Het College voor de Toelating
van Bestrijdingsmiddelen,


beslissende op het bezwaarschrift van de stichting Stichting Natuur en Milieu en de stichting Zuid-Hollandse Milieufederatie (hierna te noemen: bezwaarde), van 30 juli 2003, gericht tegen het besluit van het College voor de toelating van bestrijdingsmiddelen (hierna te noemen: het CTB) van 20 juni 2003 tot (voorlopige) toelating van het bestrijdingsmiddel Calypso (toelatingsnummer 12452N).

 

Dit bezwaarschrift heeft nummer: 2003-6.

 

 

De procedure

 

Bij besluit van 20 juni 2003 heeft het CTB besloten een voorlopige toelating te verlenen
voor het middel Calypso
. Bezwaarde heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt bij brief van
30 juli 2003.

 

Bij brief van 1 augustus 2003 met kenmerk 03/2122 LBO/JRU is de ontvangst van het bezwaarschrift bevestigd.

 

Op 19 november 2003 heeft een hoorzitting plaatsgevonden, op basis waarvan de Adviescommissie voor het CTB op 8 december 2003 een advies heeft uitgebracht.

 

Bij het bestreden besluit heeft het CTB een voorlopige toelating, als bedoeld in artikel 24 jo. artikel 3 Bestrijdingsmiddelenwet 1962 verleend voor Calypso (12452N)  op basis van de werkzame stof thiacloprid.


 

 

1.      Onvolledig dossier

a.      De effecten van de werkzame stof op de schildklier zijn onvoldoende bekeken.

b.      Onderzoek naar invloed op ontwikkeling hersenen kinderen/embryo’s ontbreekt.

2.      Gezondheidseffecten

a.      In drie studies is de werkzame stof in twee verschillende organismen carcinogeen gebleken en de keuze van het niet-effect niveau in de rat voldoet niet, omdat niet vaststaat dat onder deze grens carcinogeniteit uitgesloten is.

b.      Gegevens uit de openbare literatuur met betrekking tot negatieve effecten op het nageslacht zijn niet meegenomen (Canadadian Centre for Occupational Health and Safety, MCD-system, May 2003).

3.      Milieu-effecten

a.      Er zijn grote negatieve effecten op niet-doelwitarthropoden.

b.      In het besluit staat dat de toepassingen niet voldoen, waartegenover een waarschuwingszin staat.

4.      Geen toepassing geďntegreerde bestrijding

a.      Gezien artikel 5.2 Bestrijdingsmiddelenwet 1962 had Calypso niet toegelaten mogen worden, omdat er milieuvriendelijkere alternatieven zijn tegen bladluizen; Calypso is onnodig

b.      Hetzelfde geldt voor de kaswittevlieg; artikel 5.2 Bestrijdingsmiddelenwet 1962 is niet juist toegepast, omdat er milieuvriendelijkere alternatieven zijn.

Het advies van de Adviescommissie voor het CTB

De Adviescommissie heeft geadviseerd het bezwaarschrift ongegrond te verklaren:

 

1.      Het bezwaar dat de besluitvorming is geschied op basis van een onvolledig dossier, is ongegrond. Het CTB heeft voldoende aangetoond dat besluitvorming met betrekking tot de gezondheidseffecten op basis van een volledig dossier heeft plaatsgevonden.

2.      Het bezwaar dat negatieve gezondheidseffecten op het nageslacht niet zijn meegenomen en dat de wijze van beoordeling ten aanzien van de vaststelling van het risico op carcinogeniteit ontoereikend is, is ongegrond. De commissie is van mening dat, gelet op het besluit en op de uitgebreide uiteenzetting in het verweerschrift alsmede het gestelde door het CTB ter zitting, het CTB voldoende duidelijk heeft gemaakt dat het onderhavige middel geen schadelijke uitwerking heeft op de gezondheid van de mens.

3.      Het bezwaar dat de toelating niet noodzakelijk is, is ongegrond. Het CTB is gehouden om op een aanvraag als bedoeld in artikel 24 Bestrijdingsmiddelenwet 1962 te besluiten; het al dan niet noodzakelijk zijn van een toelating vormt geen toelatingseis.

