Toelatingsnummer 11754 N

     

 

SAFARI  

 

11754 N

 

 

 

 

 

 

Het College voor de Toelating

van Bestrijdingsmiddelen,

 

 

gelet op artikel 5 van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 (Stb. 288),

 

BESLUIT

 

Enig artikel

 

Het besluit tot toelating van het middel SAFARI onder nr. 11754 N d.d. 4 oktober 1996, wordt op gronden van bijlage II dezes vermeld, met ingang van heden als volgt gewijzigd:

 

Aan het gestelde onder § IV.2. wordt toegevoegd: “e. bij het toelatingsnummer een cirkel met daarin de aanduiding “W.1.” “

 

De bijlage 1 bij bovengenoemd besluit wordt vervangen door bijlage 1 dezes.

 

Dit besluit is een rectificatie van het besluit van 10 december 2004. Het besluit van

10 december 2004 komt te vervallen. Het volgende is gerectificeerd:

De code-aanduiding wordt gewijzigd van W.2 naar W.1.

 

Degene wiens belang rechtstreeks bij dit besluit is betrokken kan gelet op artikel 8 van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 en artikel 7:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, binnen zes weken na de dag waarop dit besluit bekend is gemaakt een bezwaarschrift indienen bij het bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen. Een dergelijk bezwaarschrift dient te worden geadresseerd aan: Het College voor de Toelating van Bestrijdingsmiddelen, Postbus 217, 6700 AE WAGENINGEN.

 

 

Wageningen, 28 januari 2005

 

HET COLLEGE VOOR DE TOELATING VAN BESTRIJDINGSMIDDELEN,



 (voorzitter)

 

Aan:

Dupont de Nemours (Nederland) B.V.
CPP St. 18
M

Baanhoekweg 22
3313 LA  DORDRECHT

 


 


HET COLLEGE VOOR DE TOELATING VAN BESTRIJDINGSMIDDELEN

 

BIJLAGE I bij het rectificatiebesluit van de toelating voor het middel SAFARI,

toelatingsnummer 11754 N

 

 

A.

WETTELIJK GEBRUIKSVOORSCHRIFT

 

Toegestaan is uitsluitend het gebruik als onkruidbestrijdingsmiddel

 

 

B.

GEBRUIKSAANWIJZING

 

Algemeen

Safari is een systemisch bladherbicide ter bestrijding van tweezaadlobbige onkruiden; het werkt voornamelijk tegen onkruiden uit de groep van de composieten en de kruisbloemigen. De groei van de onkruiden wordt snel gestopt, maar de snelheid van afsterven is afhankelijk van de soort, leeftijd en groeiomstandigheden en kan enkele weken duren. De soorten vogelmuur, varkensgras, melganzevoet en zwaluwtong zijn minder gevoelig.

 

Het middel niet toepassen als het gewas beschadigd is door bijvoorbeeld bladluizen of hagel.

Het middel bij voorkeur spuiten bij groeizaam weer. Niet toepassen wanneer grote schommelingen tussen dag- en nachttemperatuur (bijvoorbeeld nachtvorst) worden verwacht. Niet spuiten bij temperaturen hoger dan 25ºC of als binnen 4 uur regen wordt verwacht.

 

Hoeveelheid spuitvloeistof: 150-400 liter/ha.

 

       Opmerkingen:

 

De toepassing van SAFARI in de juiste periode heeft geen invloed op een volggewas in een normale rotatie. Desalniettemin wordt, bij gebrek aan informatie, het afgeraden bloemen, sierplanten, heesters of boomkwekerijgewassen te planten binnen een periode van

12 maanden na toepassing van Safari.

 

Onder stresscondities kunnen enkele dagen na toepassing gele vlekjes op het blad verschijnen welke echter weer snel verdwijnen.

 

Attentie:

 

·        Voorkom overwaaien van de spuitvloeistof naar gevoelige gewassen.

·         Direct na de behandeling dient de apparatuur uiterst zorgvuldig te worden schoongemaakt met huishoudammonia of een ander geschikt middel, daar een residu van het middel aan veel gewassen grote schade kan doen.

·         In geval van akkerdistel Safari niet mengen met middelen op basis van clopyralid. Er dient een interval van minimaal 10 dagen in acht te worden genomen.


·         Grassenbehandeling, insectenbestrijding en meststoffen: Het heeft de voorkeur een behandeling ter bestrijding van grassen in een aparte behandeling uit te voeren, evenals de behandeling met insecticiden. Boriummeststoffen kunnen toegevoegd worden tot een maximum van 1,0 kg/ha.

·         Uit oogpunt van resistentiemanagement wordt het langdurig en eenzijdig gebruik van het middel afgeraden. Wissel zo nodig de behandelingen af met een middel met een ander werkingsmechanisme. Raadpleeg hiervoor de adviezen van de HRAC (Herbicide Resistance Action Committee).

 

TOEPASSINGEN

 

Suikerbieten en voederbieten, ter bestrijding van onkruiden in combinatie met het lage doseringssysteem.

Spuiten op zeer jonge onkruiden, kiemblad- tot 2 echte bladstadium. Om een goede werking te verkrijgen dient het middel minimaal tweemaal te worden toegepast.

