Toelatingsnummer 13135 N

Force  

 

13135 N

 

 

 

 

 

 

 

 

HET COLLEGE VOOR DE TOELATING VAN

GEWASBESCHERMINGSMIDDELEN EN BIOCIDEN

 

1 UITBREIDING TOELATING

 

Gelet op de aanvraag d.d. 8 september 2008 (20080790 XU) van

 

Syngenta Crop Protection B.V.

Jacob Obrechtlaan 3 a

4611 AP  BERGEN OP ZOOM

 

 

tot uitbreiding van de gebruiksdoeleinden van de toelating voor het gewasbeschermingsmiddel, op basis van de werkzame stof tefluthrin

 

Force

 

gelet op artikel 121, eerste lid, jo. artikel 23, eerste lid, Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden,

 

BESLUIT HET COLLEGE als volgt:

 

Dit besluit is per 10 december 2008 van kracht.

 

1.1  Uitbreiding

1.      Het gebruiksgebied van het middel Force wordt met ingang van datum dezes uitgebreid met de toepassing op zaaizaad voor exportdoeleinden. Voor de gronden waarop dit besluit berust wordt verwezen naar bijlage II bij dit besluit.

2.      De toelating geldt tot 1 januari 2019.

 

1.2  Samenstelling, vorm en verpakking

De toelating geldt uitsluitend voor het middel in de samenstelling, vorm en de verpakking als waarvoor de toelating is verleend.

 

1.3  Gebruik

Het middel mag slechts worden gebruikt met inachtneming van hetgeen in bijlage I onder A bij dit besluit is voorgeschreven.

 


1.4 Classificatie en etikettering

 

Gelet op artikel 29, eerste lid, sub d, Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden,

 

1.    De aanduidingen, welke ingevolge artikel 36 van de Wet milieugevaarlijke stoffen en artikelen 14, 15a, 15b, 15c en 15e van de Nadere regels verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen en preparaten op de verpakking moeten worden vermeld, worden hierbij vastgesteld als volgt:

 

aard van het preparaat: Suspensie concentraat voor zaadbehandeling

 

werkzame stof:

gehalte:

tefluthrin

200 g/l

 

 

 

letterlijk en zonder enige aanvulling:

 

andere zeer giftige, giftige, bijtende of schadelijke stof(fen):  

-

 

gevaarsymbool:

aanduiding:

Xi

Irriterend

N

Milieugevaarlijk

 

 

Waarschuwingszinnen: 

 

Kan overgevoeligheid veroorzaken bij contact met de huid.

Zeer vergiftig voor in het water levende organismen; kan in het aquatisch milieu op lange termijn schadelijke effecten veroorzaken.

Dampen kunnen slaperigheid en duizeligheid veroorzaken.

 

 

Veiligheidsaanbevelingen:

 

Niet roken tijdens gebruik.

Draag geschikte beschermende kleding, handschoenen en een beschermingsmiddel voor het gezicht.

Draag geschikte handschoenen bij hanteren van behandeld zaaizaad.

Deze stof en de verpakking als gevaarlijk afval afvoeren. (Deze zin hoeft niet te worden vermeld op het etiket indien u deelneemt aan het verpakkingenconvenant, en op het etiket het STORL-vignet voert, en ingevolge dit convenant de toepasselijke zin uit de volgende verwijderingszinnen op het etiket vermeldt:

1)      Deze verpakking is bedrijfsafval, mits deze is schoongespoeld, zoals wettelijk is voorgeschreven.

2)      Deze verpakking is bedrijfsafval, nadat deze volledig is geleegd.

3)      Deze verpakking dient nadat deze volledig is geleegd te worden ingeleverd bij een KCA-depot. Informeer bij uw gemeente.)

Voorkom lozing in het milieu. Vraag om speciale instructies / veiligheidsgegevenskaart.

 


Specifieke vermeldingen:

 

Volg de gebruiksaanwijzing om gevaar voor mens en milieu te voorkomen.

 

2.    Behalve de onder 1. bedoelde en de overige bij de Wet Milieugevaarlijke Stoffen en Nadere regels verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen en preparaten voorge­schreven aanduidingen en vermeldingen moeten op de verpakking voorkomen:

 

a.       letterlijk en zonder enige aanvulling:
het wettelijk gebruiksvoorschrift
De tekst van het wettelijk gebruiksvoorschrift is opgenomen in Bijlage I, onder A.

