MINISTERIE VAN LANDBOUW, NATUURBEHEER EN VISSERIJ

Toelatingsnummer 9635 N

DE MINISTER VAN LANDBOUW, NATUURBEHEER EN VISSERIJ,
in overeenstemming met
DE STAATSSECRETARIS VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT,
DE MINISTER VAN VOLKSHUISVESTING, RUIMTELIJKE ORDENING EN MILIEUBEHEER en
DE STAATSSECRETARIS VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID,

gelet op artikel 5 van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 (Stb. 228),

BESLUIT:

Enig artikel

Het besluit tot toelating van het middel UCB-METAM onder nr. 9635 N d.d. 9 maart 1987, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 3 maart 1993 wordt met ingang van 1 december 1995 gewijzigd als volgt:

In het gestelde onder § IV.2.e. wordt in plaats van “W.4.” gelezen: “W.5.”

De bijlage I (laatstelijk gewijzigd d.d. 3 maart 1993) van bovengenoemd besluit wordt op gronden als in bijlage II dezes vermeld, met ingang van 1 december 1995 vervangen door bijlage I dezes.

Een belanghebbende kan tegen dit besluit een met redenen omkleed bezwaarschrift indienen bij de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij. Als een bezwaarschrift wordt ingediend, moet dit binnen 6 weken na dagtekening van dit besluit worden verzonden naar: Het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, t.a.v. het Bureau bezwaarschriften en geschillen, Postbus 20401, 2500 EK 's-Gravenhage.

Wageningen, 12 mei 1995

DE MINISTER VAN LANDBOUW,
NATUURBEHEER EN VISSERIJ,
voor deze:
HET COLLEGE VOOR DE TOELATING VAN BESTRIJDINGSMIDDELEN,

(voorzitter)

Aan:

UCB N.V.
LOUIZALAAN 326 - BUS 7
B-1050 BRUSSEL
BELGIE

MINISTERIE VAN LANDBOUW, NATUURBEHEER EN VISSERIJ

BIJLAGE I bij het toelatingsbesluit van het middel UCB-METAM,

toelatingsnummer 9635 N

A.

WETTELIJK GEBRUIKSVOORSCHRIFT

Toegestaan is uitsluitend het gebruik

I.

Als grondontsmettingsmiddel ter bestrijding van aaltjes ten behoeve van de teelt in de vollegrond van:

a.

consumptieaardappelen, fabrieksaardappelen en pootaardappelen, met dien verstande dat toepassing in een kalenderjaar waarin op de betreffende grond aardappelen worden geteeld niet mag geschieden voor de aanvang van die teelt;

b.

suikerbieten en voederbieten;

c.

aardbeien;

d.

zaaiuien, 1e-jaars plantuien, 2e-jaars plantuien, zilveruien, picklers en sjalotten;

e.

vaste planten.

II.

Als grondontsmettingsmiddel ter bestrijding van aaltjes en schimmels ten behoeve van de teelt in de vollegrond van:

a.

groenten;

b.

bloembollen en bolbloemen;

c.

bloemisterijgewassen;

d.

boomkwekerijgewassen.

III.

Als grondontsmettingsmiddel in de vollegrond ter bestrijding van knolcyperus.

IV.

Als grondontsmettingsmiddel ten behoeve van de herinplant van boomgaarden.

Bij de onder I t/m IV genoemde toepassingen is gebruik in de vollegrond slechts toegestaan in de periode van 16 maart tot en met 15 november, tenzij de toepassing geschiedt ten behoeve van een op die toepassing direkt volgende teelt van boomkwekerijgewassen, lelies, gladiolen, Canna, Eremurus, Liatris, Montbretia, Nerine, Paeonia, Ranunculus, Trigidia of een herinplant van boomgaarden.

De doseringen zoals aangegeven onder ‘B. GEBRUIKSAANWIJZING’ mogen niet worden overschreden.

I.

Toepassing in de vollegrond

Het middel alleen toepassen met daartoe bestemde injectie-apparatuur.