Dosering: 30 gram/ha SAFARI toevoegen aan de standaardmiddelen van het lage doseringssysteem.

 

N.B.  Onder stresscondities kunnen enkele dagen na toepassing gele vlekjes op het blad verschijnen welke echter weer snel verdwijnen.

 

Pennenteelt en zaadteelt van witlof en cichorei, steeds toepassen op zeer jonge onkruiden, kiemblad- tot 2 bladstadium.

Om een goede werking te verkrijgen dient het middel herhaaldelijk te worden toegepast op zeer jonge onkruiden (bij voorkeur in het kiemlobstadium). De eerste behandeling niet eerder uitvoeren dan wanneer 70% van de planten opgekomen is. Vervolgbespuitingen uitvoeren bij nieuwe opkomst van onkruiden.

Na behandeling kan 1-2 weken groeivertraging optreden. In proeven heeft dit nooit tot duidelijke invloed gehad op de opbrengst of kwaliteit van het gewas. Vervolgbespuitingen dienen bij voorkeur te worden uitgesteld wanneer het gewas nog een reactie laat zien van de eerdere bespuiting(en).

Overlap voorkomen, omdat dit bij ongunstige omstandigheden opbrengstderving kan veroorzaken.

Om het werkingsspectrum te verbreden kan Safari worden gemengd met andere in de teelt toegelaten herbiciden.

Dosering:  Maximaal 30 gram middel per toepassing, in totaal mag maximaal 60 gram middel per ha per teelt of teeltseizoen worden toegepast.

 

N.B.  Het middel kan chlorose en een (tijdelijke) groeiremming veroorzaken. Deze verschijnselen zijn vooral te verwachten als te vroeg in het ontwikkelingsstadium van het gewas wordt gespoten (voordat het merendeel van de planten 1 echt blad heeft gevormd) en bij koude en natte weersomstandigheden ten tijde van de behandelingen en daarna.

 

 

Gewasmislukking

 

In geval van mislukking van het gewas, kunnen alleen bieten, zomergerst en olievlas worden geteeld. Indien een kerende grondbewerking wordt uitgevoerd kan ook maïs worden geteeld.

 


Gereedmaken spuitvloeistof

 

Eerst de tank voor de helft vullen met water, vervolgens onder voortdurend roeren het middel toevoegen en de tank verder met water vullen. Ook tijdens het spuiten dient de spuitvloeistof in beweging te worden gehouden.

 

 

 

Wageningen, 28 januari 2005

 

 

HET COLLEGE VOOR DE TOELATING VAN BESTRIJDINGSMIDDELEN,





(voorzitter)

 



HET COLLEGE VOOR DE TOELATING VAN BESTRIJDINGSMIDDELEN

 

BIJLAGE II bij het rectificatiebesluit van de toelating voor het middel SAFARI,

toelatingsnummer 11754 N

 

 

Het betreft een aanvraag tot vereenvoudigde uitbreiding van het middel SAFARI,

20000320 VUG, een middel op basis van de werkzame stof triflusulfuron-methyl.
De uitbreiding betreft de toepassing als onkruidbestrijdingsmiddel in pennen- en zaadteelt van witlof en cichorei.

 

Het middel is reeds toegelaten in de teelt van suikerbieten en voederbieten.

 

Triflusulfuron-methyl is een oude stof voor de EU. De stof staat op de derde lijst (3A) voor de Europese beoordeling.

 

De einddatum van de werkzame stof triflusulfuron-methyl is 1 december 2007.

 

 

Stand van zaken met betrekking tot de aanvraag

 

De aanvraag is op 8 mei 2000 ontvangen. De aanvraag is op 12 juni 2002 niet in behandeling genomen vanwege het ontbreken van gegevens voor de aspecten werkzaamheid en humane toxicologie. Op 6 september 2002 zijn ontbrekende gegevens ontvangen, en is verzocht de aanvraag op te schorten tot deze kan worden omgezet in een vereenvoudigde uitbreidingsaanvraag – nadat de wetgeving hiervoor van kracht is geworden.

Op 26 januari 2004 is de aanvraag omgezet in een vereenvoudigde uitbreidingsaanvraag door de aanvrager. De aanvraag is op 29 april 2004 in behandeling genomen.

 

Voor de aspecten fysisch chemische eigenschappen, toxicologie (risico toepasser en risico volksgezondheid) en milieutoxicologie wordt de vereenvoudigde uitbreidingsprocedure aangevraagd.

De 34-weken termijn eindigt op 28 januari 2005.



Toepassingsoverzicht

 

In de onderstaande tabel is een overzicht gegeven van de toepassingen die bij deze aanvraag worden beoordeeld.

 

Tabel 1 Toepassingoverzicht

Teelt

Maximale dosis per toepassing

[kg werkzame stof/hectare]*)

Freq.

Toepassings-

interval

[d]

Tijdstip van toepassing

Pennenteelt en zaadteelt van  witlof en cichorei

 

0,03

4

7-14

april t/m juni

*) maximale totale hoeveelheid werkzame stof per hectare per teeltseizoen: 0,06 kg/hectare.

