MINISTERIE VAN LANDBOUW, NATUURBEHEER EN VISSERIJ

Toelatingsnummer 10211 N

DE MINISTER VAN LANDBOUW, NATUURBEHEER EN VISSERIJ,
in overeenstemming met
DE STAATSSECRETARIS VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT,
DE MINISTER VAN VOLKSHUISVESTING, RUIMTELIJKE ORDENING EN MILIEUBEHEER en
DE STAATSSECRETARIS VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID,

gelet op artikel 5 van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 (Stb. 228),

BESLUIT:

Enig artikel

Het besluit tot toelating van het middel SUMICIDIN SUPER onder nr. 10211 N d.d.
15 februari 1989, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 3 februari 1995 wordt, op gronden als in bijlage II dezes vermeld, met ingang van datum dezes gewijzigd als volgt:

In het gestelde onder § IV.2.e wordt in plaats van “W.5” gelezen: “W.6”.

De Bijlage 1 (laatstelijk gewijzigd d.d. 3 februari 1995) van bovengenoemd besluit wordt met ingang van heden vervangen door Bijlage 1 dezes.

Een belanghebbende kan tegen dit besluit een met redenen omkleed bezwaarschrift indienen bij de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij. Als een bezwaarschrift wordt ingediend, moet dit binnen 6 weken na dagtekening van dit besluit worden verzonden naar: Het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, t.a.v. het Bureau bezwaarschriften en geschillen, Postbus 20401, 2500 EK 's-Gravenhage.

Wageningen, 24 november 1995

DE MINISTER VAN LANDBOUW,
NATUURBEHEER EN VISSERIJ,
voor deze:
HET COLLEGE VOOR DE TOELATING VAN BESTRIJDINGSMIDDELEN,


(voorzitter)

Aan:

SUMITOMO EUROPE B.V.
WEENA-ZUID 108
3012 NC ROTTERDAM

MINISTERIE VAN LANDBOUW, NATUURBEHEER EN VISSERIJ

BIJLAGE I bij het toelatingsbesluit van het middel SUMICIDIN SUPER,

toelatingsnummer 10211 N

A.

WETTELIJK GEBRUIKSVOORSCHRIFT

Toegestaan is uitsluitend het gebruik als insektenbestrijdingsmiddel in de teelt van:

a. appels en peren;

b. aardappelen, granen, suiker- en voederbieten, erwten, stamslabonen, veldbonen, spruitkool, sluitkool, bloemkool, chinese kool, boerenkool, broccoli, koolrabi, uien en prei;

c. graszaad en graszoden alsmede in weiland en sportvelden met dien verstande dat:
1. in de grasteelt binnen 2 weken na behandeling geen gras mag worden gemaaid ten behoeve van voederdoeleinden;
2. weiland niet binnen 2 weken na behandeling mag worden beweid;
3. sportvelden niet binnen 5 dagen na behandeling mogen worden betreden;

d. bloembollen;

e. bloemisterijgewassen onder glas.

Veiligheidstermijnen:

De termijn tussen de laatste toepassing en de oogst mag niet korter zijn dan:

2 weken voor appels en peren;

7 dagen voor aardappelen;

7 dagen voor spruitkool, sluitkool, bloemkool, chinese kool, boerenkool, broccoli, koolrabi, uien en prei;

2 weken voor granen;

1 week voor erwten en veldbonen;

10 dagen voor stamslabonen.

B.

GEBRUIKSAANWIJZING

Attentie

Het middel is giftig voor vissen en andere waterorganismen, derhalve het middel zodanig toepassen dat het niet in het oppervlaktewater terecht kan komen.

Toepassingen

Appels en peren

Voor de bloei, ter bestrijding van rupsen van de wintervlinder, vruchtbladroller, heggebladroller, voorjaarsuil, spinselmot en wants; nevenwerking tegen bladluis (appelgrasluis en rose appelluis).

Zodra de bladluizen een sterke krulling van het blad veroorzaken is menging met een bladluisbestrijdingsmiddel noodzakelijk.