De injectie-apparatuur moet voorzien zijn van lekvrije doppen, b.v. roestvrijstalen antidrup-doppen of een systeem t.b.v. onderzoeksdoeleinden dat het nadruppen van de spuitdoppen voorkomt door middel van het met perslucht doorblazen van vloeistofleidingen voor het lichten van de scharen (bijv. systeem ”Hartenhof”). De apparatuur laden met een lekvrij systeem (onder- of overdrukpomp). Bij het begin van een werkgang dienen eerst de injectiedoppen in de grond geplaats te worden; pas daaarna mag de afgifte worden ingeschakeld.
Het middel op tenminste 10 cm diepte inbrengen.

De afgifte dient tenminste 1 meter voordat de injectiedoppen uit de grond worden gelicht, gestopt te worden.

Na injectie van het middel de grond onmiddellijk aanrollen.

Tijdens alle werkzaamheden ten behoeve van de grondontsmetting en het uitvoeren van de eerste grondbewerking na ontsmetting waarbij huidcontact met het middel kan optreden, doelmatige huidbeschermende kleding, handschoenen met lange schachten en rubberen laarzen dragen.
Verontreinigde kledingstukken onmiddellijk uittrekken.
Handschoenen en laarzen die in contact zijn geweest met het middel altijd direct met veel water wassen.
Handschoenen buiten de cabine opbergen.

Bij het gereedmaken van de toedieningsapparatuur, het verhelpen van storingen en het inwendig schoonmaken van de apparatuur een volgelaatsmasker dragen met B2-P3-filter, bij voorkeur voorzien van een aanblaaseenheid. Het filter tijdig maar niet later dan 1 maand na ingebruikname vervangen. Indien het filter als gevolg van een calamiteit aan hoge concentraties van het middel in de lucht heeft blootgestaan, deze dan direkt vervangen.

B.

GEBRUIKSAANWIJZING

Algemeen

Grondontsmettingsmiddel ter bestrijding van aaltjes, schimmels en knolcyperus. De grond moet voor of tijdens de behandeling zaai- of plantklaar worden gemaakt en moet dus de daarvoor geschikte vochtigheid bezitten; ze moet echter vooral niet te nat zijn.
Het middel bij voorkeur toepassen bij een bodemtemperatuur (gemeten op 15 cm diepte) tussen ongeveer 7 en 16 ºC. Hoe lager de bodemtemperatuur des te langer het middel in de grond aanwezig blijft en des te groter de kans op schade door het middel is. Voor toepassing in de vollegrond geldt een ‘gesloten-periode’, waarin geen grondontsmetting mag worden uitgevoerd.
Het middel onverdund toepassen.
De grond na de behandeling 1 tot 3 weken ongestoord laten liggen. Om resten van het middel sneller te laten verdwijnen de grond vervolgens los maken.
Alvorens te planten of te zaaien na de besmetting een wachtperiode in acht nemen van 3 tot 6 weken.
Onder ongunstige omstandigheden (b.v. hoog vochtgehalte van de grond, lage temperatuur. sterk absorberende grondsoort kan deze periode veel langer zijn. Het einde van de wachtperiode kan worden vastgesteld met behulp van de tuinkerstest.

Toepassingen

Consumptieaardappelen, fabrieksaardappelen en pootaardappelen, ter bestrijding van aardappelcysteaaltjes (Globodera rostochiensis, Globodera pallida), wortelknobbelaaltjes (Meloidogyne spp), stengelaaltjes (Ditylenchus dipsaci), vrijlevende wortelaaltjes (Trichodoridae) en wortellesieaaltjes (Pratylenchus penetrans).
Dosering: 300 liter per ha

Suikerbieten en voederbieten, ter bestrijding van bietecysteaaltjes (wit bietecysteaaltje Heterodera schachtii en geel bietecysteaaltje Heterodera trifolii f.sp. betae), wortelknobbelaaltjes (Meloidogny spp), stengelaaltjes (Ditylenchus dipsaci) en vrijlevende wortelaaltjes (Trichodoridae).
Dosering: 300 liter per ha.

Aardbeien in de vollegrond, ter bestrijding van wortellesieaaltjes (Pratylenchus penetrans) en vrijlevende wortelaaltjes (Trichodoridae) ter voorkoming van zwart wortelrot.
Dosering:6-7,5 liter per are.

Groenteteelt in de vollegrond, ter bestrijding van wortellesieaaltjes (Pratylenchus penetrans), vrijlevende wortelaaltjes (Trichodoridae), wortelknobbelaaltjes (Meloidogyne spp), peenmoeheid en zgn. sigaartjes (veroorzaakt door vrijlevende wortelaaltjes (Trichodoridae), bij schorseneren.
Dosering: 6-7,5 liter per are.