 

 


Profiel fysische en chemische eigenschappen

 

De gewassen suiker- en voederbieten, witlof en cichorei vallen alle drie onder dezelfde gewasgroep (waterig) waardoor extrapolatie mogelijk is voor de gevalideerde analysemethode van een betreffende stof in deze groep van gewassen.

 

In het kader van de vereenvoudigde beoordelingwijze worden alleen de relevante residuanalysemethoden beoordeeld.

 

Residuanalysemethoden

 

Food/feed of plant origin (principle of method and LOQ for methods for monitoring purposes)

ACN/buffer extraction, SPE cleanup followed by HPLC-column switching-UV; LOQ = 0,02 mg/kg (Chicory, sugarbeets)

 

De residuanalysemethoden voor lucht, grond en water zijn al in de oorspronkelijke toelating beoordeeld en geaccepteerd. De uitbreiding geeft geen aanleiding deze residuanalysemethoden opnieuw te beoordelen.

 

Vanuit de toepassing (Wettelijk Gebruiksvoorschrift en Gebruiksaanwijzing) dient voor de volgende typen gewassen een residumethode te worden geleverd: waterig. De waterige matrices zijn gevalideerd en voldoen aan de eisen (RSD<20%, recovery 70-110%). Een multi-residu methode was niet mogelijk omdat de stof thermolabiel is en daarom niet met gaschromatografie kan worden bepaald.

 

De wettelijk vastgestelde residudefinitie is alleen triflusulfuron-methyl zelf, met een MRL vastgesteld op de bepalingsgrens van 0,02 mg/kg.

 

De residu-analysemethoden voldoen om de MRL’s gedefinieerd voor groente en fruit te kunnen controleren.

 

Conclusie

 

De geleverde analysemethode voldoet aan de vereisten. De residu-analysemethode is specifiek en gevoelig genoeg om te kunnen worden gebruikt voor het controleren van de aangevraagde gewassen op het maximaal toegestane gehalte.

 

 

Profiel werkzaamheid

 

De samenvatting en evaluatie is opgesteld door Linge Agroconsultancy B.V. Daar waar relevant zijn delen uit deze samenvatting en evaluatie overgenomen in de eindbeoordeling.

Claim

 

SAFARI wordt geclaimd ter bestrijding van tweezaadlobbige onkruiden in de teelt van witlof en cichorei na opkomst van het gewas. De geclaimde dosering is 30 gram middel per hectare. De bespuitingen dienen op zeer jonge onkruiden te worden toegepast (kiemlob tot twee echte bladeren). Om een goed resultaat te behalen dienen twee achtereenvolgende bespuitingen te worden uitgevoerd. De 1e bespuiting dient echter niet te worden uitgevoerd voordat 70 % van de planten één echt blad heeft.

Het verdient aanbeveling SAFARI in te zetten in een programma met een vooropkomst behandeling.

 

Karakterisering van het middel

 

SAFARI is een systemisch herbicide voor de bestrijding van tweezaadlobbige onkruiden.
Het moet worden toegepast op reeds opgekomen onkruiden (bladherbicide). Het behoort tot de groep van de ALS (acetolactaat synthese) remmers. Acetolactaatsynthase is een enzym dat een rol speelt bij de aminozuursynthese. Na toepassing stopt de celdeling en de groei van de onkruiden. De groei van de onkruiden wordt snel gestopt maar de snelheid van afsterven is afhankelijk van soort, leeftijd en groeiomstandigheden en kan enkele weken duren.

SAFARI is in Nederland toegelaten in de teelt van suiker- en voederbieten.

Aantaster/teelt

 

Het areaal cichorei in Nederland was in het jaar 2000 ongeveer 5.000 hectare. De teelt vindt voornamelijk plaats in het zuidwesten en het zuidoosten van het land (bron: Sensus).

Het areaal witlofwortels was in het jaar 2001 circa 3.800 hectare (bron CBS). Belangrijke teeltgebieden van witlofwortels zijn de Zuid-Hollandse en Zeeuwse eilanden, West-Brabant, Noord-Holland (Wieringermeer) en Flevoland (Noordoostpolder).

Cichorei en witlof worden vlakvelds of op ruggen geteeld; bij vlakveldsteelt is de afstand tussen de rijen 50 cm.

Bij de teelt op ruggen is de afstand tussen de ruggen 50 cm bij één rij per rug of 75 cm bij twee rijen per rug.

Bij cichorei ligt de opkomst  tussen de 50 en 85 % van het gezaaide zaad. De optimale plantdichtheid is 150.000 planten per hectare.

Bij witlof ligt de opkomst tussen 40 en 80 % van het gezaaide zaad. De optimale plantdichtheid is 170.000 of 220.000 planten per hectare, afhankelijk van het teeltsysteem.

Cichorei wordt begin april gezaaid. Om een zo gelijkmatig mogelijke stand te verkrijgen wordt indien nodig gedund. Begin oktober worden de wortels geoogst.

Cichorei wordt geteeld voor de winning van inuline en fructosestropen, bestemd voor de voedingsmiddelenindustrie en de chemische industrie. Het restproduct wordt verwerkt tot veevoer.