 

b.      hetzij letterlijk, hetzij naar zakelijke inhoud:
de gebruiksaanwijzing
De tekst van de gebruiksaanwijzing is opgenomen in Bijlage I, onder B.
De tekst mag worden aangevuld met technische aanwijzingen voor een goede bestrijding mits deze niet met die tekst in strijd zijn
.

 

c.       bij het toelatingnummer een cirkel met daarin de aanduiding W.1.

 

2 DETAILS VAN DE AANVRAAG

 

2.1 Aanvraag

Het betreft een aanvraag tot uitbreiding van het gebruiksgebied van het middel Force
(13135 N), een middel op basis van de werkzame stof tefluthrin. Het middel is bij besluit van
17 december 2008 reeds toegelaten als
zaadbehandelingsmiddel in suiker- en voederbieten. Het middel is bij dit besluit toegelaten tot 1 januari 2019. Met onderliggende aanvraag wordt toelating als zaadbehandelingsmiddel voor zaaizaad bestemd voor exportdoeleinden gevraagd.

 

2.2 Informatie met betrekking tot de stof

Tefluthrin is een oude stof (lijst 3b) en nog niet geplaatst op Annex I van de Richtlijn 91/414/EEG). Er is een Draft Assessment Report beschikbaar van RMS Duitsland.

 

2.3 Karakterisering van het middel

Tefluthrin, de werkzame stof van Force, is een niet-systemisch pyrethroid bodeminsecticide.

De werking van pyrethroiden berust op het verstoren van de Na-kanalen in zenuwcelmembramen, waardoor de zenuwtransportfunctie verstoord wordt.

De pyrethroiden binden aan spanningsgevoelige natrium kanalen en veranderen de transport kinetiek van de zenuwcelmembramen. De prikkeldoorgifte wordt ontregeld,wat leidt tot ongecontroleerd stimulering van weefsel (spier, zenuw etc,) wat uiteindelijk leidt tot de dood van het insect.

Force is een breedwerkend insecticide dat belangrijke bodemplagen goed bestrijdt.

Na toepassing als zaadbehandeling, dringt de damp door in de bodem en penetreert de bodeminsecten, wat leidt tot de beëindiging van de voedselopname, en de dood van het insect. Door de sterke afwerende werking, biedt de werkzame stof extra bescherming aan de kiemplanten bij het begin van de groei.

 

2.4 Voorgeschiedenis

De aanvraag is op 31 oktober 2006 ontvangen; op 27 oktober 2006 zijn de verschuldigde aanvraagkosten ontvangen. Bij brief d.d. 5 november 2008 is de aanvraag in behandeling genomen.

 

3  RISICOBEOORDELINGEN

Het gebruikte toetsingskader voor de beoordeling van deze aanvraag is – met name – de Regeling Gewasbeschermingsmiddelen en Biociden (RGB).

 

3.1  Fysische en chemische eigenschappen

De aard en de hoeveelheid van de werkzame stoffen en de in toxicologisch en ecotoxicologisch opzicht belangrijke onzuiverheden in de werkzame stof en de hulpstoffen zijn bepaald. De identiteit van het middel is vastgesteld. De fysische en chemische eigenschappen van het middel zijn vastgesteld en voor juist gebruik en adequate opslag van het middel aanvaardbaar geacht (artikel 28, eerste lid, sub c en e, Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden).

 

3.2  Analysemethoden

De geleverde analysemethoden voldoen aan de vereisten. De residuen die het gevolg zijn van geoorloofd gebruik die in toxicologisch opzicht of vanuit milieu oogpunt van belang zijn, kunnen worden bepaald met algemeen gebruikte passende methoden (artikel 28, eerste lid, sub d, Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden).

De beoordeling van de evaluatie van de analysemethoden staat beschreven in Hoofdstuk 3, Methods of Analysis, in Bijlage II bij dit besluit.

