Het College voor de Toelating
van Bestrijdingsmiddelen,


Beslissende op het bezwaarschrift van de naamloze vennootschap "Sumitomo Chemical Agro Europe S.A. van 26 juli 2000, kenmerk, gericht tegen het besluit van het College voor de toelating van bestrijdingsmiddelen van 23 juni 2000 met betrekking tot de wijziging van de toelating van het middel "Sumicidin Super", toelatingsnummer 10211 N.

Over het bezwaarschrift is advies gevraagd aan de Adviescommissie voor de bezwaarschriften CTB, verder te noemen de commissie. Een afschrift van het door de commissie uitgebrachte advies van 9 maart 2001 is aan partijen toegezonden.

De commissie heeft met betrekking tot het voorliggende bezwaarschrift geadviseerd om:

het bezwaar dat appellant niet in de gelegenheid is gesteld naar aanleiding van het voornemen tot beëindiging van de toepassingen in de teelt van appels/peren, prei/uien en pootaardappelen, te worden gehoord, ongegrond te verklaren;

de verschillende besluitvormingstrajecten nader te bezien en zo mogelijk te comprimeren teneinde te voorkomen dat appellant in een kort tijdsbestek met diverse wijzigingen in de toepassing van het middel geconfronteerd wordt;

het bezwaar voor zover betrekking hebbend op onverkorte toepassing van de norm van 0,08 µg/l ongegrond te verklaren en voorts te besluiten tot wijziging van het WG/GA met inachtneming van het voorstel van appellant van 26 september 2000;

na te gaan over welke mesocosmstudies partijen van mening verschillen en te onderzoeken of deze bij de beoordeling meegenomen zijn dan wel hadden moeten worden.

Het College heeft vastgesteld dat het advies van de commissie op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en kan zich vinden in de overwegingen van de commissie. Het College neemt derhalve de overwegingen en de conclusie van het advies over.

Ten aanzien van het advies om de verschillende besluitvormingstrajecten op elkaar af te stemmen wordt nog het volgende opgemerkt.

Bij separaat besluit in primo zal uitsluitsel worden gegeven omtrent het voornemen de toepassing in de teelt van suiker- en voederbieten, bloembollen en bloemisterijgewassen van het middel op basis van de stof esfenvaleraat te beëindigen.

Het College streeft er naar dit besluit gelijktijdig met het onderhavige besluit aan de naamloze vennootschap bekend te maken. Dit wordt hier verder buiten beschouwing gelaten.

Ten aanzien van het voorstel om het wettelijk gebruiksvoorschrift en de gebruiksaanwijzing te wijziging merkt het College het volgende op.

Appellant heeft in een brief van 26 september 2000, het voorstel gedaan het wettelijk gebruiksvoorschrift, annex gebruiksaanwijzing te wijzigen. De voorgestelde wijziging betreft;

• het schrappen van de toepassingen in appels en peren;

• het beperken van een aantal toepassingen in uien en prei tot maximaal twee per seizoen;

• driftreducerende maatregelen (combinatie van teeltvrije zone en gebruik van grove doppen) voor de toepassing in pootaardappelen

In het verweerschrift van 8 januari 2001 is aangegeven dat met deze wijzigingen zou kunnen worden ingestemd.

Thans is de reactie van appellant definitief beoordeeld.

In de definitieve eindpunten tabel van de EU (Esfenvalerate 6846/VI/97-final d.d.
30 november 2000, bijlage II) zijn voor chronische toxiciteit aquatische evertebraten twee normen opgenomen. Beide normen zijn gebaseerd op mesocosm-studies. Dit zijn de AEC (acceptable ecological concentration) en de NOEC (no observed effect concentration). De getalswaarden van deze normen zijn: AEC = 0,08 µg/L en NOEC = 0,01 µg/L. In C 97.3.19 is beargumenteerd waarom bij toepassingen met een maximale frequentie van 2 de AEC wordt gehanteerd als norm en bij toepassingen met hogere frequenties de NOEC. Daarbij is het argument gebruikt dat de AEC-norm gebaseerd is op een studie waarbij esfenvaleraat
2 maal is toegepast bij een interval van 3,5 weken. Op basis van een dergelijke studie kunnen risico’s voor waterorganismen bij toepassingen met hogere frequenties (en kortere intervallen) niet worden uitgesloten. Het feit dat de EU in de definitieve eindpunten tabel ook de NOEC-waarde van 0,01 µg/L heeft opgenomen is een ondersteuning van deze CTB-argumentatie.

Het advies van de Adviescommissie voor de bezwaarschriften CTB op dit onder deel is de bezwaren van appellant ongegrond te verklaren.