De meeste witlof wordt tussen 5 en 25 mei gezaaid, witlof voor de vroege trek wordt tussen 20 en 30 april gezaaid. Om een zo gelijkmatig mogelijke stand te krijgen wordt indien nodig gedund. De rooiperiode loopt van eind juli tot uiterlijk half november.

De geforceerde trek vindt tegenwoordig hoofdzakelijk plaats in trekbakken met stromend water. De lofopbrengst per hectare getrokken witlofwortels wordt sterk beïnvloed door de kwaliteit van de wortelteelt.

 

Een effectief en betrouwbaar onkruidbestrijdingssysteem is van groot belang voor het telen van cichorei- en witlofwortels van goede kwaliteit. De periode waarin onkruidbestrijding essentieel is, valt voor een belangrijk deel tussen zaaien tot en met het vierde echte blad van de cichorei en witlof. In deze periode groeit het gewas zeer traag en is de gevoeligheid voor onkruidconcurrentie groot. Probleemonkruiden bij cichorei en witlof zijn de composietonkruiden, onder andere kamille, knopkruid, klein kruiskruid, melkdistel en kruisbloemigen, onder andere herderstasje, herik, knopherik en kleine veldkers.

Verontreiniging van de geoogste cichoreiwortels met onkruidwortels beïnvloedt bovendien de winbaarheid van inuline nadelig.

 

Wijze van bestrijding

 

Tussen de rijen of ruggen kan een mechanische bestrijding worden uitgevoerd door middel van schoffelen.

In de rijen kunnen onkruiden alleen chemisch worden bestreden.


Hiervoor zijn in Nederland onder andere middelen toegelaten op basis van propyzamide, carbeetamide, chloorprofam en asulam. Er kan op verschillende momenten een toepassing plaatsvinden: kort na het zaaien, kort voor opkomst of na opkomst. Soms worden, afhankelijk van de verwachte onkruidsoorten combinaties van middelen toegepast.

Propyzamide, carbeetamide en chloorprofam werken onvoldoende of niet tegen één of meerdere soorten composieten en kruisbloemigen. Asulam kan penvertakking veroorzaken.

 

 

Beoordeling werkzaamheid

 

Benodigd onderzoek

 

SAFARI is in Nederland toegelaten ter bestrijding van tweezaadlobbige onkruiden in suiker- en voederbieten. Omdat in deze teelten het gebruik in het Lage Doserings Systeem wordt voorgeschreven zijn werkingsgegevens vanuit bieten niet te extrapoleren naar witlof en cichorei.

Dit betekent dat er voor de werking gegevens van minimaal twee teeltseizoenen dienen te worden overlegd met per teeltseizoen drie tot vier proeven. Omdat er van witlof naar cichorei kan worden geëxtrapoleerd is het niet noodzakelijk dat ook van cichorei het volledige pakket proeven zoals hiervoor aangegeven, wordt overlegd.

Voor wat betreft schadelijke effecten, dienen gegevens van toepassing onder onkruidvrije omstandigheden te worden overlegd waarbij naast de geclaimde dosering ook de
2n dosering wordt beproefd. Daarnaast kunnen voor de beoordeling van de schadelijke effecten waarnemingen in werkingsproeven worden uitgevoerd.

Ook hier kan extrapolatie van witlof naar cichorei plaatsvinden.

Verder dienen voor witlof gegevens van trekteelten (minimaal drie proeven per teeltseizoen en twee teeltseizoenen) te worden overgelegd teneinde na te kunnen gaan of toepassing van SAFARI op het veld mogelijk van invloed kan zijn op de trekteelt.

Geleverde gegevens

 

Het geleverde dossier is in zijn geheel beoordeeld waarbij is gekeken naar de bruikbaarheid van de gegevens voor de beoordeling en naar de consistentie van de geleverde gegevens.

Gegevens van proeven uitgevoerd in het buitenland zijn in de beoordeling betrokken voor zover bruikbaar voor de beoordeling van de werking van het middel onder Nederlandse omstandigheden.

Proefuitvoering

 

Locatie en periode

Er zijn drie werkingsproeven in cichorei en zes in witlof (pennenteelt).

Verder zijn  drie specifieke selectiviteitsproeven uitgevoerd (twee in de pennenteelt van witlof, één in cichorei).Tevens is een selectiviteitsproef met een aantal rassen van witlof, cichorei en roodlof uitgevoerd. Verder zijn in 1996 in Nederland twee proeven in de trekteelt van witlof uitgevoerd.

Al het onderzoek werd in Nederland uitgevoerd door het toenmalige Stichting Proefstation voor de Akkerbouw en de Groenteteelt in de Vollegerond (PAGV) dan wel onder supervisie van het PAGV. De proeven zijn uitgevoerd voor het inwerking treden van de eis voor onderzoek uitgevoerd onder GEP.

In Frankrijk zijn tien proeven in de trekteelt van witlof uitgevoerd.

Richtlijnen en proefopzet

In de rapportage is niet beschreven volgens welke richtlijn het werkingsonderzoek is uitgevoerd. Er is echter beschreven hoe het onderzoek is uitgevoerd waardoor de werking wel kan worden beoordeeld.