 

3.3  Risico voor de mens

Ingevolge artikel 2:2, tweede lid kan de aanvrager er, indien het gaat om een gewasbeschermingsmiddel dat wordt toegepast op voor de export bestemd zaaizaad, voor wat betreft het risico voor de mens mee volstaan om een document te overleggen waaruit blijkt dat een risico-inventarisatie en –evaluatie is uitgevoerd die voldoet aan de vereisten van hoofdstuk 4, afdeling 1, paragrafen 2 en 3, onderscheidenlijk hoofdstuk 4, afdeling 9, paragrafen 2, 3 en 4, van het Arbeidsomstandighedenbesluit.


Indien hieruit naar voren komt dat de gebruiker voldoende doeltreffende maatregelen voor de bescherming van veiligheid en gezondheid van werkenden als bedoeld in hoofdstuk 4 van het Arbeidsomstandighedenbesluit heeft genomen, laat het College bijlage VI, deel I, onderdeel B, 2.4.1 bij richtlijn 91/414/EEG buiten toepassing.

Het Ctgb heeft geconstateerd dat dit het geval is.

 

Het middel voldoet dan ook aan de voorwaarde dat het, rekening houdend met alle normale omstandigheden waaronder het middel kan worden gebruikt en de gevolgen van het gebruik, geen directe of indirecte schadelijke uitwerking heeft op de gezondheid van de mens.

 

3.4  Risico voor het milieu

Ingevolge artikel 2:2, vierde lid Rgb kan de aanvrager er voor het aspect “risico voor het milieu” mee volstaan gegevens te overleggen die door de gebruiker zijn overgelegd voor het verkrijgen van:

a. een vergunning als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer of die zijn gehanteerd bij de toepassing van de in plaats van een vergunning ingevolge artikel 8.40 en 8.44 van de Wet milieubeheer bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur gestelde regels,

 b. een vergunning als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren of die zijn gehanteerd bij de toepassing van de in plaats van een vergunning ingevolge artikel 1, tweede lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur gestelde regels, en

 

het college van oordeel is dat deze gegevens voldoende zijn om met toepassing van artikel 28, eerste lid, onderdeel b, aanhef, van de wet tot een oordeel te komen over de gevolgen van het gewasbeschermingsmiddel als bedoeld in artikel 28, eerste lid, onderdeel b, onder 3 tot en met 5, van de wet.

 

Het College heeft geconstateerd dat dit het geval is.

Het middel voldoet daarmee aan de voorwaarde dat het, rekening houdend met alle normale omstandigheden waaronder het middel kan worden gebruikt en de gevolgen van het gebruik, geen voor het milieu onaanvaardbaar effect heeft.

 

3.5  Werkzaamheid

Aangezien de onderhavige aanvraag de uitbreiding van de toelating betreft met de toepassing op zaaizaad, bestemd voor door de export, blijft ingevolge het bepaalde in artikel 2:16, tweede lid het bepaalde in artikel 28, eerste lid, onderdeel b, onder 1° en 2° Wgb,  buiten toepassing; de aanvraag komt dan ook voor wat betreft het aspect werkzaamheid in aanmerking voor honorering.

 

3.6  Eindconclusie

Uit bovenstaande blijkt dat de uitbreiding voor de gevraagde doeleinden van het middel Force op basis van de werkzame stof tefluthrin, bij gebruik volgens het gewijzigde Wettelijk Gebruiksvoorschrift/Gebruiksaanwijzing, voldaan wordt aan de eisen die worden gesteld in artikel 2.2 van de RGB.

 

 

4 AFLEVER- EN/OF OPGEBRUIKTERMIJN 

 

Gezien de aard van wijziging worden geen restricties vastgesteld ten aanzien van het op de markt brengen, in voorraad houden, voorhanden hebben of gebruiken

van dit middel volgens niet conform dit besluit aangepaste verpakking en etikettering (Besluit bestuursreglement regeling gewasbeschermingsmiddelen en biociden Ctgb 2007, hoofdstuk 17)

 

 

Degene wiens belang rechtstreeks bij dit besluit is betrokken kan gelet op artikel 119, eerste lid, Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden en artikel 7:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, binnen zes weken na de dag waarop dit besluit bekend is gemaakt een bezwaarschrift indienen bij: het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb), Postbus 217, 6700 AE WAGENINGEN. Het Ctgb heeft niet de mogelijkheid van het elektronisch indienen van een bezwaarschrift opengesteld.