Zaaiuien, 1e-jaars plantuien, 2e-jaars plantuien, zilveruien, picklers en sjalotten, ter bestrijding van wortelknobbelaaltjes (Meloidogyne spp), stengelaaltjes (kroef) (Ditylenchus dipsaci), vrijlevende wortelaaltjes (Trichodoridae), en wortellesieaaltjes (Pratylenchus penetrans)

Dosering: 300 liter per ha.

Vaste planten in de vollegrond, ter bestrijding van door wortellesieaaltjes (Pratylenchus penetrans) en vrijlevende wortelaaltjes (Trichodoridae) veroorzaakt wortelrot bij Convallaria, Dianthus barbatus, Doronicum, Iberis, Pyrethrum, Trollius en Viola.

Dosering: 6-7,5 liter per are

Bloembollenteelt en bolbloementeelt, ter bestrijding van schimmels, wortellesieaaltjes (Pratylenchus penetrans) en vrijlevende wortelaaltjes (Trichodoridae) ten behoeve van de teelt van onder andere hyacint, tulp, iris, gladiool, lelies en krokus ter voorkoming van wortelrot en virusoverbrenging.

Bij het zgn. ‘van de wortel gaan’ bij hyacinten en irissen is in aansluiting op de grondontsmetting een aanvullende behandeling met formaline nodig volgens het hiervoor geldende advies. De bollen dienen vóór het planten op de gebruikelijke wijze te worden ontsmet.

Dosering: 6-7,5 liter per are

Voor de bestrijding van droogrot (Stromatinia) bij kleinbloemige gladiolen 10 liter per are, en bij grootbloemige gladiolen 7,5 liter per are toepassen.

Bloemisterijgewassen in de vollegrond, ter bestrijding van wortellesieaaltjes (Pratylenchus penetrans), vrijlevende wortelaaltjes (Trichodoridae) en enkele door schimmels veroorzaakte bodemziekten en omvalziekte bij kiemplanten (o.a. Pythium).
Dosering: 6-7,5 liter per are

Boomkwekerijgewassen in de vollegrond, ter bestrijding van door wortellesieaaltjes (Pratylenchus penetrans) en andere vrijlevende aaltjes (Trichodoridae) en/of schimmels veroorzaakte ziekteverschijnselen als ‘bodemmoeheid’ en omvalziekten op zaaibedden.

Dosering: 6-7,5 liter per are.

Bestrijding van knolcyperus

Toepassen als grondontsmettingsmiddel, dus op dezelfde wijze als voor bestrijding van aaltjes en schimmels is aangegeven.

Dosering: 7 liter per are.

Aanvullende bestrijding (pleksgewijs) met een daartoe geschikt onkruidbestrijdingsmiddel zal veelal noodzakelijk zijn.

Herinplant van boomgaarden, ter bestrijding van bodemmoeheid veroorzaakt door wortellesieaaltjes (Pratylenchus penetrans), al of niet samen met schimmels.
Dosering:6-7,5 liter per are.

Wageningen, 12 mei 1995

DE MINISTER VAN LANDBOUW,
NATUURBEHEER EN VISSERIJ,
voor deze:
HET COLLEGE VOOR DE TOELATING VAN BESTRIJDINGSMIDDELEN,


(voorzitter)

MINISTERIE VAN LANDBOUW, NATUURBEHEER EN VISSERIJ

BIJLAGE II bij het toelatingsbesluit van het middel UCB-METAM,

toelatingsnummer 9635 N

Bij brief d.d. 22 november 1994 (94/4463) heeft het College het voornemen kenbaar gemaakt het wettelijk gebruiksvoorschrift en de gebruiksaanwijzing van het onderhavige middel op zo kort mogelijk termijn aan te passen m.b.t. de volgende aspecten:

- beëindigen van de toepassing onder glas als grondontsmettingsmiddel en

onkruidbestrijdingsmiddel;

- beëindigen van de toepassing als onkruidbestrijdingsmiddel;

- beëindigen van de toepassing met folie en derhalve het beperken van het gebruik als

grondontsmettingsmiddel in de vollegrond tot aanrollen na injectie;

- voorschrijven van dezelfde beschermingsmaatregelen voor degene die de eerste

grondbewerking uitvoert als reeds voorgeschreven zijn voor degene die de ontsmetting

uitvoert.