Het selectiviteitsonderzoek is uitgevoerd volgens EPPO richtlijn 99.

De werking van het middel is vergeleken met standaard- en referentiemiddelen op basis van propyzamide, asulam, carbeetamide en chloorprofam, al dan niet in combinatie.

 

Effectiviteit

 

Vaststellen dosering

 

Er zijn geen gegevens overlegd voor lagere doseringen dan geclaimd. De claim is echter in lijn met het huidig toegelaten gebruik.

 

Werking

 

SAFARI bestrijdt vooral composieten en kruisbloemigen. De toepassing in witlof en cichorei is het vooral bedoeld om te worden toegepast in een systeem waarbij voor opkomst van het gewas een behandeling met een bodemherbicide wordt uitgevoerd.

Bij de beoordeling van de werking is daarom vooral beoordeeld op de werking van SAFARI tegen composieten en kruisbloemigen. Daarnaast is beoordeeld of daarbij een verbetering van de werking optreedt na voorafgaande toepassing van een bodemherbicide.

 

Composieten

SENVU (klein kruiskruid)

Dit onkruid kwam in vier proeven voor (2 proeven cichorei, 2 proeven witlof). In 1994

(1 proef cichorei) gaf een na opkomst toepassing van SAFARI (twee keer toegepast) in een hogere dosering dan geclaimd een goede bestrijding. De werking was gelijk aan die van een vooropkomstbespuiting met het standaardmiddel propyzamide, gevolgd door twee keer SAFARI na opkomst (in een hogere dosering dan geclaimd). Propyzamide sec was niet opgenomen.

In 1995 (1 proef cichorei, 1 proef witlof) en 1996 (1 proef witlof) gaf SAFARI, toegepast volgens de claim en vooraf gegaan door een vooropkomstbespuiting met het standaardmiddel propyzamide een duidelijk betere werking dan alleen een vooropkomstbespuiting met propyzamide.

 

MATCH (echte kamille)

Dit onkruid kwam in drie proeven voor (2 proeven cichorei, 1 proef witlof). In 1994 (1 proef cichorei) gaf een na opkomst toepassing van SAFARI (tweemaal toegepast) in een hogere dosering dan geclaimd een goede bestrijding. De werking was gelijk aan die van een vooropkomstbespuiting met het standaardmiddel propyzamide, gevolgd door twee keer SAFARI na opkomst (in een hogere dosering dan geclaimd). Een proef met propyzamide sec was niet opgenomen.

In 1995 (1 proef cichorei) en 1996 (1 proef witlof) gaf SAFARI, toegepast volgens de claim en vooraf gegaan door een vooropkomstbespuiting met het standaardmiddel propyzamide een duidelijk betere werking dan alleen een vooropkomstbespuiting met propyzamide.

 

SONOL (gewone melkdistel)

Dit onkruid kwam in 1 proef voor, in 1995 in witlof. SAFARI, toegepast volgens de claim en vooraf gegaan door een vooropkomstbespuiting met het standaardmiddel propyzamide een duidelijk betere werking dan alleen een vooropkomstbespuiting met propyzamide.

 

Kruisbloemigen

CAPBP (herderstasje)

Dit onkruid kwam in 1 proef voor, in 1994 in witlof. SAFARI, twee keer na opkomst toegepast in een hogere dosering dan geclaimd gaf een goede bestrijding. De werking was beter dan die van het standaardmiddel propyzamide, vooropkomst toegepast.

 

 

RAPRA (knopherik)

Dit onkruid kwam in 1 proef voor, in 1994 in witlof. SAFARI, twee keer na opkomst toegepast in een hogere dosering dan geclaimd, gaf een matige bestrijding. De werking was gelijk aan die van het standaardmiddel propyzamide, vooropkomst toegepast.

 

THLAR (witte krodde)

Dit onkruid kwam in 1 proef voor, in 1994 in witlof. SAFARI, twee keer na opkomst toegepast in een hogere dosering dan geclaimd gaf een goede bestrijding. De werking was beter dan die van het standaardmiddel propyzamide, vooropkomst toegepast.

 

Overige onkruiden

In de proeven heeft SAFARI niet gewerkt tegen POLCO (zwaluwtong), POAAN (straatgras) CHEAL (melganzevoet), STEME (vogelmuur), CHEFI (stippelganzevoet) en MERAN (eenjarig bingelkruid)

Een matige werking werd verkregen tegen POLAV (varkensgras).

Een redelijke werking werd verkregen tegen POLPE (perzikkruid) en SOLNI
(zwarte nachtschade).

Een goede werking tenslotte werd verkregen tegen ANAAR (guichelheil).

Opgemerkt dient nog te worden dat bij een aantal onkruidsoorten bovenstaande conclusie op een beperkt tot zeer beperkt aantal gegevens berust.