 

 

Wageningen, 17 december 2008

 

 

HET COLLEGE VOOR DE TOELATING VAN  GEWASBESCHERMINGSMIDDELEN EN  BIOCIDEN,





dr. D. K. J. Tommel

voorzitter

 

 



HET COLLEGE VOOR DE TOELATING VAN GEWASBESCHERMINGSMIDDELEN EN BIOCIDEN

 

BIJLAGE I bij het besluit d.d. 17 december 2008 tot uitbreiding van de toelating van het middel Force, toelatingnummer 13135 N

 

A.

WETTELIJK GEBRUIKSVOORSCHRIFT

 

Toegestaan is uitsluitend het gebruik als middel voor behandeling van:

1.      zaden van suikerbieten en voederbieten ter voorkoming van schade door insecten, waarbij geldt dat:

·         uitzaai van behandeld zaad alleen is toegelaten met behulp van precisiezaai van gepilleerd zaad, waarbij het behandelde zaad direct met grond bedekt wordt.

·         om de vogels en zoogdieren te beschermen het product volledig in de bodem moet worden ondergewerkt; zorg ervoor dat het product ook aan het voorend is ondergewerkt, en moet u gemorst product verwijderen.

·         resten van behandeld zaad nooit verspreid of vervoederd mogen worden aan dieren.

2.      behandeling van zaaizaden bestemd voor exportdoeleinden, waarbij geldt dat het middel uitsluitend mag worden toegepast door bedrijven, die in het bezit zijn van een risico-inventarisatie en –evaluatie zoals omschreven in het Arbeidsomstandighedenbesluit en een vergunning in het kader van de Wet milieubeheer en de Wet verontreiniging oppervlaktewateren.

 

Het middel is uitsluitend bestemd voor professioneel gebruik.

 

 

B.

GEBRUIKSAANWIJZING

 

Algemeen

Het middel uitsluitend toepassen via het coaten van zaden ter voorkoming van schade door insecten. Force is ondermeer werkzaam tegen bodeminsecten zoals ritnaalden en engerlingen en tegen wortelvlieg, uienvlieg en bonenvlieg.

 

Voor de toepassing op zaaizaad bestemd voor export is geen werkzaamheids- en fytotoxiciteitsonderzoek uitgevoerd.

 

Toepassingen

Suiker- en voederbieten, ter voorkoming van plantuitval door aantasting door bietenkevertjes (Atomaria linearis)

Dosering:

60 ml middel per 100.000 zaden

 

Het middel uitsluitend toepassen bij het pilleren van zaden van suikerbieten en voederbieten.

 

Zaaizaden bestemd voor exportdoeleinden

Te behandelen gewassen, toepassingen en doseringen zijn afhankelijk van het land van bestemming; de voorschriften van het betreffende land dienen in acht te worden genomen.

 

 



HET COLLEGE VOOR DE TOELATING VAN GEWASBESCHERMINGSMIDDELEN EN BIOCIDEN

 

BIJLAGE II bij het besluit d.d. 17 december 2008 tot uitbreiding van de toelating van het middel Force, toelatingnummer 13135 N

 

 

RISKMANAGEMENT

 

 

 

Contents                                                                                                     Page

 

 

1.   Identity of the plant protection product                                            2

 

2.   Physical and chemical properties                                                      3

 

3.   Methods of analysis                                                                             3

 

4.   Mammalian toxicology                                                                         4

 

5.   Residues                                                                                               5

 

6.   Environmental fate and behaviour and Ecotoxicology                  5

 

7.   Efficacy                                                                                                  6

 

8.   Conclusion                                                                                            6

 

9.   Classification and labelling                                                                6

 


1.         Identity of the plant protection product

 

1.1       Applicant

Syngenta Crop Protection B.V.

Jacob Obrechtlaan 3a

4600 AM  Bergen op Zoom

Nederland

 

1.2       Identity of the active substance

Common name

Tefluthrin

Name in Dutch

Tefluthrin

Chemical name

[IUPAC]

2,3,5,6-tetrafluoro-4-methylbenzyl (1RS,3RS)-3-[(Z)-2-chloro-3,3,3-trifluoroprop-1-enyl]-2,2-dimethylcyclopropanecarboxylate
or
2,3,5,6-tetrafluoro-4-methylbenzyl (1RS)-cis-3-[(Z)-2-chloro-3,3,3-trifluoroprop-1-enyl]-2,2-dimethylcyclopropanecarboxylate

CAS no

79538-32-2

EEG no

Not allocated

 

The active substance is not included in the Annex 1 list of Directive 91/414/EEC. A draft assessment report (DAR) of tefluthrin is available (RMS: Germany). NL has commented on the DAR; a reporting table is not yet available.