Ter toelichting werd het volgende gesteld:

Als voorwaarde voor verlenging na 1 december 1993 werden gegevens gevraagd m.b.t. de blootstelling van de toepasser, alsmede met betrekking tot effectiviteit ter bestrijding van Fusarium en droogrot in gladiool en effectiviteit in de onkruidbestrijding.

Wegens het niet leveren van het volgende als voorwaarde voor verlenging gevraagde gegeven werd u bij brief d.d. 25 november 1993 (93/4028) het voornemen van het College kenbaar gemaakt om de onderhavige toelating te beëindigen per 1 december 1994. Het betrof het volgende gegeven:

- Rapportage van onderzoek naar de dermale en inhalatoire blootstelling aan metam-

natrium en methylisothiocyanaat (MIT) van degene die het middel toepast, van degene die

de eventuele (gasdichte) folie verwijdert, van degene die de eerste grondbewerking na

toepassing uitvoert, en van de luchtconcentratie op regelmatige tijdstippen tijdens de

zogenoemde wachtperiode; het onderzoek dient uitgevoerd te worden in representatieve

Nederlandse praktijksituaties met inachtneming van beginselen van GLP.

De geleverde effectiviteitsgegevens werden als volledig beschouwd, maar waren ten tijde van de besluitvorming in 1993 nog niet geëvalueerd.

Door UCB werd bij brief d.d. 22 augustus 1994 -mede ten behoeve van de toelatingen LUXAN MONAM GECONC. (6443 N), TRIMATON GC (6630 N), AAMONAM GC (6211 N) en BASF MONAM CONC. (6321 N)- een aantal gegevens aan het College overgelegd.

Algemene toxicologie

Een rapport is geleverd van een nieuwe 2-generatie reproductie studie met metam-natrium via de orale route (drinkwater) bij de rat.

De studie is samengevat en geëvalueerd. De NOEL is 5 mg/kg lg/d. Bij de naast hogere dosering (ca 15 mg/kg lg/d) was de groei van de ouderdieren vertraagd. Er werden geen effecten op de reproductie waargenomen. Dit resultaat heeft geen consequenties voor de arbeidstoxicologische risico-evaluatie, daar deze reeds is gebaseerd op een "overall" NOEL van 5 mg/kg lg/d uit ander onderzoek met metam-natrium (semi-chronisch oraal rat, bij 25 mg/kg lg/d (=LED) verminderde voedselopname, anemie).

Blootstellingsonderzoek

Geleverd werden de volgende rapporten m.b.t. blootstelling:

- Blootstelling van de toepasser aan methylisothiocyanaat tijdens de grondontsmetting van

bloembollenpercelen met metam-natrium. L.O.O rapport nr. 82, maart 1993.

- Schatting van de blootstelling aan MIT in de vollegronds tuinbouw en de aardappelteelt.

Extrapolatie van de blootstellingsmetingen in de bollenteelt. januari 1994.

- Blootstelling van de toepasser aan methylisothiocyanaat tijdens de grondontsmetting met

metam-natrium in het fabrieksaardappelgebied. HLB rapport nr 9410, mei 1994.

- Notitie m.b.t. het (niet) uitvoeren van meting van de dermale blootstelling aan metam-

natrium en het niet zinnig zijn van meting van de inhalatoire blootstelling aan metam-

natrium.

Nagegaan is in hoeverre de als voorwaarde voor verlenging gestelde vraag hiermee beantwoord is.

a: toepassingen

Gevraagd is onderzoek in representatieve Nederlandse praktijkomstandigheden.

Het wettelijk gebruiksvoorschrift kent twee soorten toepassingen: volvelds en onder glas.

Bij volveldse toepassingen dient de grond na het injecteren te worden afgedekt met (gasdicht) folie of te worden aangerold. In de teelt van bloembollen en aardappelen wordt uitsluitend gerold, in de groenteteelt komt waarschijnlijk afdekken met folie nog voor op kleine percelen.

Bij toepassingen onder glas dient de grond na injectie te worden afgedekt met (gasdicht) folie.