Kort na de bloei, ter bestrijding van dan nog voorkomende rupsen, alsmede wants, perebladvlo en bladluis (zie voor luis opmerking bij voor de bloei bespuiting). Met deze bespuiting wordt ook de 1e generatie van de bladmineerder bestreden.

Half juni, ter bestrijding van perebladvlo, rupsen van de 1e generatie vruchtbladroller, fruitmot, bladmineerders, appelglasvlinder en appelvouwmijnmot en bladluis (groene appeltakluis).

in juli en augustus, ter bestrijding van de perebladvlo, rupsen van de 2e generatie van de vruchtbladroller, bladmineerders, appelglasvlinder en appelvouwmijnmot en bladluis (groene appeltakluis).

Omdat het middel niet in het blad doordringt moet het worden toegepast voordat de eerste eieren van de bladmineerder uitkomen.

Dosering: 0,03% (30 ml per 100 liter water).

Aardappelen, ter bestrijding van de larven van de Coloradokever.

Het beste tijdstip voor een bestrijding is wanneer jonge larven op het gewas worden aangetroffen.

Dosering: 0,2 liter per ha.

Aardappelen, ter bestrijding van bladluizen ter voorkoming van zuigschade.

Een behandeling uitvoeren wanneer gemiddeld meer dan 50 bladluizen per samengesteld blad voorkomen.

Dosering: 0,2 liter per ha.

Pootaardappelen, ter voorkoming van overdracht door bladluizen van het bladrolvirus.

Toepassen zodra 90% van de planten is opgekomen.

De behandeling 14 dagen later herhalen.

Dosering: 0,2 liter per ha.

Pootaardappelen, ter voorkoming van overdracht door bladluizen van het Ynvirus.

Wekelijks toepassen vanaf de opkomst van het gewas tot één week voor de rooidatum.

Dosering:

0,2 liter per ha in combinatie met minerale olie.
Voor de dosering van de minerale olie raadplege men publicaties van o.a. de D.L.V.

Het middel dus uitsluitend toepassen in combinatie met minerale olie.

Granen, ter bestrijding van bladluizen.

Een bespuiting uitvoeren als tenminste 70% van de halmen met bladluizen is bezet.

Een gecombineerde bestrijding van bladluizen en afrijpingsziekten is verantwoord wanneer bij begin tenminste 30% van de halmen met bladluizen is bezet.

Dosering: 200 ml per ha.

Suiker- en voederbieten, ter bestrijding van rupsen van de aardappelstengelboorder.

In gebieden waar aantasting is te verwachten vanaf half mei een behandeling uitvoeren en deze maximaal 2x herhalen met een interval van 7 dagen.

Dosering: 0,5 liter per ha.

Suiker en voederbieten, ter bestrijding van trips.

Een behandeling uitvoeren zodra op de jonge plantjes trips wordt waargenomen.

Dosering: 0,2 liter per ha

Erwten en veldbonen, ter bestrijding van de bladrandkever.

Zodra vreterij van de bladrandkever aan de blaadjes van de jong planten wordt waargenomen een behandeling uitvoeren.

Dosering: 0,2 liter per ha.

Erwten, ter bestrijding van trips.

Een behandeling uitvoeren zodra op de jonge planten aantasting wordt waargenomen.

Dosering: 0,2 liter per ha.

Stamslabonen, ter bestrijding van trips.

Een behandeling uitvoeren zodra op de jonge planten aantasting wordt waargenomen.

Dosering: 0,2 liter per ha.

Spruit-, sluit-, bloem-, chinese- en boerenkool, broccoli en koolrabi, ter bestrijding van koolrupsen, koolmot en bladrollers; nevenwerking tegen bladluis en bij spruitkool ook tegen late koolvlieg.

Ter bestrijding van de koolgalmug het middel toepassen zodra de eerste eitjes zijn afgezet. De bespuiting zonodig herhalen.

Dosering: 0,2 liter per ha.

Uien en prei, ter bestrijding van trips.

Zodra een aantasting wordt waargenomen een behandeling uitvoeren; de behandeling met een interval van plm. 5 dagen enkele malen herhalen.