Combinatieproducten

 

Niet van toepassing

Schadelijke effecten

 

Fytotoxiciteit

 

In de werkingsproeven, uitgevoerd in de jaren 1994 tot en met 1996, werden waarnemingen op fytotoxiciteit uitgevoerd. Het betreft zes proeven in witlof en drie proeven in cichorei.
In 1994 werd SAFARI in hogere doseringen dan geclaimd, beproefd. In de proeven van 1996 werd SAFARI naast de geclaimde dosering ook in 2n (60 gram/hectare) beproefd. 

Verder werden in 1995 drie specifieke selectiviteitsproeven onder onkruidvrije omstandigheden uitgevoerd; één proef werd in cichorei uitgevoerd en twee in witlof. In deze proeven werd SAFARI in de geclaimde dosering en in 2n (60 gram/hectare) beproefd.

Daarnaast werd in 1995 een selectiviteitsproef op een aantal rassen witlof, cichorei en roodlof uitgevoerd. Ook in deze proef werd SAFARI in de geclaimde dosering en in de

2n dosering (60 gram/hectare) beproefd.

In een aantal proeven en bij een aantal rassen veroorzaakte SAFARI chlorose; deze was bij de 2n dosering meer dan bij de geclaimde dosering.

In alle proeven en bij alle rassen veroorzaakte SAFARI groeiremming. Deze varieerde van vrij licht tot onaanvaardbaar in een aantal gevallen, met name bij de 2n dosering.

Er is een doseringseffect in die zin dat de 2n dosering meer groeiremming veroorzaakt dan de geclaimde dosering. Verder is er een raseffect, er zijn rassen die minder gevoelig zijn en er zijn rassen die erg gevoelig zijn. Witlof is hierbij gevoeliger dan cichorei.

De mate van groeiremming hangt samen met het stadium van gewasontwikkeling op het moment van de 1e toepassing van SAFARI. Toepassing in het kiembladstadium geeft in het algemeen meer groeiremming dan toepassing in een later stadium. Verder zijn de weersomstandigheden op het moment van toepassen en daarna van invloed: koude en natte weersomstandigheden veroorzaken meer groeiremming.

Overigens is de groeiremming tijdelijk, na verloop van tijd verdwijnt deze. 

 


Opbrengst

 

Van één proef op cichorei in 1994, van drie specifieke selectiviteitsproeven, uitgevoerd in 1995 (1 proef cichorei, 2 proeven witlof) en vier proeven in 1996 (2 proeven cichorei,

2 proeven witlof) zijn opbrengstbepalingen uitgevoerd.

De geclaimde dosering van SAFARI veroorzaakte in geen enkele proef een negatieve beïnvloeding van de kwantitatieve of kwalitatieve opbrengst.

De 2n (60 g/hectare) dosering veroorzaakte in enkele proeven wel een negatieve beïnvloeding van de kwantitatieve en kwalitatieve opbrengst, overigens niet in erge mate.

 

Effecten op volggewassen/vervanggewassen

 

Hierover zijn geen gegevens geleverd.

In de toelatingsbeschikking betreffende de toelating van SAFARI in suiker- en voederbieten is vermeld dat toepassing van SAFARI geen invloed heeft op een volggewas in een normale rotatie (overigens wordt niet aangegeven wat onder een normale rotatie wordt verstaan). Afgeraden wordt om bloemen, sierplanten, heesters of boomkwekerijgewassen te planten binnen 12 maanden na een toepassing van SAFARI.

 

Effecten op nateelt

 

Overlegd zijn de gegevens van twee, in 1996 in Nederland uitgevoerde proeven van trekteelten van witlof. SAFARI is hierbij in de pennenteelt toegepast.

SAFARI veroorzaakte geen negatieve beïnvloeding in kwantitatieve of kwalitatieve zin van de opbrengsten van de trekteelten.

Daarnaast zijn, in samenvattende vorm de gegevens van tien in Frankrijk uitgevoerde proeven van trekteelten met witlof. SAFARI werd hierbij in de pennenteelt in hogere doseringen (100 respectievelijk 200 gram/hectare) toegediend. Ook in deze proeven veroorzaakte SAFARI geen negatieve beïnvloeding in kwantitatieve of kwalitatieve zin.

SAFARI is in België en Frankrijk toegelaten voor toepassing in cichorei en witlof. Als SAFARI de trekteelten van witlof in negatieve zin zou hebben beïnvloed dan was de toelating niet verleend omdat witlofpennen voor de trekteelten worden geteeld.

 

Effecten op naburige gewassen

 

Hierover zijn geen gegevens overlegd. In de toelatingsbeschikking betreffende de toelating van SAFARI in suiker- en voederbieten is vermeld: Voorkom overwaaien van de spuitvloeistof naar gevoelige gewassen.

 

Conclusie schadelijke effecten

 

SAFARI kan bij witlof en in mindere mate bij cichorei, chlorose en een tijdelijke groeiremming veroorzaken. De kwantitatieve en kwalitatieve opbrengst wordt niet in negatieve zin beïnvloed.

Overwaaien van de spuitvloeistof dient te worden voorkomen. Er is geen groot risico aanwezig voor volggewassen of vervanggewassen met uitzondering van bloemen, sierplanten, heesters en boomkwekerijgewassen.