Het ingediende onderzoek heeft uitsluitend betrekking op volveldse toepassingen waarbij de grond na injectie wordt aangerold.

Er zijn geen gegevens geleverd voor toepassingen onder glas; er zijn geen gegevens geleverd voor toepassingen met afdekking d.m.v. folie.

b: metingen en meetmomenten

Gevraagd is rapportage van onderzoek naar de dermale en inhalatoire blootstelling aan metam-natrium en methylisothiocyanaat van degene die het middel toepast, van degene die de eventuele (gasdichte) folie verwijdert, van degene die de eerste grondbewerking na toepassing uitvoert, en van de luchtconcentratie op regelmatige tijdstippen tijdens de zogenaamde wachtperiode.

Geleverd zijn gegevens m.b.t. de inhalatoire blootstelling aan MIT tijdens het toepassen.

Er zijn geen gegevens geleverd over de blootstelling bij toepassingen met folie; derhalve is over de blootstelling van degene die het folie verwijdert niets bekend.

Er zijn geen gegevens geleverd over de luchtconcentratie van MIT tijdens de wachtperiode.

Er zijn geen gegevens geleverd over de blootstelling van degene die de eerste grondbehandeling na ontsmetting uitvoert.

Er zijn geen gegevens geleverd over de dermale blootstelling.

c: Kwaliteit van het onderzoek

Gevraagd is het onderzoek uit te voeren met inachtneming van de beginselen van GLP.

De analyses van MIT in het monstermateriaal zijn onder GLP uitgevoerd, het veldonderzoek niet. Aangezien de opzet, uitvoering en rapportage van de experimenten zorgvuldig is, kan hiermede akkoord gegaan worden.

De nieuwe gegevens m.b.t. blootstelling van de toepasser van metam-natrium zijn samengevat en geëvalueerd. De conclusies worden hiervolgend in beknopte vorm weergegeven.

Toepassing van metam-natrium vindt plaats als grondontsmetting d.m.v. injectie in de grond met speciale apparatuur. In de grond ontleedt metam-natrium tot o.a. het gasvormige methylisothiocyanaat (MIT). Deze laatste verbinding is verantwoordelijk voor de ontsmettende werking.

Blootstelling aan metam-natrium kan plaatsvinden tijdens mengen/laden van de injectieapparatuur, tijdens toepassen m.n. op de kopakkers als de injecteur uit de grond wordt gehaald en tijdens het verhelpen van storingen.

Blootstelling aan MIT kan plaatsvinden tijdens toepassen, m.n. tijdens verhelpen van storingen, bij het betreden van een recent behandeld perceel, bij het verwijderen van de (gasdichte) folie en bij het bewerken van de grond na de wachtperiode.

De gezondheidskundig toelaatbaar geachte blootstelling aan metam-natrium bedraagt 2,6 mg/d voor zowel de dermale als de inhalatoire route.

O.b.v. de geleverde onderzoeken in de teelt van bollen en fabrieksaardappelen kan geconcludeerd worden tot een potentiële dermale blootstelling van maximaal 15 mg/d zonder gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen. De inhalatoire blootstelling aan metam-natrium wordt verwaarloosbaar geacht.

De gezondheidskundig toelaatbaar geachte blootstelling aan methylisothiocyanaat bedraagt 1,6 mg/d via de inhalatoire route.

O.b.v. de geleverde onderzoeken wordt een 90-percentielwaarde voor de inhalatoire blootstelling aan methylisothiocyanaat van 1,5 mg/d voor de bollen- en aardappelteelt gezamenlijk berekend. De 90-percentielwaarden in de bollenteelt liggen op 1,42 mg/d, in de aardappelteelt op 4,78 mg/d. Ook deze getallen geven de blootstelling weer zonder gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen.

Bij deze berekeningen zijn ook de waarden meegenomen van enkele metingen waarbij door slordig werken de concentratie MIT in de gesloten cabine veel hoger was dan in de buitenlucht (meenemen van vervuilde handschoenen in de cabine, hoewel het wettelijk gebruiksvoor-schrift/gebruiksaanwijzing dit uitdrukkelijk verbiedt; meenemen van behandelde grond aan de vervuilde kleding en laarzen in de cabine na een volveldse reparatie). Overigens blijkt over het algemeen de concentratie MIT in de trekkercabines ca 5x hoger te zijn dan buiten de cabines. Ook bij normale zorgvuldigheid komt kennelijk nog metam-natrium en/of MIT via verontreinigde kleding en schoeisel in de cabine.