 

1.3       Identity of the plant protection product

Name

Force

Formulation type

CS *

Content active substance

200 g/L pure tefluthrin

* The codes CS and FS are both used for this application. For the risk assessment these codes are not considered vital information and are considered interchangeable.

 

The formulation is identical to that under assessment for the inclusion of the active substance  in Annex 1 of Directive 91/414/EEC.

 

1.4       Function

It concerns an insecticide for use on seed for sowing destined for export or transit.

 

1.5       Uses applied for

Extension of use is applied for the use as seed treatment on seeds intended for export.

Uses

Dose a.s.

(g a.s./ha)

Number of applications

Interval between applications

Application time (growth stage and season)

 

 

 

 

 

Seed intended for export.

n.a.

1

 

BBCH 00

 

1.6       Background to the application

The application concerns an extension request for authorisation for use on seed for sowing destined for export or transit . Product is already authorised as an insecticide used for seed treatment in sugar- and fodder beet.

 

1.7       Packaging details

Packaging details do not change

 

 

 

2.      Physical and chemical properties

 

The physical and chemical properties of the plant protection product remain unchanged.

 

 

3.      Methods of analysis

 

Description and data on the analytical methods is taken from the List of Endpoints (Volume 1, DAR, August 2006). Changes and/or additions are taken up in italics.

 

3.1.            Analytical methods in technical material and plant protection product

Technical as (principle of method)

GC/FID

Impurities in technical as (principle of method)

GC/FID

Preparation (principle of method)

GC/FID

 

Method SF-28/1 (HPLC-UV) for determination of tefluthrin in Force.

 

Conclusion

The analytical methods regarding the technical active ingredient and the formulation have been assessed in the DAR and are considered to be acceptable. In addition, the applicant has provided a second fully validated method for determination of the active substance in the formulation, which will replace the GC-FID method.

 

3.2       Residue analytical methods

Food/feed of plant origin (principle of method and LOQ for methods for monitoring purposes)

GC-MS            0.01 mg/kg (maize grain, maize straw, sugar beet roots, sugar beet leaves with tops, oranges, oil seed rape)

Confirmatory method: 3 mass fragments

ILV: yes

Food/feed of animal origin (principle of method and LOQ for methods for monitoring purposes)

Not required; no MRL proposed

Soil (principle of method and LOQ)

GC-MS            0.01 mg/kg
GC-ECD         0.05 mg/kg

Confirmatory method: GC-MS with 3 mass fragments

Water (principle of method and LOQ)

GC-MS            0.0002 µg/L (tap and surface water)

Confirmatory method: 3 mass fragments

Air (principle of method and LOQ)

GC-MS            0.15 µg/m3

Confirmatory method: 3 mass fragments

Body fluids and tissues (principle of method and LOQ)

GC-MS            0.002 mg/kg (tissue)
GC-ECD         0.005 mg/kg (tissue)

Confirmatory method: GC-MS with 3 mass fragments

 

GC-MS           0.05 mg/L (human and dog blood plasma)

Confirmatory method: 3 mass fragments

 

Based on the proposed use of the plant protection product analytical methods for determination of residues in food/feed of plant origin require specific validation for sugar beets (crop specific matrix).

 

The EU evaluation of the active substance includes residue analytical methodology for plant material and therefore the EU evaluation is adopted. Sugar beets are thoroughly processed and therefore no relevant residues are expected.

 

Definition of the residue and proposed MRL’s for tefluthrin

Matrix

Proposed definition of the residue for monitoring

Proposed MRL

Food/feed of plant origin

Tefluthrin

0.02 mg/kg (sugar beet)

Food/feed of animal origin

No definition of the residue is proposed. No relevant residues are expected to occur in food/feed of animal origin.