Dosering: 0,2 liter per ha.

Graszaadteelt, graszodenteelt, weiland en sportvelden, ter bestrijding van de larven van de rouwvlieg.

Bij voorkeur spuiten met veel water; regen kort na de toepassing heeft een gunstige effect op de bestrijding. De bestrijding dient in de herfst te worden uitgevoerd. Om de kans op kontakt van het middel met de larven te vergroten verdient het aanbeveling weiland eerst te slepen en geen drijfmest kort voor de bespuiting toe te dienen.

Dosering: 0,3 liter per ha.

Tulp, hyacint, iris en gladiool, ter beperking van verspreiding van nonpersistente virussen.

Het middel vanaf de eerste week van mei wekelijks toepassen.

Bij tulpen de bespuitingen voortzetten tot de tweede/derde week van juni, bij hyacinten en irissen tot tien dagen voor het rooien en bij gladiolen tot een week voor de bloei. Bij gladiolen uitsluitend toepassen op virusvrije partijen.

Dosering: 0,4 liter per ha.

Lelies, ter beperking van verspreiding van non-persistente virussen.

Het middel vanaf de eerste week van mei toepassen; in mei, juni en juli wekelijks toepassen; in augustus/september om de 10 dagen.

Dosering: 0,4 liter per ha.

Gecombineerd toepassen met minerale olie kan het effekt verbeteren.

Voor de dosering van minerale olie raadplege men de voorlichting.

Bloemisterijgewassen onder glas, ter bestrijding van rupsen, bladrollers, witte vlieg, mineervlieg, trips en bladluizen.

Een behandeling uitvoeren zodra aantasting optreedt. De behandeling zonodig enige malen herhalen met een interval van 7 dagen.

Volwassen mineervliegen en Floridamotten bestrijden d.m.v. een ruimtebehandeling.

Dosering:

0,05 % (50 ml per 100 liter water).

Bij gebruik van straalmotorspuit 100 ml per 1000 m².

Wageningen, 24 november 1995

DE MINISTER VAN LANDBOUW,
NATUURBEHEER EN VISSERIJ,
voor deze:
HET COLLEGE VOOR DE TOELATING VAN BESTRIJDINGSMIDDELEN,


(voorzitter)

MINISTERIE VAN LANDBOUW, NATUURBEHEER EN VISSERIJ

BIJLAGE II behorende bij het besluit van datum dezes tot wijziging van de toelating van het bestrijdingsmiddel SUMICIDIN SUPER, toelatingsnummer 10211 N.

Op basis van het onderstaande wordt de toepassing als insektenbestrijdingsmiddel in de teelt van stamslabonen in bovengenoemd middel toegelaten en wordt de veiligheidstermijn voor de toepassing in granen verkort.

Aanpassing van de veiligheidstermijn voor de toepassing in granen.

Alhoewel vanuit toxicologisch/residutechnisch oogpunt er geen bezwaar bestond tegen een veiligheidstermijn van 2 weken voor de toepassing van SUMICIDIN SUPER in graan werd destijds (1993) genoemde toelating verleend met een veiligheidstermijn van 6 weken daar een verkorting van de veiligheidstermijn tot 2 weken vanuit landbouwkundig oogpunt niet reëel werd geacht. Uitgangspunt immers is het goed landbouwkundig gebruik, waarbij een hoger gebruik van het middel dan vanuit landbouwkundig oogpunt strikt noodzakelijk wordt geacht, voorkomen dient te worden.

Nadere bestudering leert dat afrijping van het gewas 6 weken voor de oogst begint. Bestrijding van de bladluizen zal dan ook met name tot voor 6 weken voor de oogst worden uitgevoerd. Echter indien de bladluisdruk erg hoog is, kan vanuit landbouwkundig oogpunt een latere bespuiting noodzakelijk zijn. Er wordt dus teruggekomen op de destijds door het CTB gehanteerde argumentatie dat “een verkorting van de veiligheidstermijn vanuit landbouwkundig oogpunt niet reëel wordt geacht en dat het uitgangspunt immers is het goed landbouwkundig gebruik, waarbij een hoger gebruik van het middel dan vanuit landbouwkundig oogpunt strikt noodzakelijk wordt geacht, voorkomen dient te worden.”