De potentiele blootstelling tijdens de wachtperiode of de eerste grondbewerking na de wachtperiode kan niet bepaald worden, aangezien de gegevens over de luchtconcentraties niet bekend zijn en er geen metingen zijn gedaan tijdens de eerste grondbewerking. Bij de eerste bewerking in de bollenteelt, die 's zomers plaatsvindt, is naar verwachting nog slechts weinig MIT in de grond aanwezig en zal de blootstelling naar verwachting onder de gezondheidskundig toelaatbaar geachte blootstelling blijven. De eerste grondbewerking in de aardappelteelt vindt in het late najaar plaats. Bekend is dat dan nog enige tientallen procenten MIT in de grond aanwezig kunnen zijn.

Er van uitgaande dat het resterende materiaal MIT is en in zijn geheel vrij komt en als gevolg van het betrekkelijk hoge soortelijk gewicht enige tijd in de zone tot 2-3 m boven het veld aanwezig zal zijn, is de potentiele blootstelling aan MIT niet te verwaarlozen. Onbeschermd uitvoeren van de eerste grondbewerking kan leiden tot schadelijke nevenwerkingen.

Mede gezien de bekende irriterende eigenschappen van metam-natrium en MIT wordt vooralsnog geen aanleiding gezien de veiligheidsvoorschriften op het etiket te verlichten.

Dermale blootstelling aan metam-natrium is in beide onderzoeken niet gemeten. De redenen hiervoor zijn vooral van technische aard en weergegeven in een notitie van toelatinghouders d.d. 19 januari 1994. Er is geen gevalideerde analysemethode en er is te weinig bekend van de omzetting van metam-natrium op de huid. Daarnaast achten de toelatinghouders het risico van dermale blootstelling verwaarloosbaar gezien de uitgebreide veiligheidsvoorschriften in het wettelijk gebruiksvoorschrift/gebruiksaanwijzing.

Deze notitie is een neerslag van eerdere dicussies tussen toelatinghouders en ACCA-TNO over dit onderwerp. De eindconclusie is dat nadere studies m.b.t. dermale blootstelling niet geïndiceerd lijken en dat de huidige veiligheidsvoorschriften een afdoende bescherming bieden.

De ingediende modelmatige schatting van de blootstelling aan MIT in de vollegronds tuinbouw en de aardappelteelt lijkt niet bruikbaar, daar deze resulteert in aanmerklijk lagere (geschatte) blootstellingen dan de gemeten blootstellingen in beide veldonderzoeken.

Resumerend kan het volgende gesteld worden :

- De inhalatoire blootstelling aan metam-natrium en MIT tijdens de toepassing in de

aardappel- en bollenteelt met injectie en aanrollen na injectie leidt met de huidige

voorgeschreven beschermingsmaatregelen niet tot schadelijke nevenwerkingen; deze

conclusie kan - gelet op de vergelijkbare omstandigheden - ook gelden voor de overige

toepassingen als ontsmettingsmiddel in de vollegrond en als onkruidbestrijding in de volle-

grond;

- Er zijn geen gegevens geleverd over de dermale blootstelling, maar deze worden - gelet

op de huidige doseringswijze en de geldende veilgheidsvoorschriften - niet nodig geacht;

- Er zijn geen gegevens geleverd over de blootstelling onder glas;

- Er zijn geen gegevens geleverd over toepassing met folie;

- Er zijn geen gegevens geleverd over de concentratie MIT tijdens de wachtperiode na

toepassen, tijdens verwijderen van de (eventuele) folie en tijdens de eerste

grondbewerking na de toepassing; de blootstelling van de arbeider kan niet berekend

worden. Het is niet uit te sluiten, dat - vooral bij ontsmetting in de koudere periode - nog

relatief grote hoeveelheden MIT in de grond aanwezig zijn en dat met name bij het

verwijderen van de folie en de eerste grondbewerking een grote blootstelling plaatsvindt.

