van het aanvraagformulier. Indien de pKa-waarde van de werkzame stof ligt tussen 2 en 6 dienen sorptiegegevens geleverd te worden in tenminste 3 grondsoorten met pH 7 - 8.

Besluit:

Het College besluit tot toelating van het middel SAFARI met een toepassing als onkruidbestrijdingsmiddel in de teelt van suikerbieten en voederbieten.

Als expiratiedatum voor het middel SAFARI wordt vastgesteld: 1 augustus 2001 (= einddatum triflusulfuron).

Residutolerantie triflusulfuron-methyl, geen metabolieten, uitgedrukt als triflusulfuron-methyl:

alle: 0,02* mg/kg.

Etikettering:

Symbool: -

R-zinnen: -

S-zinnen: 2, 13, 20/21

Als voorwaarde voor verlenging -na 1 augustus 2001- geldt het verschaffen van de volgende gegevens:

fysisch-chemische gegevens

• uitgebreide onderzoeksrapporten van een groot aantal fysisch-chemische eigenschappen.

• spectra en onzuiverheidsprofielen van een aantal batches van het technisch produkt.

• gegevens inzake de vetoplosbaarheid.

• gegevens over de nauwkeurigheid van de analytische methode (van triflusulfuron-methyl), de precisie, de afwezigheid van storingen en de lineariteit.

• gegevens over de technische eigenschappen van het middel t.a.v. bevochtigbaarheid, zweefvermogen, droge en natte zeef testen, nominale korrelverdeling, stofgehalte en het attritiegedrag, stroomgedrag.

• de resultaten van de proeven over de houdbaarheid, bij voorkeur over een periode van 24 maanden.

toxicologische gegevens

• levering van de uitgevoerde 18 maanden studie met de muis.

• teratogeniteit van de werkzame stof (triflusulfuron-methyl) uitgevoerd met de rat volgens E.9 van het aanvraagformulier (OECD-richtlijn 414).

• gegevens betreffende de biologische beschikbaarheid via de dermale route.

milieugegevens

• pKa van de volgende metabolieten:
- methyl saccharine
- triazine amine
- N-desmethyl triazine amine
- N,N-bis-desmethyl triazine amine

• een verklaring voor de relatie van de wateroplosbaarheid en de pH enerzijds en de pKa-waarde van 4,4 anderzijds voor de werkzame stof triflusulfuron-methyl.

• omzettingssnelheid van de metaboliet methyl saccharin in tenminste 2 grondsoorten volgens G.1.1 van het aanvraagformulier;

• schudproef of een kolomproef met de metaboliet methyl saccharin met tenminste 2 grondsoorten ter bepaling van de Ks/l volgens G.1.2 van het aanvraagformulier. Indien de pKa-waarde van de werkzame stof ligt tussen 2 en 6 dienen sorptiegegevens geleverd te worden in tenminste 3 grondsoorten met pH 7 - 8.

• omzettingssnelheid van de metaboliet triazine amine in tenminste 2 grondsoorten volgens G.1.1 van het aanvraagformulier;

• schudproef of een kolomproef met de metaboliet triazine amine met tenminste 3 grondsoorten ter bepaling van de Ks/l volgens G.1.2 van het aanvraagformulier. Indien de pKa-waarde van de werkzame stof ligt tussen 2 en 6 dienen sorptiegegevens geleverd te worden in tenminste 3 grondsoorten met pH 7 - 8.

• omzettingssnelheid van de metaboliet N-desmethyl triazine amine in tenminste 3 grondsoorten volgens G.1.1 van het aanvraagformulier;

• schudproef of een kolomproef met de metaboliet N-desmethyl triazine amine met tenminste 3 grondsoorten ter bepaling van de Ks/l volgens G.1.2 van het aanvraagformulier. Indien de pKa-waarde van de werkzame stof ligt tussen 2 en 6 dienen sorptiegegevens geleverd te worden in tenminste 3 grondsoorten met pH 7 - 8.

• omzettingssnelheid van de metaboliet N,N-bis-desmethyl triazine amine in tenminste 3 grondsoorten volgens G.1.1 van het aanvraagformulier;

• schudproef of een kolomproef met de metaboliet N,N-bis-desmethyl triazine amine met tenminste 3 grondsoorten ter bepaling van de Ks/l volgens G.1.2 van het aanvraagformulier. Indien de pKa-waarde van de werkzame stof ligt tussen 2 en 6 dienen sorptiegegevens geleverd te worden in tenminste 3 grondsoorten met pH 7 - 8.

Met het oog op de bestudering van de rapporten is het noodzakelijk de bovengenoemde gegevens uiterlijk 14 maanden voor de expiratiedatum -bij een alsdan in te dienen aanvraag tot verlenging- te ontvangen. U dient de betreffende gegevens in één zending aan het College aan te bieden. Voor wat betreft de wijze en tijdstip van indienen van de gevraagde gegevens en de eisen die aan deze gegevens gesteld worden, wordt verwezen naar de algemene instructie voor het indienen van aanvragen tot toelating van bestrijdingsmiddelen.

Wageningen, 4 oktober 1996

DE MINISTER VAN LANDBOUW,
NATUURBEHEER EN VISSERIJ,
voor deze:
HET COLLEGE VOOR DE TOELATING VAN BESTRIJDINGSMIDDELEN,


(voorzitter)