Conclusie:

Gezien het feit dat er vanuit toxicologisch oogpunt geen bezwaar bestaat, wordt de veiligheidstermijn voor de toepassing in granen verkort naar twee weken.

Uitbreiding van de toepassing met stamslabonen

werkzaamheid

Op basis van de verschafte gegevens wordt geconcludeerd dat het aangevraagde middel voldoende werkzaam is en geen onaanvaardbare uitwerking heeft op planten of plantaardige produkten.

Vanuit het oogpunt van landbouwkundige werkzaamheid kan akkoord worden gegaan met een toelating van het middel SUMICIDIN SUPER als insektenbestrijdingsmiddel in de teelt van stamslabonen.

volksgezondheid

De firma heeft destijds de resultaten van 2 residuproeven (4 herhalingen) geleverd met SUMICIDIN SUPER in stamslabonen. Op grond daarvan werd besloten de uitbreidingsaanvraag in stamslabonen niet te honoreren vanwege het gebruik van een afwijkende veiligheidstermijn van 12-13 dagen in de proeven ten opzichte van de gebruikelijke veiligheidstermijn voor stamslabonen van 7 dagen.

Aan de firma werd medegedeeld dat het verschaffen van in totaal 4 goed uitgevoerde proe-ven, met de in Nederland aangevraagde dosering, frequentie van toepassing, toepassings-tijdstip en veiligheidstermijn -van 7 dagen- noodzakelijk werd geacht. Bij nadere bestudering werd deze veiligheidstermijn aangepast tot een veiligheidstermijn van 10 dagen.

De veiligheidstermijn in de uitgevoerde residuproeven -12-13 dagen- valt nu binnen de marge van 25% van de ‘nieuwe’ veiligheidstermijn van 10 dagen. In dit licht bezien voldoen deze 2 studies aan de residuvereisten. Dat wil zeggen dat de studies zijn uitgevoerd met de geclaimde formulering, de geclaimde dosering, de juiste veiligheidstermijn en onder de juiste klimatologische omstandigheden.

Het gemiddeld residuniveau esfenvaleraat in de proef uitgevoerd in Noord Brabant bedraagt 0.02 mg/kg en in de proef uitgevoerd in Flevoland < 0.01 mg/kg. Een MRL berekening volgens de huidige normen (Draft Guidelines for Establishment of Community Maximum Residue Levels of Plant Protection Products in Food and Feedstuffs of Plant and Animal Origin) is vanwege de gelimiteerde dataset niet mogelijk. Echter gezien de residuniveau’s in de proeven en de al vastgestelde residutoleranties voor fenvaleraat wordt een MRL van 0.05 mg/kg fenvaleraat, uitgedrukt als fenvaleraat (incl. andere mengsels van samenstellende isomeren (som van de isomeren)) in stamslabonen voorgesteld.

De geleverde residugegevens voldoen aan de vereisten die golden ten tijde van de indiening en de beoordeling van de aanvraag.

Gelet op de volgende overwegingen is de toepassing van het middel SUMICIDIN SUPER als insektenbestrijdingsmiddel in de teelt van stamslabonen vanuit residu-oogpunt toelaatbaar:

• De geleverde residugegevens voldoen aan de vereisten die golden ten tijde van de indiening en de beoordeling van de aanvraag.

• door de EU is voor (es)fenvaleraat voor stamslabonen/peulgroenten een MRL van 0.05* mg/kg vastgesteld. Het voorstel van de CTB is hiermee niet in tegenspraak.

• de gevonden gehalten aan residuen zijn alle lager dan de voorgestelde MRL van 0.05 mg/kg.