Aangezien niet is vastgesteld dat het bestrijdingsmiddel en zijn omzettingsprodukten, wanneer het overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens de Bestrijdingsmiddelenwet wordt gebruikt,

- geenschadelijke uitwerking heeft op de gezondheid van de mens, hetzij direct, hetzij indirect,

- de gezondheid niet schaadt of de veiligheid niet in gevaar brengt van degene die het middel toepast,

- de gezondheid niet schaadt of de veiligheid niet in gevaar brengt van diegenen, die na

toepassing van het middel door het verrichten van werkzaamheden daarmee of met de

residuen daarvan in aanraking komen, bestond het voornemen de toepassing onder glas en de toepassing met folie te beëindigen. Voor toepassing bij de eerste grondbewerking na het injecteren dienen beschermingsmaatregelen te worden voorgeschreven.

Deugdelijkheid

Op basis van de evaluatie van de verschafte gegevens m.b.t. deugdelijkheid (onkruidbestrij-dingsmiddel en effectiviteit droogrotbestrijding) wordt het volgende geconcludeerd:

- dat er onvoldoende gegevens zijn om de doseringsverlaging ter bestrijding van Fusarium

in kleinbloemige gladiool te onderbouwen. Uitvoering en rapportage van drie bruikbare

proeven wordt als aanvulling noodzakelijk geacht.

- dat de middelen in de verlaagde dosering deugdelijk zijn ter bestrijding van droogrot in

gladiool;

- dat de middelen niet deugdelijk zijn als onkruidbestrijdingsmiddel bij toepassing conform

de huidige voorgeschreven werkwijze.

Als ingangsdatum werd 1 juni 1995 voorgesteld. Op die datum dienen tevens de etiketten aangepast te zijn.

Bij brief d.d. 22 november 1994 werd de toelatinghouder met betrekking tot het voornemen in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze kenbaar te maken.

UCB deelt bij brief d.d. 23 december 1994 -mede namens BASF, Elf Atochem en Luxan- mede dat men de door het College voorgestelde aanpassing van het wettelijk gebruiksvoor-schrift/gebruiksaanwijzing aanvaardt.

Tevens verzoekt men de datum van ingang van deze etiketswijziging te stellen op 1 juni 1996 (het voorstel was 1 juni 1995). Dit om de betreffende telers de gelegenheid te geven maatregelen te treffen en/of hun bedrijfsvoering aan te passen.

Aangezien niet is vastgesteld dat het bestrijdingsmiddel en zijn omzettingsprodukten, wanneer het overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens de Bestrijdingsmiddelenwet wordt gebruikt,

- als onkruidbestrijdingsmiddel voldoende werkzaam is,

- de gezondheid niet schaadt of de veiligheid niet in gevaar brengt van degene die het middel toepast,

- de gezondheid niet schaadt of de veiligheid niet in gevaar brengt van diegenen, die na

toepassing van het middel door het verrichten van werkzaamheden daarmee of met de

residuen daarvan in aanraking komen, is het College van mening dat de toepassing onder glas, de toepassing met afdekking d.m.v. folie, alsmede de toepassing als onkruidbestrijdingsmiddel op zo kort mogelijke termijn beëindigd dienen te worden. Tevens dienen voor de toepassing bij de eerste grondbewerking na het injecteren beschermingsmaatregelen te worden voorgeschreven. Als ingangsdatum wordt 1 september 1995 vastgesteld.

Gelet op het feit dat de datum van 1 september 1995 midden in het toepassingsseizoen valt, verzoeken de toelatinghouders deze datum te heroverwegen en in te laten gaan na het toepassingseizoen 1995, i.c. 1 december 1995. Slechts op deze wijze wordt een correcte doorvoering van de etiketswijzging mogelijk geacht.

Teneinde een redelijke overgangstermijn te bereiken tussen de datum van de beslissing en de datum van aanpassing van het wettelijk gebruiksvoorschrift/gebruiksaanwijzing -en rekening houdend met het toepassingsseizoen- wordt besloten als ingangsdatum 1 december 1995 vast te stellen. Op deze datum dienen tevens de etiketten aangepast te zijn.

Wageningen, 12 mei 1995

DE MINISTER VAN LANDBOUW,
NATUURBEHEER EN VISSERIJ,
voor deze:
HET COLLEGE VOOR DE TOELATING VAN BESTRIJDINGSMIDDELEN,


(voorzitter)