In een brief van 13 november 2000, voor zover in dit kader van belang, heeft appellant de voorgestelde wijziging van het wettelijk gebruiksvoorschrift en gebruiksaanwijzing toegespitst op:

• de toepassingen in de teelt van aardappelen, uien en prei worden beperkt tot maximaal
2 toepassingen per jaar;

• voor de toepassingen in de teelt van pootaardappelen op percelen die grenzen aan watergangen worden de volgende restricties opgenomen:

• er dient gebruik gemaakt te worden van een grove dop uit de drift reductieklasse van minimaal 50%, in combinatie met luchtondersteuning en een standaard teeltvrije zone of

• er dient gebruik gemaakt te worden van een zeer grove dop uit de drift reductieklasse van minimaal 75%, zonder luchtondersteuning en met een standaard teeltvrije zone.

De voorgestelde wijzigingen zijn voor wat betreft werkzaamheid akkoord bevonden.

Voor toepassingen met een maximale frequentie van 2 bedraagt de norm 0,08 µg/L. Voor de toepassingen met een maximale frequentie > 2, bedraagt de norm 0,01 µg/L. Deze waarden zijn afgeleid op basis van de nominale initiële concentraties van mesocosmstudies.

Derhalve dient de Predicted Initial Environmental Concentration (PIEC) te worden getoetst aan deze norm.

De PIEC-waarden zijn berekend met behulp van TOXSWA, met inachtname van het concept-WG/GA. Voor de toepassing in onder meer de teelt van pootaardappelen en bloembollen (v.g.) is de berekende PIEC-waarde gebaseerd op driftpercentages uit het IMAG-rapport "Spray drift when applying esfenvalerate in potatoes and flower bulbs in the Netherlands" (Nota V2000-63, september 2000). Voor de overige toepassingen wordt uitgegaan van de laatste driftpercentage cijfers, die zijn opgenomen in het Overzicht te hanteren driftpercentages (standaardsituaties), waarover het College heeft besloten in de vergadering van
22 oktober 1999.

In eerdere berekeningen zijn de waarden voor diverse parameters afgeleid van gegevens uit de conceptversie van de eindpuntentabel uit 1997. Een meer recente versie was niet beschikbaar. Thans is er een definitieve eindpuntentabel (Esfenvalerate 6846/VI/97-final d.d. 30 november 2000, bijlage II). In tabel M.1 zijn de waarden van parameters, die relevant zijn voor de berekening van de belasting van het oppervlaktewater, opgenomen zoals afgeleid uit de verschillende versies van de eindpuntentabel.

Tabel M.1: Overzicht waarden relevante parameters voor het berekenen van concentraties esfenvaleraat in oppervlaktewater

omschrijving

waarde op basis van concept-eindpunten tabel

(=gehanteerde waarde)

waarde op basis van definitieve eindpuntentabel

DT50 (dagen)

67*

67*

KOM-sediment (L/kg)

964**

964**

KOM-gestuspendeerd materiaal (L/kg)

2892**

2892**

dampspanning (Pa bij 20°C)

2,8 × 10-5

1,17 × 10-9

oplosbaarheid (µg/L bij 20°C)

10,4

< 1

molaire massa (g/mol)

419.9

419.9

* In de eindpuntentabel wordt een range van DT50-waarden gegevens, zonder een gemiddelde. De DT50 waarden (systeem) bedraagt 54-80 dagen; bij de berekeningen is een gemiddelde van deze waarden gehanteerd; in de berekeningen gaat het CTB er standaard vanuit dat de afbraak plaatsvindt in de waterfase, aangezien er nog geen standaardmethode is om de afzonderlijke afbraaksnelheden in water en sediment uit de water/sediment studie te bepalen; de afbraaksnelheid in het sediment wordt kunstmatig laag gehouden met een DT50 van 10.000 dagen.

** De gehanteerde KOM waarden zijn gebaseerd op Kd-waarden uit de EU-monograph

Tabel M.2: Overzicht berekende concentraties esfenvaleraat in oppervlaktewater*

Toepassing

max. dosering**

[kg w.s./ha]

max freq.**

Emissie**

[%]

PIEC**

[µg/L]

norm**

[µg/L]

PIEC/norm**

1) appels/peren (april) (v.g.)

toepassing beëindigd; op verzoek

2) appels (mei-aug) (v.g.)

toepassing beëindigd; op verzoek

3) peren (mei-aug) (v.g.)

toepassing beëindigd; op verzoek

4) uien (v.g.)

0,005

2

1

0,041

0,08

0,51

7) prei (v.g.)

0,005

2

1

0,041

0,08

0,51

8) aardappel/pootaardappel (v.g.)

0,005

2

1

0,041

0,08

0,51

9) pootaardappel (Yn-virus) (v.g.)