4.      De Commissie stelt vast dat de toetsing aan de norm van artikel 3, lid 1, onderdeel a, ten tiende Bestrijdingsmiddelenwet 1962 voor wat betreft de effecten voor niet-doelsoorten voor het onderhavige middel in overeenstemming is met het hieromtrent bepaalde in het Handboek Toelating Bestrijdingsmiddelen. Het bezwaar dat artikel 5, lid 2 Bestrijdingsmiddelenwet 1962 met zich meebrengt dat een gewasbeschermingsmiddel niet toegelaten mag worden in het geval er natuurlijke organismen voorhanden zijn ter bestrijding van de zelfde insecten als waarvoor het chemische gewasbeschermingsmiddel bestemd is, is ongegrond.

Met de opname van een waarschuwingszin heeft het CTB geen onjuiste toepassing gegeven aan het bepaalde in artikel 5, lid 2 Bestrijdingsmiddelenwet 1962. De Adviescommissie vraagt zich echter wel af of – gelet op het voorgenomen gebruik van het onderhavige middel ofwel als correctiemiddel in aanvulling op het gebruik van natuurlijke organismen, ofwel om bij aanvang van de teelt de kas op te schonen, niet een nadere uiteenzetting ten aanzien van de waarschuwingszin in de Gebruiksaanwijzing opgenomen had kunnen worden.

Overwegingen naar aanleiding van het bezwaarschrift en het advies

Algemeen

 

Calypso is een middel op basis van de werkzame stof thiacloprid.Het middel is uitsluitend bestemd als een insectenbestrijdingsmiddel in de niet-grondgebonden teelt onder glas als

 

I. gewasbehandeling van:

-         aubergine, augurk, courgette, komkommer, paprika, pattison, Spaanse peper, en tomaat;

-         bloembol-, bloemknol- en bolbloemgewassen;

-         bloemisterijgewassen;

-         boomkwekerijgewassen en vaste planten.

 

II. druppelbehandeling mits toegepast na 1 maart van

-         aubergine, paprika, Spaanse peper en tomaat.

 

Thiacloprid is een - voor de EU - nieuwe werkzame stof.

 

 

Ad 1.            Onvolledig dossier

Een aanvraag wordt op grond van artikel 8 van de Regeling Toelating Bestrijdingsmiddelen (verder aan te duiden als: RTB) onder andere niet in behandeling genomen, indien

-         het aanvraagformulier onvolledig is ingevuld,

-         een of meer bij het formulier behorende gegevens en bescheiden dan wel vereiste zelfstandigheden niet zijn overgelegd,

-         de overgelegde gegevens, bescheiden of zelfstandigheden niet voldoen aan de eisen welke in de bij het formulier behorende instructie zijn neergelegd,

-         het aanvraagformulier anderszins niet overeenkomstig de bij het formulier behorende instructie is ingevuld.


In de Handleiding voor de Toelating van Bestrijdingsmiddelen (versie 0.2) is ter verduidelijking nader uiteengezet, welke criteria aangehouden worden voor de beoordeling van de volledigheid van een aanvraag.

 

Bezwaarde voert aan dat het dossier niet volledig verklaard had mogen worden, omdat naar zijn oordeel is nagelaten de effecten van thiacloprid op de schildklier te bekijken en onderzoek gedaan moet worden naar de ontwikkeling van de hersenen als kinderen, zeker als embryo, bootgesteld worden.


 

Er zijn echter door de aanvrager wel degelijk gegevens geleverd op basis waarvan het CTB zich over deze aspecten een adequaat beeld heeft kunnen vormen, zodat – los van de vraag of de geleverde gegevens door het CTB juist zijn geďnterpreteerd – er geen enkele reden is om aan te nemen dat het CTB het dossier ten onrechte volledig heeft verklaard.

 

Het dossier is overigens ook door de EU volledig verklaard (Beschikking van de Commissie, 2000/181/EG, d.d. 23 februari 2000).

 

Het bezwaar van bezwaarde dat het dossier niet volledig is, treft derhalve geen doel.

 

Voorzover bezwaarde echter met zijn bezwaar niet doelt op onvolledigheid van het dossier, maar de inhoudelijke beoordeling door het CTB in twijfel trekt, hecht het CTB eraan om ten aanzien van de in het kader van de (beweerdelijke) onvolledigheid genoemde aspecten een korte toelichting te geven.