• de stof esfenvaleraat staat op de eerste prioriteitenlijst van 90 stoffen zoals deze door de EU is vastgesteld/gepubliceerd. Na het verschijnen van de monograph en besluitvorming door de EU inzake esfenvaleraat dient bezien te worden of de toepassing van esfenvaleraat in stamslabonen gehandhaafd kan blijven.

arbeidstoxicologie

Voor deze uitbreidingsaanvraag zijn gezien de voorgeschreven concentraties en toepassingsmethoden in vergelijking met de reeds toegelaten toepassingen geen extra risico’s voor de toepasser te verwachten.

Vanuit arbeidstoxicologisch oogpunt zijn er dan ook geen toxicologische bezwaren tegen een toelating van het middel SUMICIDIN SUPER met een toepassing als insektenbestrijdingsmiddel in de teelt van stamslabonen.

Milieuhygiëne

De voorliggende aanvraag tot uitbreiding van de toelating dateert van mei 1990 (90-315 U). In februari 1993 zijn de toepassingen waarvoor uitbreiding was gevraagd grotendeels toegelaten, met uitzondering van de toepassing op stamslabonen. Het resterende deel van de aanvraag met betrekking tot uitbreiding van de toepassing in stamslabonen had moeten worden behandeld naar aanleiding van brieven van de toelatinghouder (althans zijn rechtsvoorganger) d.d. 21 en 22 juli 1993, daar zoals achteraf bleek het dossier toentertijd compleet was.

Omdat de voorliggende uitbreiding reeds medio 1993 had moeten worden beoordeeld is voor de risicoschatting van waterorganismen uitgegaan van de toentertijd geldende normen, de normen van het Meerjarenplan Gewasbescherming. Op grond van artikel 9 van het Besluit milieutoelatingseisen bestrijdingsmiddelen zijn op de aanvraag tot uitbreiding van de toelating van het betrokken bestrijdingsmiddel (vóór 31 januari 1995 volledig) de bepalingen van het besluit niet van toepassing.

Opgemerkt wordt dat er voor kreeftachtigen en vissen geen onderzoek is uitgevoerd met esfenvaleraat, maar alleen met fenvaleraat. Omdat fenvaleraat bestaat uit een racemisch mengsel van vier optische isomeren en esfenvaleraat daarvan de biologisch meest aktieve isomeer is, wordt er vanuit gegaan dat esfenvaleraat minstens even giftig is voor kreeftachtigen en vissen als fenvaleraat.

Toxiciteit voor waterorganismen

- algen: fenvaleraat is zeer weinig giftig voor algen. 96-uurs NOEC = > 10 mg/l (Chlorella vulgaris). Deze waarde ligt boven de wateroplosbaarheid van fenvaleraat. Uit een recent geleverd onderzoek waarin de toxiciteit van esfenvaleraat voor Scenedesmus subspicatus is onderzocht (onderzoek volgens OECD-richtlijnen en volledig bevonden, maar nog niet geëvalueerd) bleek esfenvaleraat zeer giftig te zijn: 96-uurs EbC50 = 0,0065 mg/l, 48-uurs ErC50 = 0,010 mg/l en 96-uurs NOEC = 0,001 mg/l (nominale conc.; gemeten conc. > 80% van nominale conc.);

- kreeftachtigen: fenvaleraat is zeer giftig voor kreeftachtigen: 96-uurs LC50 = 0,03 - 0,05 ug/l (1 soort);

- vissen: fenvaleraat is zeer giftig voor vissen: 96-uurs LC50 = 0,64 - 6,2 ug/l (3 soorten). Een 10% formulering is eveneens zeer giftig voor vissen: 96-uurs LC50 = 1,0 ug/l (= 0,1 ug a.s./l) (1 soort).