 

Resistentie-ontwikkeling

 

Het dossier is opgebouwd en ingediend eind jaren negentig, vóór het vaststellen van de EPPO-richtlijn 213, inzake beoordeling van resistentie.

Tegen middelen uit de groep van de ALS-remmers is echter resistentie gerapporteerd (met name in de VS en Australië en delen van Europa).

Bij langdurige, eenzijdige toepassing van SAFARI op onkruiden bestaat de kans op het optreden van resistentie. Echter gezien de huidige landbouwkundige praktijk en teeltmethodieken wordt het risico hierop niet groot geacht. Wel dient een algemene opmerking inzake resistentiemanagement op het etiket opgenomen te worden. 

 

Extrapolatiemogelijkheden

 

Conform het extrapolatiedocument "Extrapolatiemogelijkheden werkings- en fytotoxiciteitsgegevens gewasbeschermingsmiddelen" CTB, juni 2004, is extrapolatie mogelijk vanuit witlof naar cichorei. Dit geldt voor werking en fytotoxiciteit. Verder kan vanuit de werking en nevenwerking in de pennenteelt van witlof in dit geval geëxtrapoleerd worden naar de zaadteelt.

 

Conclusie werkzaamheid

 

Op basis van de geleverde gegevens en extrapolatiemogelijkheden kan geconcludeerd worden dat SAFARI  werkzaam is ter bestrijding van tweezaadlobbige onkruiden (met name kruisbloemigen en composieten) in de pennenteelt en zaadteelt van witlof en cichorei en dat de toepassing geen neveneffecten veroorzaakt op planten en plantaardige producten in een mate die niet aanvaardbaar is.

 

Ontbrekende gegevens

 

Er ontbreken geen gegevens.

 

Voorschriften en aanbevelingen voor gebruik.

 

Het voorstel van de aanvrager zoals ingediend op 29 januari 2004 is aanzienlijk gewijzigd ten opzichte van het eerdere voorstel. Dit betreft met name een toevoeging van diverse teelttechnische aanbevelingen. De opmerking over de mengbaarheid met clopyralid en een meer algemeen stuk over grassenbestrijding, menging met insecticiden en meststoffen worden overgenomen.

In het Wettelijk Gebruiksvoorschrift wordt verder opgenomen dat in de teelt van witlof en cichorei maximaal 60 gram per hectare per teelt of per seizoen mag worden toegepast, overeenkomstig het voorstel van 8 april 2003.

 

Onder het kopje “Algemeen” is toegevoegd dat het middel voornamelijk werkt tegen composieten en kruisbloemigen

Verder is de alinea die onder Opmerkingen stond luidende De toepassing van SAFARI in de juiste periode etc. onder “Algemeen” geplaatst omdat deze ook slaat op de toepassing in witlof en cichorei.

De tekst met betrekking tot de toepassing in witlof en cichorei is redactioneel wat aangepast ten opzichte van het voorstel van de aanvrager.

Verder is een alinea toegevoegd met betrekking tot de kans op het ontstaan van (tijdelijke) fytotoxiciteit.

 

 

Profiel humane toxicologie

 

De uitbreidingsaanvraag kan worden behandeld als een vereenvoudigde uitbreidingsaanvraag.

 

 


Beoordeling van het risico voor de toepasser (beroepsmatig/werker)

 

In de bestaande toepassing in suiker- en voederbieten wordt SAFARI toegepast middels neerwaarts spuiten in een dosering van 30 gram/hectare. Voor de toepassing in witlof en cichorei wordt dezelfde dosering voorgeschreven. Methode van toepassen en per werkdag maximaal te behandelen areaal zijn voor de bestaande toepassing en voor deze uitbreiding eveneens gelijk.

Blootstelling bij herbetreding zal aanzienlijk lager zijn dan de blootstelling bij toepassen en eveneens vergelijkbaar zijn met de reeds toegelaten toepassingen.


Er wordt als gevolg van de uitbreiding van de toelating van SAFARI in de teelt van witlof en cichorei geen extra risico voor de toepasser/werker ingeschat.

 

 

Beoordeling van het risico voor de volksgezondheid

 

Er zijn voor cichorei vijf residustudies beschikbaar. In wortel en blad werden geen residuen boven de detectielimiet van 0,02 mg/kg aangetroffen. Dit is ook het geval in de bestaande toepassing in suikerbieten. Residugegevens voor cichorei mogen worden geëxtrapoleerd naar witlof.

Als gevolg van dit lage residuniveau zijn gegevens met betrekking tot vervoedering niet nodig.

 

Er wordt als gevolg van de uitbreiding van de toelating van SAFARI in de teelt van witlof en cichorei geen extra risico voor de volksgezondheid ingeschat als gevolg van blootstelling aan residuen via de voeding.

 

 

Etikettering

 

De huidige etikettering van SAFARI kan worden gehandhaafd.

 

 

Profiel milieuchemie en -toxicologie

 

Het middel SAFARI, op basis van triflusulfuron-methyl, is reeds toegelaten als herbicide in de teelt van suikerbieten en voederbieten. De huidige vereenvoudigde uitbreidingsaanvraag betreft het gebruik van SAFARI als herbicide in de pennenteelt en zaadteelt van witlof en cichorei.