 

a. Effecten op de schildklier

In studies waarin proefdieren gedurende langere tijd (tot 2 jaar) aan thiacloprid zijn blootgesteld zijn onder meer effecten op de schildklier gevonden. Deze effecten zijn gevonden in de rat, maar niet in de muis een de hond. Het onderliggende mechanisme van deze effecten is zeer uitgebreid onderzocht.

 

Het primaire effect van thiacloprid in zoogdieren is enzym-inductie in de lever. Door deze enzym-inductie in de lever kunnen elders in het lichaam secundaire effecten optreden. Voor het effect op de schildklier is vooral de toegenomen UDP-glucuronyltransferase activiteit in de lever van belang. Dit enzym is betrokken bij de omzetting en uitscheiding van schildklierhormonen. De toegenomen activiteit van UDP-glucuronyltransferase heeft dan ook geleid tot verlaging van de concentratie van schildklierhormonen (T3 enT4) in het bloed van ratten. Het gevolg hiervan is een toenemende stimulans op de schildklier om meer hormoon aan te maken, de zogenaamde Feed Back Regulatie. Dit geschiedt vanuit het centrale zenuwstelsel (hypothalamus/hypofyse) uiteindelijk middels het hormoon TSH (thyroid stimulating hormone). De versnelde uitscheiding van T3/T4, de verlaagde concentratie van T3/T4 en de verhoogde concentratie van TSH bij hogere doseringen thiacloprid zijn zowel in de standaard toxiciteitstesten als in mechanistisch onderzoek gevonden.

 

Dit effect op de schildklier in proeven met ratten wordt regelmatig in toxicologisch onderzoek waargenomen. Ratten zijn zeer gevoelig voor dit effect omdat in het bloed van deze diersoort geen TBG (Thyroxin Binding Globulin) bevat, dit in  tegenstelling tot de meeste andere zoogdieren, inclusief de mens. TBG bindt meer dan 90% van het schildklierhormoon in het bloed en vorm op die manier een belangrijke buffervoorraad die schommelingen in de productie van het hormoon opvangt. Dat het effect op de schilklier inderdaad rat-specifiek is blijkt uit het ontbreken van schildkliereffecten in studies met muis en hond.  Dit soort effect  wordt dan ook als niet relevant voor de mens beschouwd (RIVM-report 601516009, Chapter 2: Follicular Thyroid Tumors in Rodents, Factsheet FSV-007/00, date 09-08-2001).

 

De gezondheidskundige grenswaarden voor veilige blootstelling voor de mens (ADI, AOEL, ARfD) zijn afgeleid van de NOAEL (No Observed Adverse Effect Level) voor het meest kritische effect. Bij thiacloprid is dat het effect op de lever. Indien de blootstelling van de mens binnen deze grenswaarden blijft zal geen effect  op de lever plaatsvinden.


b. Invloed op ontwikkeling hersenen kinderen/embryo’s

Bezwaarde stelt dat nader onderzoek moet worden uitgevoerd naar het effect van thiacloprid op de ontwikkeling van het centrale zenuwstelsel (hersenen) bij de mens, via effecten op de schildklier.

 

Thiacloprid heeft geen rechtstreeks effect op de schildklier. Bovendien zijn in reproductiestudies in ratten geen effecten gevonden op de schildklier van dieren die in utero zijn blootgesteld aan thiacloprid in doseringen waarbij geen levereffecten optraden. Nogmaals wordt erop gewezen dat de schildkliereffecten na blootstelling aan thiacloprid rat-specifiek zijn. Daarom worden bij blootstelling binnen de gestelde gezondheidskundige grenswaarden ook geen effecten op de ontwikkeling van het centrale zenuwstelsel bij de mens verwacht.

Nader onderzoek is dan ook niet geďndiceerd en zou slechts leiden tot onnodig gebruik van proefdieren.

 

Het eerste bezwaar is derhalve ongegrond.



Ad 2.            Gezondheidseffecten

 

a.      Carcinogeniteit

Met thiacloprid is toegenomen tumorvorming waargenomen in twee studies, één bij de rat (schildklier en baarmoeder) en één bij de muis (eierstokken). In alle gevallen betreft het effecten die optreden bij doseringen ver boven de NOAEL. In geval van toegenomen tumorvorming in proefdieren is inzicht in het mechanisme vereist om de relevantie van dit effect voor de mens te kunnen bepalen.