Risicoschatting voor waterorganismen

Het risico voor waterorganismen bij diverse toepassingen van esfenvaleraat wordt ingeschat met behulp van berekeningen van de concentraties in het oppervlaktewater (sloot van 25 cm diepte) die ontstaan door overwaaien van esfenvaleraat. Het overwaaipercentage is afhankelijk van de toepassing. In onderstaande tabel is voor esfenvaleraat per toepassingsgebied het overwaaipercentage en de berekende concentratie in het oppervlaktewater aangegeven na één of meerdere toepassingen. Tevens is in de tabel aangegeven of er en zo ja, in welke mate, overschrijding plaatsvindt van de norm voor waterorganismen. Deze norm is de 0,1 x LC50-waarde voor vissen of de laagste L(E)C50-waarde voor algen en kreeftachtigen. De laagste waarde is van toepassing. Uit bovenstaande toxiciteitsgegevens blijkt dat de norm gebaseerd dient te worden op de 96-uurs LC50-waarde van 0,1 ug/l voor vissen. De norm is derhalve 0,01 ug/l.

toepassing

dosering (kg a.s./ha)

emissie (%)*

conc. opp. water (ug/l)**

overschrijding norm

stamslabonen

0,005

0,2

0,004

0,4

* er is uitgegaan van 90% emissiereductie (zie MJP-G)

** berekend volgens Slootbox

Wanneer de concentraties in het oppervlaktewater vermeld in bovenstaande tabel in ogenschouw worden genomen blijkt dat de toepassing in stamslabonen de voorlopige normen van het MJP-G niet overschrijdt.

De stof esfenvalaraat is eind 1994 op het risico voor waterorganismen beoordeeld volgens de de toen geldende werkwijze van het CTB, die is gebaseerd op de in het Handboek Normen en Criteria Toelating Bestrijdingsmiddelen neergelegde Slootboxmodel-berekening,

Op grond daarvan is voor de reeds toegelaten toepassingen van SUMICIDIN SUPER, waarvoor is vastgesteld dat de norm met een factor <100 wordt overschreden, als voorwaarde voor verlenging gesteld het overleggen van gegevens uit (semi-)veldonderzoek van SUMICIDIN SUPER op aquatische ecosystemen voor de meest kritische toepassing, te weten die in lelies (hoogste dosering, maximale toepassingsfrequentie), met speciale aandacht voor de effecten op algen, kreeftachtigen en vissen .

Volgens de risico-evaluatie van esfenvaleraat ten aanzien van waterorganismen overschrijdt de voorliggende toepassing in stamslabonen de norm met een faktor 13,3.

Derhalve geldt voor de toepassing van SUMICIDIN SUPER in stamslabonen eveneens dat als voorwaarde voor de verlenging van de voorliggende toepassing gegevens uit (semi-)veldonderzoek m.b.t. de effekten van SUMICIDIN SUPER op aquatische ecosystemen dienen te worden geleverd.

Conclusie milieuhygiëne

Het bestrijdingsmiddel SUMICIDIN SUPER met een toepassing als insektenbestrijdingsmiddel in de teelt van stamslabonen is bij toetsing aan de toentertijd geldende normen van het Meerjarenplan Gewasbescherming toelaatbaar. De stof esfenvaleraat is in een latere fase op het risico voor waterorganismen beoordeeld volgens de toen geldende werkwijze van het CTB. Uit deze beoordeleing volgt een overschrijding van de norm voor waterorganismen met een factor < 100.

Derhalve dient (semi-)veldonderzoek m.b.t. de effecten van het middel op aquatische ecosystemen ook voor deze toepassing door de toelatinghouder te worden overgelegd ten behoeve van beoordeling van de verdere toelaatbaarheid van het bestrijdingsmiddel SUMICIDIN SUPER.”

Conclusie:

Op grond van het vorenstaande wordt het bestrijdingsmiddel SUMICIDIN SUPER toegelaten voor de toepassing als insektenbestrijdingsmiddel in de teelt van stamslabonen.

Als voorwaarde voor de verlenging van de toelating geldt het verschaffen van het volgende onderzoek:

• de uitvoering van (semi-)veldonderzoek m.b.t. de effecten van SUMICIDIN SUPER op aquatische eco-systemen met speciale aandacht voor de effecten op algen, kreeftachtigen en vissen.”

Wageningen, 24 november 1995

DE MINISTER VAN LANDBOUW,
NATUURBEHEER EN VISSERIJ,
voor deze:
HET COLLEGE VOOR DE TOELATING VAN BESTRIJDINGSMIDDELEN,


(voorzitter)