 

 

Beoordeling van het risico voor het milieu

 

De aangevraagde dosering voor gebruik in de pennenteelt en zaadteelt van witlof en cichorei is 0,015 kg werkzame stof/hectare per toepassing van 150-400 L/hectare (bij een dosering van 0,03 kg/hectare en een gehalte van 50%) met een maximale frequentie van twee keer per seizoen en een interval van 7-14 dagen in de periode april tot en met mei-juni.

De dosering voor gebruik in de teelt van bieten is 0,015 kg werkzame stof/hectare bij een maximale frequentie van vier keer per seizoen en een interval van 7-14 dagen in het voorjaar. 

 

De totale dosering na twee toepassing in de pennenteelt en zaadteelt van witlof en cichorei van  maximaal 0,030 kg werkzame stof/hectare per seizoen is daarmee lager dan de totale dosering na vier toepassingen van maximaal 0,060 kg werkzame stof/hectare per seizoen. 

 

Een overzicht van de risico's per deelaspect wordt gegeven in tabel M.1.

 

Tabel M.1 Toepassing in volle grond, overzicht van risico's per aandachtspunt

Deelaspect Milieu

Aandachtspunt

Vergelijkbaar of lager risico

Motivering

Persistentie

 

ja

Dosering gelijk

Uitspoeling

Dosering

ja

Dosering gelijk

 

Frequentie

ja

Frequentie lager

 

Fractie op bodem

ja

Fractie bodem gelijk

 

Tijdstip (voorjaar/najaar)

ja

Tijdstip komt overeen

Waterorganismen

% Drift

ja

Drift gelijk

 

Tijdstip (voorjaar/najaar)

ja

Tijdstip komt overeen

Vogels, zoogdieren

Dosering

ja

Dosering gelijk

 

Gewas-dier combinatie

n.v.t.

Hoeft niet getoetst te worden

 

Residu per Unit Dose

n.v.t.

Hoeft niet getoetst te worden

Bijen

Dosering

ja

Dosering gelijk

Niet-doelwit arthropoden

Dosering

ja

Dosering gelijk

 

Frequentie

ja

Frequentie lager

Regenwormen

Dosering

ja

Dosering gelijk

 

Frequentie

ja

Frequentie lager

 

Fractie op bodem

ja

Fractie bodem gelijk

Bodemmicro-organismen

Dosering

ja

Dosering gelijk

 

Fractie op bodem

ja

Fractie bodem gelijk

Emissie naar RWZI

Dosering, fractie op bodem

n.v.t.

Geen toepassing in kassen

 

Conclusie met betrekking tot milieu

 

De dosering van SAFARI in de pennenteelt en zaadteelt van witlof en cichorei is bij een enkele toepassing gelijk aan de dosering in suikerbieten en voederbieten. In suikerbieten en voederbieten mag maximaal 120 gram SAFARI /hectare worden toegepast per seizoen.
Bij pennenteelt en zaadteelt van witlof en cichorei is dit de helft minder,

60 gram SAFARI /hectare.

Derhalve zijn de aangevraagde toepassingen van lager of gelijk risiconiveau dan de reeds toegelaten toepassingen.

 

Ontbrekende gegevens

 

Er ontbreken geen gegevens.

 

 


Conclusie

 

De uitbreiding van de toelating van het middel SAFARI met de toepassing in pennen- en zaadteelt van witlof en cichorei betreft een uitbreiding met vergelijkbare doeleinden.

Daarom kan op basis van de mogelijkheid van vereenvoudigde uitbreiding (artikel 5, lid 8 Bestrijdingsmiddelenwet, artikel 16 lid 4 en 5 van de Regeling Toelating Bestrijdingsmiddelen) een beoordeling op basis van het beschikbare dossier en de beschikbare beoordelingsmethodieken ten tijde van de laatste beoordeling van het middel met de ‘vergelijkbare’ toepassing worden uitgevoerd. Uit deze vereenvoudigde beoordeling volgt dat het verwacht risico voor de gezondheid van de mens, voor degene die het middel toepast en voor het milieu niet groter is dan het risico van de bestaande vergelijkbare toepassingen.

 

Voor wat betreft de werkzaamheid van SAFARI is het middel voldoende werkzaam gebleken in de voorgestelde uitbreiding van de toepassingen zoals aangegeven in het concept Wettelijk Gebruiksvoorschrift en Gebruiksaanwijzing.

Derhalve wordt de uitbreiding van het toepassingsgebied van het middel SAFARI toelaatbaar geacht.

 

 

Besluit:

 

·       Het College besluit de aanvraag tot vereenvoudigde uitbreiding van de toelating van het bestrijdingsmiddel SAFARI, 20000320 VUG, op basis van triflusulfuron-methyl, voor de toepassing als onkruidbestrijdingsmiddel in de pennen- en zaadteelt van witlof en cichorei, te honoreren op grond van artikel 3 en 3a van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962.

 

 

 

Wageningen, 28 januari 2005

 

 

HET COLLEGE VOOR DE TOELATING VAN BESTRIJDINGSMIDDELEN,




(voorzitter)