De belangrijkste vraag die in ieder dossier moet worden beantwoord is die naar directe interactie met het erfelijke materiaal als mogelijke oorzaak voor toegenomen tumorvorming, de zogenaamde genotoxiciteit. Hiervoor is het leveren van een aantal standaard onderzoeken verplicht. Voor thiacloprid zijn al deze onderzoeken, uitgevoerd volgens OECD-richtlijn en onder de bepalingen van GLP (Good Laboratory Practice), geleverd. Zowel in vitro als in vivo zijn deze onderzoeken zonder uitzondering negatief. Dit betekent dat voor de risicobeoordeling voor de mens van een drempelwaarde mag worden uitgegaan, waaronder geen toename van carcinogeniteit wordt verwacht.

Om de drempelwaarde op een betrouwbare manier vast te stellen wordt doorgaans extra onderzoek nodig geacht naar het mechanisme dat wel verantwoordelijk is voor de toegenomen tumorvorming, die bij niet genotoxische stoffen doorgaans alleen wordt gevonden bij relatief hoge blootstellingen. Voor thiacloprid is dit onderzoek uitgevoerd.

Zoals bij de effecten op de schildklier al is gememoreerd, induceert thiacloprid enzymen in de lever. Het is deze enzym inductie in de lever die ten grondslag ligt aan de toegenomen tumorvorming bij de rat  (schilklier, baarmoeder) en de muis (eierstokken).

De effecten op de schilklier zijn het gevolg van versnelde afbraak en uitscheiding van schildklierhormoon als gevolg van inductie van het enzym UDP-glucuronyltransferase. Dit leidt tot stimulering van de schilklier via verhoogde productie van TSH in de hypofyse.
Langdurige stimulering leidt tot groei van het orgaan door toegenomen celdeling. Houdt deze stimulering lang aan dan kan dit bij hogere doseringen leiden tot tumorvorming. Dit effect is altijd dosis gerelateerd en kent dus een blootstellingsniveau waarbij het niet optreedt. Voor de schildklier geldt daarnaast dat het een rat-specifiek effect is en niet relevant voor de mens (RIVM-report 6014516009, 2001).
Ook de toename van baarmoeder tumoren bij de rat en van eierstok tumoren bij de muis na chronische blootstelling aan hoge doseringen thiacloprid is secundair aan enzym inductie in de lever. Het betreft in dit geval het enzym aromatase. Door deze toegenomen aromatase activiteit ontstaat een verhoogd gehalte aan oestrogenen in het bloed, wat ook is gemeten. De chronische blootstelling van de baarmoeder (rat) en de eierstok (muis) aan verhoogde oestrogeen concentraties leidt tot de toegenomen tumorvorming in deze organen. Aangezien het mechanisme bekend is en de doseringen waarbij het effect opreedt ver boven de dosering ligt waarbij al andere effecten worden waargenomen, kan op betrouwbare manier een grenswaarde voor de mens worden vastgesteld, die risico’s voor tumorvorming bij de mens als gevolg van blootstelling aan thiacloprid voldoende afschermt.

Ter illustratie:
De NOAEL voor chronische blootstelling bij de rat is 25 ppm op basis van effecten in lever en schildklier bij
50 ppm. Toename van tumoren in schildklier en uterus worden pas gezien bij blootstelling aan 500 ppm.

De NOAEL voor chronische blootstelling bij de muis is 30 ppm op basis van levereffecten bij 1250 ppm. Lichte toename van tumorvorming in de eierstokken wordt eerst waargenomen bij 2500 ppm.

In alle gevallen is de toename van de tumorvorming een gevolg van hoge dosis toxicologie en na evaluatie niet relevant gebleken voor de lage doseringen waarop de risicobeoordeling voor de mens is gebaseerd.

 

b.      Niet meegenomen literatuur met betrekking tot effecten op het nageslacht

Bezwaarde stelt dat het CTB open literatuur met betrekking tot negatieve effecten op het nageslacht ten onrechte niet heeft meegenomen. Bezwaarde verwijst hierbij naar een database van de Canadese overheid. Deze informatie is voor het CTB – ondanks pogingen daartoe naar aanleiding van het door bezwaarde aangevoerde – niet toegankelijk gebleken. Een dergelijk niet toegankelijk systeem wordt dan ook niet tot de open literatuur gerekend.