 

Required LOQ

Soil

Tefluthrin

0.05 mg/kg (default)

Drinking water

Tefluthrin

0.1 µg/L (Dutch drinking water guideline)

Surface water

Tefluthrin

0.1 µg/L

Air

Tefluthrin

0.45 µg/m3 (derived from the AOEL (0.0015 mg/kg bw/day) according to SANCO/825/00)

Body fluids and tissues

Tefluthrin

0.05 mg/l (blood)

0.1 mg/kg (tissues; meat or liver)

 

The residue analytical methods, included in the above mentioned List of Endpoints, are suitable for monitoring of the proposed MRL’s.

 

The residue analytical methods for water, soil and air, evaluated in the monograph, are acceptable and suitable for monitoring of residues in the environment.

 

Conclusion

The submitted analytical methods meet the requirements. The methods are specific and sufficiently sensitive to enable their use for enforcement of the MRL’s and for monitoring of residues in the environment.

 

3.3       Data requirements

None.

 

3.4       Physical-chemical classification and labelling

The labelling as presented in the decision for authorisation of December 24, 2008 does not change.

 

 

4.      Mammalian toxicology

 

The Plant Protection Products and Biocides Regulations (RGB) published in the Government Gazette (Staatscourant) 188 of 28 September 2007 came into effect on 17 October 2007, while repealing the Uniform Principles Decree on Plant Protection Products (BUBG) and the Regulation elaborating the uniform principles for plant protection products (RUUBG).

 

For applications for seed treatment formulations to be used on seed which will be exported, art. 2.2 of the RGB is relevant.

Art 2.2 states the applicant can waive the submission of a dossier according to Annex II and Annex III of Directive 91/414/EEC if the applicant provides a document showing that a risk inventarisation and evaluation has been performed according to the requirements of the Health and Safety Decree.

 

Applicant provided these documents for the seed treatment plants that will use the product.

 

Conclusion toxicology

No objection against authorisation of the plant protection product Force for the treatment of seed which will be exported.

 

Mammalian toxicology classification and labelling

The labelling as presented in the decision for authorisation of December 24, 2008 does not change.

 

 

5.      Residues

 

For an authorisation of the use on seed intended for export purposes residues are not reviewed. (art 2.16, paragraph 2, RGB).

 

 

6.                  Environmental fate and behaviour & ecotoxicology

6.1       Relevant legislation and evaluation

The Plant Protection Products and Biocides Regulations (RGB) published in the Government Gazette (Staatscourant) 188 of 28 September 2007 came into effect on 17 October 2007, while repealing the Uniform Principles Decree on Plant Protection Products (BUBG) and the Regulation elaborating the uniform principles for plant protection products (RUUBG).

 

For applications for seed treatment formulations as export uses art. 2.2 of the RGB is relevant.

Art 2.2 states that if environmental risks are expected these should be covered by the relevant environmental permits (in Dutch: Wet verontreiniging oppervlaktewateren (WVO) en Wet milieubeheer (Wmb)).

 

For the current application this means the following:

By letter of 8 September 2008 Syngenta provided the permit (Wmb) of the Gemeente Enkhuizen. Based on the prescriptions the environmental risks are expected to be covered.

Besides a letter of hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier was provided. In this letter it is stated that, due to the fact that no emissions to surface water from the location can occur, no permit (WVO) is needed. All treatment plants are situated in this area.

Based on the prescriptions the environmental risks of Force are expected to be covered.

 

Exposure during and after export is not considered by the RGB.

Classification and labelling for the environment

The labelling as presented in the decision for authorisation of December 24, 2008 does not change.

 

6.2  Overall conclusions fate and behaviour and ecotoxicology

  1. From the above, it can be concluded that from a environmental fate and behaviour and ecotoxicological viewpoint, the application can be granted.

 

 


 

7.      Efficacy

 

For an authorisation of the use on seed intended for export purposes efficacy is not reviewed. (art 2.16, lid 2, RGB).

 

In the GAP/instructions for use the following has to be stated:

In the instructions for use under “Algemeen”:

“Voor de toepassing op zaaizaad bestemd voor export is geen werkzaamheids- en fytotoxiciteitsonderzoek uitgevoerd.”

 

 

 

8.      Conclusion

 

The applications applied for of the Plant protection product Force, when used as decribed by the changed legal instructions, meet the criteria stated in article 2.2 of RGB.

 

 

9.         Classification and labelling

 

Proposal for the classification and labelling of the formulation

The labelling as presented in the decision for authorisation of December 24, 2008 does not change