0,005

12

0,25

0,096

0,01

9,6








* Het voorjaarsscentario, berekend volgens TOXSWA op basis van maximale dosering en maximale frequentie.

** De waarden die zijn gewijzigd ten opzichte van de eerdere berekeningen zijn vet gedrukt.

Voor wat betreft de relevante parameters blijken er verschillen te zijn in de waarden voor dampspanning en oplosbaarheid. De verschillen zijn van dien aard dat hogere concentraties in het oppervlaktewater worden verwacht, omdat de vervluchtiging aanzienlijk afneemt. De waarden van de dampspanning en oplosbaarheid in de definitieve eindpunten tabel zijn gebaseerd op studies die zijn geëvalueerd in het addendum van de monograph van esfenvaleraat.

In de berekeningen wordt gerekend met de waarden uit de definitieve eindpuntentabel.

De resultaten van de TOXSWA-berekeningen en toetsing aan de norm zijn samengevat in Tabel M.2. De toepassingen 1, 2 en 3 zijn door de toelatinghouder ingetrokken.

Op grond van de berekende PIEC-concentraties in het oppervlaktewater uit Tabel M.2 blijkt dat de toepassing in de teelt van pootaardappelen (Yn-virus, volle grond) niet voldoet aan de norm voor toxiciteit waterorganismen zoals opgenomen in het Besluit milieutoelatingseisen bestrijdingsmiddelen. Deze toepassing is reeds beëindigd (zie C-97.3.19).

Voor de overige toepassingen is in C-97.3.19 een voornemen tot beëindiging geuit. Deze toepassingen voldoen op basis van bovenstaande berekening nog steeds niet aan de norm voor waterorganismen.

Op basis van het WG/GA voldoen de volgende toepassingen thans aan de norm voor toxiciteit waterorganismen zoals opgenomen in het Besluit milieutoelatingseisen bestrijdingsmiddelen:

• in de teelt van uien

• in de teelt van prei

• in de teelt van aardappels ter bestrijding van de larven van de Coloradokever

• in de teelt van aardappels ter bestrijding van bladluizen

• in de teelt van pootaardappels ter voorkoming van overdracht door bladluizen van het bladrolvirus.

De toepassingen in de teelt van uien en prei zijn reeds beëindigd (zie C-97.3.19). Op basis van bovenstaande berekening blijken deze toepassingen nu wel te voldoen aan de norm voor waterorganismen.

De in 97.3.19 vastgestelde beëindiging van de toepassingen in de teelt van uien en prei kan worden herroepen daar vast is komen te staan dat deze toepassingen thans wel voldoen aan de norm voor waterorganismen.

De toepassing in de teelt pootaardappelen (Yn-virus) blijkt ook na herbeoordeling met de voor gestelde driftreducerende maatregelen, niet te voldoen aan de norm voor waterorganismen. Het College ziet hierin geen aanleiding om terug te komen op het besluit deze toepassing te beëindigen.

Met betrekking tot de mesocosmstudies die al dan niet zouden zijn betrokken in de besluitvorming kan worden opgemerkt dat deze studies daadwerkelijk zijn betrokken in de hiervoor beschreven beoordeling.

BESLISSING OP HET BEZWAARSCHRIFT

Het CTB besluit als volgt:

1. de bezwaren van de naamloze vennootschap zijn ongegrond;

2. het besluit tot toelating van het middel Sumicidin Super, toelatingsnummer 10211 N, van 15 februari 1989, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 8 december 2000, wordt gewijzigd met in gang van datum dezes. In het gestelde onder paragraaf IV.2.e wordt in plaats van " W.10" gelezen: "W11". De bijlage I (laatstelijk gewijzigd bij besluit van 8 december 2000) van bovengenoemd besluit wordt met ingang van datum dezes vervangen door bijlage I dezes.

Een ieder wiens belang rechtstreeks bij dit besluit is betrokken, kan op grond van artikel 8 van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 tegen dit besluit binnen 6 weken na de dag van verzending van het besluit beroep instellen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA ‘s-Gravenhage. Het beroepschrift moet op grond van artikel 6:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zijn ondertekend en bevat tenminste de naam en adres van de indiener, de dagtekening, de omschrijving van het besluit waartegen het beroep is gericht, zo mogelijk een afschrift van dit besluit, de gronden waarop het beroepschrift rust. Van de indiener van het beroepschrift wordt griffierecht geheven door de griffier van het College. Nadere informatie over de hoogte van het griffierecht en de wijze van betalen wordt door de afdeling Griffie van het College verstrekt.

Wageningen, 11 mei 2001

HET COLLEGE VOOR DE TOELATING VAN BESTRIJDINGSMIDDELEN,





(voorzitter)