 

Toch valt er het nodige te zeggen over het meenemen van effecten op het nageslacht. De monografie van thiacloprid bevat de vereiste studies met betrekking tot effecten op het nageslacht (2-generatie reproductie toxiciteit rat, ontwikkelingstoxiciteit rat en konijn). Daar thiacloprid een nieuwe actieve stof in gewasbeschermingsmiddelen is, mag worden verwacht dat de Canadese overheid over dezelfde rapporten beschikt, aangeleverd door de producent van thiacloprid.

 

In deze rapporten zijn effecten op het nageslacht beschreven op het nageslacht. Deze treden echter alleen op bij doseringen thiacloprid die toxisch zijn voor de ouderdieren. Daarom hoeven thiacloprid volgens EU-richtlijnen niet te worden geclassificeerd voor effecten op het nageslacht.

Conclusie: het tweede bezwaar is ongegrond.

 

 

Ad 3.    Milieu-effecten

a.      Zeer grote negatieve effecten op niet-doelwit arthropoden

De toelating van het insectenbestrijdingsmiddel Calyspo betreft toepassingen voor verscheidene gewassen in de niet-grondgebonden teelt onder glas. Een risico voor
niet-doelwitarthropoden kon niet worden uitgesloten, derhalve is er conform het beleid zoals dat is verwoord in de HTB een waarschuwingszin op het etiket opgenomen. Bezwaarde stelt dat deze zin “niet zal leiden tot voorkoming van de effecten op niet-doelwitarthropoden, aangezien toepassing van Calypso zonder meer tot gevolg heeft dat vele niet-schadelijke en nuttige organismen worden gedood”.

De HTB (Handleiding voor de Toelating van Bestrijdingsmiddelen) bepaalt over
niet-doelwit arthropoden:

 

“Indien het gaat om natuurlijke vijanden (‘beneficials’) in geďntegreerde teelten (o.a. kasteelten, fruitteelt, boomkwekerijgewassen) gelden andere criteria ‘in-field’. Effecten op beneficials groter dan of gelijk aan 30% in de eerste tier en groter dan of gelijk aan 25% voor hogere tiers zijn in dat geval niet acceptabel, ook al treedt er op korte termijn herstel op. Derhalve dient in dat geval een waarschuwingszin in het WG/GA opgenomen te worden. Deze  waarschuwingszin luidt als volgt: “Gevaarlijk voor niet-doelwit arthropoden (eventueel vermelden soort). Vermijd onnodige blootstelling.”

 

En dit is ook niet onlogisch; hierdoor kan enerzijds het risico voor (nuttige) niet-doelwit arthropoden worden beheerst door de teler en kan hij anderzijds een middel gebruiken als correctie-middel of om – zoals in dit geval – te kunnen beginnen met een (van arthropoden) schone kas.

 

Bij de teelt in kassen worden arthropoden zoveel mogelijk buiten de kas gehouden door de telers. De blootstelling aan het middel is daarom met name relevant voor arthropoden die door de telers zelf worden uitgezet voor geďntegreerde bestrijding van plaagorganismen. Door de waarschuwingszin op het etiket weet de teler dat hij het middel niet moet gebruiken nadat hij zijn eigen arthropoden heeft uitgezet, maar juist in de periode daarvoor. Het middel kan bijvoorbeeld gebruikt worden als ‘correctiemiddel’: de kas wordt ‘schoongemaakt’ aan het begin van de teelt en daarna worden natuurlijke vijanden ingezet voor bestrijding van plaagorganismen tijdens de teelt.

 

Uit het voorgaande volgt dat de waarschuwingszin dus wel voorkomt dat bij de toepassing van Calypso negatieve effecten op niet-doelwitarthropoden optreden, doordat:

-         een teler door de waarschuwingszin zal voorkomen dat hij zijn eigen plaagbestrijders doodspuit;

-         het daarnaast een (niet-grondgebonden) kas-teelt betreft, waarbij (de kans op) blootstelling aan het middel van niet-doelwitarthropoden van buiten de kas verwaarloosbaar.

 

b.      In het besluit staat dat de toepassingen niet voldoen, waartegenover een waarschuwingszin staat

De toepassingen voldoen niet aan de norm voor niet-doelwitarthropoden uit de Uniforme Beginselen. Dit betekent echter niet, dat Calypso niet toegelaten zou kunnen worden; doordat het niet-grondgebonden kasteelten betreft en door de waarschuwingszin,
zoals die is opgenomen, wordt voorkomen dat zich onaanvaardbare effecten op
niet-doelwit arthropoden voordoen.

 

Het derde bezwaar is derhalve ongegrond.

 

Ad 4.    Geen toepassing geďntegreerde bestrijding

Bezwaarde voert aan dat Calypso niet toegelaten had mogen worden, omdat er milieuvriendlijkere alternatieven zijn voor dit middel. 

 

Het CTB is echter – met de Adviescommissie voor het CTB – van mening dat artikel 5, tweede lid jo. artikel 3 Bestrijdingsmiddelenwet 1962 niet zover strekt dat een gewasbeschermingsmiddel niet toegelaten zou mogen worden in het geval er natuurlijke organismen voorhanden zijn ter bestrijding van dezelfde insecten als waarvoor ook het chemische gewasbeschermingsmiddel bestemd is.

 

Het onder Ad 3. aangevoerde brengt met zich mee dat door de wijze waarop het toelatingsbeleid in de HTB is ingericht, in de beoordeling van Calypso wel degelijk rekening is gehouden met een geďntegreerde teelt. Dit komt tot uiting in de waarschuwingszin die juist voor dit doel is opgenomen.

 

Waar bezwaarde stelt dat geďntegreerde bestrijding onmogelijk wordt gemaakt door toepassing van Calypso, miskent hij dat Calypso vrij snel afbreekt (de DT50-bodem bedraagt bijvoorbeeld 1, 3 dagen) en dat het daadwerkelijk geďntegreerd gebruik van Calypso met name een verantwoordelijkheid is van de telers. Mits juist en met mate toegepast verdraagt de toelating van Calypso zich wel degelijk met een geďntegreerde teelt.

 

Van strijd met de bepaling inzake de geďntegreerde bestrijding is derhalve geen sprake.

Het vierde bezwaar is derhalve ongegrond.

 

Naar aanleiding van de vraag van de Adviescommissie

In haar advies stelt de Adviescommissie de vraag of – gelet op het voorgenomen gebruik van het onderhavige middel ofwel als correctiemiddel in aanvulling op het gebruik van natuurlijke organismen, ofwel om bij aanvang van de teelt de kas op te schonen, niet een nadere uiteenzetting ten aanzien van de waarschuwingszin in de Gebruiksaanwijzing opgenomen had kunnen worden.

 

Het CTB is echter van mening dat de gebruikte waarschuwingszin op zichzelf voldoende duidelijk is om de (professionele) gebruiker in staat te stellen om binnen de geďntegreerde teelt op een verantwoorde wijze van het middel gebruik te maken.

 

Samenvattende: de geopperde bezwaren zijn naar mening van het CTB ongegrond.

Beslissing op

Bij heroverweging naar aanleiding van het bezwaarschrift ziet het CTB geen aanleiding het bestreden besluit te herroepen.

 

 

Een ieder wiens belang rechtstreeks bij dit besluit is betrokken, kan op grond van artikel 8 van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 tegen dit besluit binnen 6 weken na de dag van verzending van het besluit beroep instellen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA ‘s-Gravenhage. Het beroepschrift moet op grond van artikel 6:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zijn ondertekend en bevat tenminste de naam en adres van de indiener, de dagtekening, de omschrijving van het besluit waartegen het beroep is gericht, zo mogelijk een afschrift van dit besluit, de gronden waarop het beroepschrift rust. Van de indiener van het beroepschrift wordt griffierecht geheven door de griffier van het College. Nadere informatie over de hoogte van het griffierecht en de wijze van betalen wordt door de afdeling Griffie van het College verstrekt.

 

Wageningen, 25 februari 2005

HET COLLEGE VOOR DE TOELATING
  VAN   BESTRIJDINGSMIDDELEN,



                     (voorzitter)